Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1865

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
13751599-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

IRK Tussenuitspraak, de rechtbank wil zich beraden omtrent de vraag of en in welke mate de omstandigheden in de situatie van de opgeëiste persoon afbreuk zullen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die zijn strafzaak zal beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751599-20

RK nummer: 20/3423

Datum uitspraak: 13 april 2021

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 maart 2019 door the Circuit Court in Tarnobrzeg, II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 september 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft op 29 september 2020 het onderzoek geschorst in afwachting van antwoorden van het Hof van Justitie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over – kort gezegd – de Poolse rechtsstaatkwestie.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 30 maart 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of Circuit Court in Tarnobrzeg of 23rd April 2018, case II K 8/18 on ordering execution of detention awaiting trial.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van de in de feitsomschrijving vermelde marihuana.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de in de feitsomschrijving vermelde kristallen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is vast te stellen dat het verstrekken van de in de feitsomschrijving genoemde kristallen dubbel strafbaar is. Eén van de getuigen heeft verklaard dat zij er geen effect van heeft ervaren. Een andere getuige heeft verklaard enig effect te hebben ervaren nadat ze de kristallen en de marihuana gebruikt had. Het kan goed zijn dat dat effect alleen door de marihuana is veroorzaakt, aldus de raadsman. Er is geen sprake van een stof genoemd op de lijsten van de Opiumwet en evenmin op artikel 147 (de rechtbank begrijpt: artikel 174) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omdat niet vast is komen te staan dat sprake is van een schadelijke stof. Tot slot heeft de raadsman gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van verkoop van een geneesmiddel nog even los van de omvang van de strafbedreiging in de Geneesmiddelenwet.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gewezen op hetgeen zij op de vorige zitting reeds heeft opgemerkt over de kristallen. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een stof met een schadelijk karakter, aangezien mensen in het ziekenhuis terecht zijn gekomen. Zij concludeert dat het verstrekken en/of verkopen van de kristallen dan ook dubbel strafbaar is.

Het oordeel van de rechtbank

Nu geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aard van de in de feitsomschrijving genoemde kristallen valt niet vast te stellen welke stoffen deze bevatten. Dientengevolge kan de rechtbank ook niet beoordelen of sprake is van strafbaarheid naar Nederlands recht. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren met betrekking tot de vervolging voor zover deze ziet op de verstrekt en /of verkochte kristallen.

5. Hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.1

Inleiding

5.1.1

Ten aanzien van de hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’

In haar uitspraak van 27 januari 20211 heeft de rechtbank conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 2020 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)2 geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat voormeld arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn er geen gegevens voorhanden die leiden tot het oordeel dat de uitvaardigende autoriteit niet als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” kan worden beschouwd.

5.1.2

Ten aanzien van artikel 47 Handvest

Het oordeel dat sprake is van systemische gebreken brengt mee dat deze gebreken ook op het niveau van de in deze zaak bevoegde rechterlijke instantie negatieve gevolgen kunnen hebben.

Dat betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak nog moet beoordelen of er, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd, en rekening houdend met de gegevens die haar eventueel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zijn verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal krijgen in Polen, omdat de structurele en/of fundamentele gebreken die in Polen ten tijde van de uitvaardiging en inmiddels na uitvaardiging van het EAB bestaan, in zijn concrete geval afbreuk zullen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die de strafzaak van de opgeëiste persoon zal beoordelen.

5.2

Standpunten verdediging en openbaar ministerie

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat in zijn zaak zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht in Polen zal worden geschonden en derhalve zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zal worden behandeld door het Circuit Court van Tarnobrzeg. Een van de rechters, Karolina Baranska, is als voorzitter van de civiele sector aan deze rechtbank verbonden en is lid van de Poolse Raad voor de Rechtspraak (KRS). Robert Pelewisc is aangesteld als rechter van de Criminal Division II van deze rechtbank en heeft zich kandidaat gesteld voor het KRS, welke kandidatuur werd gesteund door Jozef Dyl, president van de Criminal Division II, die het EAB heeft uitgevaardigd.

De appelinstantie is het Hof van Beroep van Rzeszów. Op de door de raadsman ter ondersteuning van zijn verweer overgelegde lijst van OKO Press burgers watchdog inzake rechters benoemd door Neo-KRS staan zeven rechters van dit Hof van Beroep.

De raadsman heeft gesteld dat, omdat zowel de rechtbank als de appelinstantie ‘geïnfiltreerd’ zijn door rechters die zitting hebben in het ongrondwettelijke KRS, dan wel door rechters die de KRS op zijn minst welgevallig zijn, niet meer kan worden gesproken van onafhankelijke gerechten. Het recht van een eerlijk proces kan niet worden gegarandeerd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verweer van de verdediging niet in de het kader van de zogeheten stap 3 moet worden gezien, maar in het kader van de zogeheten stap 2. Over dit laatste punt heeft deze rechtbank al geoordeeld en de verwachting bestaat dat dit in deze zaak niet anders zal zijn. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzing bestaat dat de door de raadsman benoemde uitspraak van deze rechtbank op 10 februari 2021 doorwerking zal hebben in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon. Ook overigens is niets aangevoerd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon ervoor zou moeten vrezen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht in Polen zal worden geschonden en derhalve zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, aldus de officier van justitie.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Het is in beginsel mede aan de opgeëiste persoon en zijn advocaat om, voor zover hij zich beroept op een mogelijke schending van zijn recht op een eerlijk proces, waar mogelijk, informatie te verstrekken die relevant zou kunnen zijn bij de beoordeling of het gevaar voor een dergelijke schending aannemelijk is.

De rechtbank heeft aan de hand van de door de raadsman naar voren gebrachte feiten en omstandigheden nog niet kunnen vaststellen dat er sprake is een situatie als bedoeld onder 5.1.2 als hiervoor weergegeven.

Die omstandigheden hangen voor een aanzienlijk deel samen met stap 2. Omtrent de vraag of en zo ja in welke mate die omstandigheden in de concrete situatie van de opgeëiste persoon afbreuk zullen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die de strafzaak van de opgeëiste persoon zal beoordelen wenst de rechtbank zich nader te beraden.

Daartoe zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen voor de duur van 3 weken. De rechtbank zal het onderzoek aanhouden tot 4 mei 2021 op een nader te bepalen tijdstip en alsdan het onderzoek sluiten.

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek tot dinsdag 4 mei 2021 op een nader te bepalen tijdstip.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2021.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2021:179

2 Zaken C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU (gevoegd), ECLI:EU:C:2020:1033