Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1846

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
13/043618-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Binnen anderhalf uur tijd schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, afpersing, poging tot afpersing en bedreiging. In alle gevallen stanleymes getoond. Ontoerekeningsvatbaar. Ovar. Tbs met voorwaarden. Dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/043618-20

Datum uitspraak: 14 april 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [detentieadres]

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 mei 2020, 4 augustus 2020, 28 oktober 2020, 13 januari 2021 en 31 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.P. Dayala, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 februari 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

  1. Poging tot doodslag (impliciet primair) of poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair) van [naam 1] ;

  2. Afpersing van [naam 2] ;

  3. Poging tot afpersing van [naam 3] ;

  4. Bedreiging van [naam 4] ;

  5. Bedreiging van [naam 5] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage van dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de (impliciet) primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen.

3.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van feiten 1, 4 en 5 geen bewijsverweren gevoerd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een koptelefoon, maar dat niet kan worden bewezen dat daarbij een mes is gebruikt, geweldshandelingen zijn gepleegd of is gedreigd met geweld.

Ook ten aanzien van feit 3 kan niet worden bewezen dat verdachte een mes heeft gebruikt of heeft gedreigd met geweld.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feiten 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Feit 1 (poging doodslag/zware mishandeling [naam 1] )

De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte aangever [naam 1] op 15 februari 2020 aanviel. In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven is gerelateerd dat verdachte aangever tegen zijn rug/schouder trapt en een trappende beweging maakt in de richting van het hoofd van aangever. Aangever ligt op dat moment op de grond en verdachte komt met zijn standbeen van de grond af, terwijl hij de trappende beweging maakt in de richting van het hoofd van aangever. Verder is hierin gerelateerd dat verdachte, met een groen voorwerp in zijn handen, een stekende of slaande beweging maakt in de richting van aangever en een soort duw geeft naar het hoofd van aangever. Uit de letselverklaring blijkt dat aangever als gevolg van het incident een snij- of steekwond op zijn linkerbovenarm, een kraswond op zijn rug en een onderhuidse bloeduitstorting op de rechterbovenarm heeft opgelopen. Op de linkerbovenarm van de jas van aangever zaten twee scheurtjes en in de linkermouw van het T-shirt van aangever zat een gaatje, omringd met bloed.

Over de wijze waarop het letsel is toegebracht lopen de verklaringen uiteen. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever heeft geschopt en geslagen met zijn voeten en handen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij aangever één keer met een stanleymes heeft geslagen, terwijl het mes niet was uitgeschoven. Aangever daarentegen heeft verklaard dat verdachte hem op de grond heeft geduwd en hem meermalen tegen zijn hoofd en lichaam heeft geschopt en geslagen. Aangever zag dat verdachte een mes boven zijn hoofd hield, waarvan de punt wees in zijn richting.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangever op de grond heeft geduwd, tegen het lichaam heeft getrapt, een trappende beweging in de richting van het hoofd van aangever heeft gemaakt en met een stanleymes in de hand slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van aangever en aangever daarmee in zijn arm heeft gestoken. De verklaring van verdachte, dat het mes niet was uitgeschoven toen hij aangever raakte, past niet bij het geconstateerde letsel en de beschadigingen aan de jas en wordt daarmee ter zijde geschoven. Bovendien ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat de punt van het mes in de richting van zijn hoofd wees. Dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geschopt vindt geen steun in het door aangever opgelopen letsel en in de camerabeelden, zodat verdachte van deze ten laste gelegde handeling zal worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk opzet op de dood/zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte toen hij aangever trapte, stak en slaande bewegingen met een stanleymes in de richting van het lichaam van aangever maakte, vol opzet had op de dood van aangever of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het handelen van verdachte zou overlijden. De rechtbank kan niet vaststellen dat door het steken en de slaande bewegingen met het stanleymes een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel is ontstaan, zulks mede gelet op de aard en ernst van het daadwerkelijk veroorzaakte letsel op de zijkant van de linkerbovenarm. Ook wat betreft de trappende beweging in de richting van het hoofd kan de rechtbank de aanmerkelijk kans op overlijden niet vaststellen. Weliswaar blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden dat de trappende beweging met kracht wordt gemaakt, maar daaruit valt niet op de maken of de trap het hoofd had kunnen raken, mede gelet op het feit dat aangever met zijn arm zijn hoofd lijkt te beschermen. Verdachte zal van de (impliciet) primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het van dichtbij slaan met een stanleymes in de richting van het lichaam en het steken met een stanleymes in de arm kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Ook het van dichtbij, met kracht, terwijl aangever op de grond lag, trappen tegen het lichaam en in de richting van het hoofd kan zwaar lichamelijk letsel veroorzaken. In het hele lichaam bevinden zich dicht onder de huid kwetsbare pezen en spieren. Specifiek in het hoofd lopen dicht onder de huid slagaders en daar bevinden zich vitale organen, zoals de ogen.

Door aangever met een stanleymes in zijn arm te steken, door met een stanleymes in de hand van dichtbij slaande bewegingen te maken in de richting van het lichaam van aangever en door met kracht tegen het lichaam en in de richting van het hoofd van aangever te trappen, heeft verdachte – naar de uiterlijke verschijningsvorm – bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Feit 2 (afpersing [naam 2] )

Uit de aangifte van [naam 2] volgt dat verdachte tegen aangever zei: “geef me je headphone nu”, waarna verdachte een stanleymes uit zijn zak pakte en het mesdeel uitschoof. Verdachte had tijdens zijn aanhouding een hoofdtelefoon bij zich, waarvan het serienummer overeenkwam met het serienummer van de weggenomen hoofdtelefoon van aangever. Verdachte heeft tijdens zijn aanhouding bekend dat hij de hoofdtelefoon van iemand heeft afgepakt. De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever, dat verdachte een stanleymes heeft getoond, aannemelijk is geworden. Binnen een tijdsbestek van anderhalf uur hebben in totaal vijf personen aangifte gedaan tegen een man, naar later bleek verdachte, die met een (groen) stanleymes in zijn hand geweldsincidenten heeft gepleegd dan wel bedreigingen heeft geuit. Bovendien hebben verbalisanten een groen stanleymes aangetroffen in een portiek waar verdachte voor het laatst was gezien.

Op grond van deze omstandigheden vindt de rechtbank dat er voldoende samenhang is tussen het gebruik van het mes en het afpakken van de hoofdtelefoon. Daarom acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever onder bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van een hoofdtelefoon.

Feit 3 (poging afpersing [naam 3] )

De rechtbank acht de poging tot afpersing van [naam 3] bewezen. Uit de aangifte blijkt dat verdachte aangever een klap in het gezicht gaf, een stanleymes heeft getoond en tweemaal tegen hem zei: “geef mij die tas”. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam 5] , die heeft gezien dat aangever een klap kreeg en heeft gehoord dat verdachte aan aangever vroeg om de tas af te geven. Hoewel de getuige niet heeft gezien dat verdachte daarbij een stanleymes heeft getoond, acht de rechtbank deze ten laste gelegde handeling, op basis van het overwogene onder feit 2 ten aanzien van het aangetroffen stanleymes, ook aannemelijk.

Feit 4 (bedreiging [naam 4] )

De rechtbank stelt vast, op grond van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven, dat verdachte [naam 4] heeft bedreigd. Op camerabeelden is te zien dat verdachte aangever een duw geeft, waardoor aangever uit balans raakt. Vervolgens pakt verdachte iets groens uit zijn jaszak en rent daarmee achter aangever aan. Aangever dacht dat het ging om een mes. Nu te zien is dat aangever zichtbaar op de vlucht slaat, acht de rechtbank bewezen dat bij aangever de redelijke vrees was ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Feit 5 (bedreiging [naam 5] )

Verdachte zal van de ten laste gelegde bedreiging van [naam 5] worden vrijgesproken. De verklaring van aangever, dat verdachte tegen hem zei: “ik steek je dood”, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 15 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [naam 1] op de grond heeft geduwd en

- meermalen met kracht in de richting van het hoofd en het lichaam van die op de grond liggende [naam 1] heeft getrapt en

- met een stanleymes in de hand slaande bewegingen in de richting van het lichaam van die [naam 1] heeft gemaakt en die [naam 1] in zijn arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

op 15 februari 2020 te Amsterdam op de openbare weg ( [adres 1] ), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoofdtelefoon (Beats), toebehorende aan die [naam 2] , door tegen die [naam 2] te zeggen “geef me je headphone nu” en ten overstaan van die [naam 2] een stanleymes uit zijn zak te halen en het mesdeel uit te schuiven;

Feit 3

op 15 februari 2020 te Amsterdam op de openbare weg ( [adres 2] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld J. [naam 3] te dwingen tot afgifte van diens tas, toebehorende aan die [naam 3] , meermalen tegen die [naam 3] heeft gezegd “geef mij die tas” en die [naam 3] een stanleymes heeft getoond met uitgeschoven mesdeel en die [naam 3] met de hand een klap in het gezicht heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4

op 15 februari 2020 te Amsterdam [naam 4] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een mes in de hand achter die vluchtende [naam 4] aan te rennen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van het bewezenverklaarde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 18 november 2020 en 2 december 2020, respectievelijk opgesteld door psycholoog M.G.H. van Willigenburg en psychiater C.A.M. van der Meijs.

De deskundigen hebben, kort gezegd, gerapporteerd dat verdachte lijdt aan een schizofrene stoornis en een matige stoornis in het gebruik van cannabis. In de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde heeft verdachte sterk paranoïde gedachtegangen en complottheorieën uitgesproken. Verdachte is er onder andere van overtuigd dat hij via een ingebouwde microfoon of chip in zijn oog in de gaten wordt gehouden en dat hij wordt vergiftigd en achtervolgd. Het handelen van verdachte werd ten tijde van het ten laste gelegde volledig beheerst door deze waanideeën van verdachte. Daarom wordt, bij een bewezenverklaring, geadviseerd om de te laste gelegde feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

Ter terechtzitting zijn de psycholoog en psychiater als deskundigen gehoord en zij hebben de inhoud van de rapportages bevestigd.

De rechtbank volgt de conclusies uit de Pro Justitia rapportages op grond van de onderbouwing ervan en volgt het advies dat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 daarom volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor deze feiten.

7 Motivering van de maatregel

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden op te leggen. Zij heeft gevorderd dat hieraan – naast de standaard voorwaarden – de volgende aanvullende voorwaarden worden verbonden: een opname in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) aansluitend aan de huidige detentie van verdachte, ambulante behandeling na afloop van de klinische opname, een contactverbod met de slachtoffers, een verbod op middelengebruik en meewerken aan controles, meewerken aan schuldhulpverlening en openheid geven over financiën, meewerken aan het vinden en behouden van huisvesting en dagbesteding en openheid geven over zijn netwerk en relaties. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd deze aanvullende voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht aan verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Ten aanzien van de duur van de maatregel refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft benadrukt dat verdachte positief staat tegenover een klinische opname en gemotiveerd is voor tbs met voorwaarden.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 15 februari 2020, binnen anderhalf uur tijd, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, een afpersing, een poging tot afpersing en aan bedreiging. Hij heeft in alle gevallen een stanleymes aan de slachtoffers getoond. De incidenten moeten voor de slachtoffers zeer bedreigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van [naam 1] (poging tot zware mishandeling) en [naam 4] (bedreiging). Verdachte mag van geluk spreken dat [naam 1] geen ernstiger, blijvend, letsel heeft opgelopen.

Persoon van verdachte

Uit de onder 6. genoemde Pro Justitia rapportages en de ter terechtzitting gegeven toelichting van de deskundigen leidt de rechtbank het volgende af.

Indien de complexe psychiatrische problematiek van verdachte niet wordt behandeld met de juiste medicatie is het risico op recidive verhoogd. De psychiater heeft geconcludeerd dat verdachte nu niet is ingesteld op de juiste medicatie. De huidige medicatie van verdachte heeft er immers niet voor gezorgd dat de paranoïde wanen van verdachte zijn afgenomen of dat zijn psychische gesteldheid is verbeterd. De deskundigen achten verdachte in staat om, met de juiste medicatie, een delictvrij bestaan en een stabiele leefsituatie op te bouwen. Daarbij is van belang dat eerst de psychotische klachten verdwijnen.

Volgens de deskundigen is verdachte gebaat bij behandeling in een klinische setting met een hoge mate van structuur, zoals een FPK. Binnen een dergelijke setting kan de behandeling eerst worden gericht op het stabiliseren van zijn psychiatrische problematiek. Daarnaast kan aandacht worden besteed aan zijn cannabismisbruik en aan zijn methadonverslaving uit het verleden. Wanneer sprake is van meer stabiliteit op effectief, gedragsmatig en cognitief vlak kan worden toegewerkt naar een ambulant behandelkader, zodat verdachte uiteindelijk kan terugkeren in de maatschappij. De psychiater heeft benadrukt dat het van belang is dat eerst de psychotische klachten van verdachte verdwijnen, voordat de klinische behandeling binnen een ambulant kader kan worden voortgezet. De deskundigen verwachten dat verdachte, met de juiste medicatie, binnen een half jaar een positieve gedragsverandering zal laten zien. Daarbij komt dat verdachte enig ziekte-inzicht heeft getoond en gemotiveerd is voor behandeling.

Vanwege de ernst van de feiten, de ernst van de problematiek en het daarmee samenhangende risico op recidive, is een klinische behandeling als voorwaarde in het kader van tbs met voorwaarden geïndiceerd. Binnen dit kader kan het risico op recidive afdoende worden teruggedrongen. Vanwege de ernst van de psychotische klachten en het daarmee samenhangende recidiverisico zien de deskundigen geen mogelijkheden om binnen een civiel behandelkader een stabiele leefsituatie op te bouwen. Bovendien biedt een dergelijk kader onvoldoende bescherming aan de maatschappij tegen recidive. Beide deskundigen hebben dan ook geadviseerd om, bij een bewezenverklaring, tbs met voorwaarden op te leggen.

Uit het adviesrapport van reclassering Leger des Heils van 3 maart 2021, opgesteld door reclasseringswerker E. Wijbenga, en de door haar gegeven toelichting ter terechtzitting blijkt het volgende.

De reclassering schaart zich achter het advies van de Pro Justitia-rapporteurs. Zij heeft benadrukt dat de slagingskans van tbs met voorwaarden afhankelijk is van de bereidwilligheid van verdachte om de juiste medicatie in te (blijven) nemen.

Door het Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) is een indicatiestelling afgegeven voor een klinische plaatsing. Verdachte is door de Dienst Individuele Zaken (DIZ) voorgedragen aan de FPK Inforsa te Amsterdam en verdachte is daar geaccepteerd.

Bij een bewezenverklaring heeft de reclassering geadviseerd om een tbs maatregel op te leggen met de volgende aanvullende voorwaarden: een opname in een FPK aansluitend aan de huidige detentie van verdachte, ambulante behandeling na afloop van de klinische opname, een contactverbod met de slachtoffers, een verbod op middelengebruik en meewerken aan controles, meewerken aan schuldhulpverlening en openheid geven over financiën, meewerken aan het vinden en behouden van huisvesting en dagbesteding en openheid geven over zijn netwerk en relaties. Geadviseerd wordt om deze voorwaarden en het toezicht ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat de behandeling en begeleiding ook doorgang kan vinden in het geval dat een veroordelend vonnis niet onherroepelijk is.

Verdachte heeft zich bereid getoond om zich te houden aan deze voorwaarden en de reclassering kan het toezicht over deze voorwaarden uitoefenen.

Motivering van de tbs-maatregel met voorwaarden

De voorwaarden voor oplegging van een tbs-maatregel staan in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Eén van die voorwaarden is dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. Daarnaast is vereist dat de rechter beschikt over een advies van minimaal twee gedragsdeskundigen met een verschillende achtergrond, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37 lid 2 Sr). Ook moet op het gepleegde misdrijf een gevangenisstraf van vier jaar of meer staan of er moet sprake zijn van één van de misdrijven die staan genoemd in artikel 37a lid 1 Sr. Tot slot moet sprake zijn van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Als sprake is van groot herhalingsgevaar kan de rechtbank bepalen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).

De bewezenverklaarde feiten leveren een misdrijf op zoals genoemd in artikel 37a lid 1 Sr. Daarnaast is gebleken dat verdachte onder invloed van de bij hem vastgestelde schizofrene stoornis een gevaar vormt voor anderen.

De rechtbank is op basis van de behandeling ter terechtzitting, de inhoud van de Pro Justitia rapportages en de adviesrapportage van de reclassering overtuigd geraakt van de noodzaak van langdurige behandeling, zodat de kans op recidive zou kunnen verminderen. Een dergelijke behandeling kan, in ieder geval in eerste instantie, alleen plaatsvinden binnen een klinische setting, zoals een FPK. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van feit, het hoge recidiverisico, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden eisen. Dit is ook vanuit het behandelperspectief voor verdachte het meest passend. De rechtbank zal daarom overgaan tot oplegging van een tbs-maatregel met daaraan verbonden – naast de standaard voorwaarden – de volgende aanvullende voorwaarden: een opname in een FPK aansluitend aan de huidige detentie van verdachte, ambulante behandeling na afloop van de klinische opname, een contactverbod met de slachtoffers, een verbod op middelengebruik en meewerken aan controles, meewerken aan schuldhulpverlening en openheid geven over financiën, meewerken aan het vinden en behouden van huisvesting en dagbesteding en openheid geven over zijn netwerk en relaties.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste medicatie, behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten kunnen worden aangemerkt als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de tbs-maatregel met voorwaarden een periode van vier jaar te boven mag gaan.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Fiets Dames (goednummer: 5883901, Blauw, merk: Pointer)

2 1 STK Koptelefoon (goednummer: 5884094, merk: Beatsby Dr Dre)

3 1 STK Mes (goednummer: 5883900, merk: Stanley)

Het stanleymes zal worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, omdat met behulp daarvan de bewezen geachte feiten zijn begaan. Bovendien is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit van dit voorwerp in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De damesfiets zal worden bewaard ten behoeve van de – onbekend gebleven – rechthebbende. Anders dan de raadsman heeft betoogd is niet aannemelijk geworden dat deze fiets aan verdachte toebehoort. Verdachte heeft immers tijdens zijn aanhouding op 16 februari 2020 tegenover de politie verklaard dat hij de blauwe fiets van iemand heeft afgepakt.

De hoofdtelefoon (Beats) is al teruggegeven aan de rechthebbende, namelijk aan [naam 2] . De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen over deze hoofdtelefoon.

9 Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Benadeelde partij [naam 1] (feit 1)

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 1.604,- waarvan € 204,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaalbedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen of om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Vast staat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht aan zijn kleding en bril (ter hoogte van € 204,-). Nu de gevorderde materiële schade ziet op deze schadeposten zal deze schade dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast heeft de benadeelde partij, op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 1.400,- zodat het gevorderde bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen.

Gelet op het feit dat verdachte op basis van dit vonnis een langdurige (klinische) behandeling tegemoet ziet en het niet te verwachten is dat verdachte in de enigszins nabije toekomst zal kunnen beschikken over enige verdienmogelijkheid, zal de rechtbank de duur van de bij gebreke van betaling en verhaal toe te passen gijzeling telkens vaststellen op maximaal één dag.

9.2

Benadeelde partij [naam 2] (feit 2)

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 299,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de hoofdtelefoon aan hem is teruggegeven.

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen of om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering die ziet op schade vanwege zijn weggenomen hoofdtelefoon (Beats). Nu de hoofdtelefoon aan de benadeelde partij is teruggegeven en niet gebleken is dat hij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde.

Indien sprake is van schade aan de hoofdtelefoon zelf, kan de benadeelde partij zijn vordering tot schadevergoeding indienen bij de burgerlijke rechter.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 45, 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 38e, 57, 302, 317, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 impliciet primair en onder 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 impliciet subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Feit 2:

Afpersing

Feit 3:

poging tot afpersing

Feit 4:

bedreiging met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Stelt daarbij de volgende algemene voorwaarden:

1. Betrokkene maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Betrokkene meldt zich op afspraken bij de reclassering of op een ander door de reclassering bepaalde locatie. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

3. Betrokkene laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.

4. Betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

5. Betrokkene helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

6. Betrokkene werkt mee aan huisbezoeken.

7. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

8. Betrokkene vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

9. Betrokkene werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

10. Als de reclassering dat nodig acht, werkt betrokkene mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal 14 weken per jaar.

11. Betrokkene begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten het Europese deel van de landsgrenzen van Nederland. Betrokkene overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie beslist.

Stelt daarbij de volgende aanvullende voorwaarden:

12. Betrokkene laat zich opnemen in FPK Inforsa of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan de detentieperiode. Derhalve dient betrokkene mee te werken aan een overbruggingsplaatsing indien er in de Forensische Psychiatrische Kliniek Inforsa niet direct plek is. De opname duurt zolang de reclassering en de behandelaren dat nodig vinden. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Betrokkene dient ook zijn medewerking te verlenen aan aanvullend onderzoek, te weten neuro(psycho)logisch onderzoek. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

13. Betrokkene laat zich behandelen door het Forensisch ACT 2 van Inforsa of soortgelijke behandeling. De behandeling start aansluitend aan de klinische periode. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de

aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

14. Betrokkene werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat

inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

15. Betrokkene werkt mee aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding (indien nodig), waarbij rekening gehouden wordt met zijn draagkracht en draaglast.

16. Betrokkene geeft openheid over zijn sociale netwerk en relaties.

17. Betrokkene werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

18. Betrokkene geeft inzage in zijn financiële situatie en werkt indien door de reclassering geïndiceerd mee aan een schuldsaneringstraject.

19. Betrokkene onthoudt zich gedurende de looptijd van de tbs-maatregel van het gebruik van harddrugs, softdrugs en alcohol. Betrokkene werkt mee aan urine- en ademanalysecontroles

indien de toezichthouder dergelijke controle geïndiceerd acht.

20. Betrokkene heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de slachtoffers in onderhavige strafzaak, te weten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Het contactverbod dient gecontroleerd te worden door de politie. Wanneer het slachtoffer open staat voor herstelbemiddeling, dan dient dit niet eerder plaats te vinden dan tijdens de klinische behandeling.

Geeft opdracht aan het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering Amsterdam de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die aanwijzingen hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1 STK Mes (goednummer: 5883900, merk: Stanley)

Gelast de bewaring ten behoeve van de – onbekend gebleven – rechthebbende:

- 1 STK Fiets Dames (goednummer: 5883901, Blauw, merk: Pointer)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 1.604,- (duizendzeshonderdvier euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade (15 februari 2020) tot de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat voor € 1.400 uit immateriële schade en voor € 204,- uit materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 1.604,- (duizendzeshonderdvier euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 februari 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van plaatsing in een Forensisch Psychiatrische Kliniek.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en R.S.T. Gaarthuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2021.

[...]