Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1829

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
13/751720-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Pools executie-EAB met eeen vonnis uit 2014 dat is omgezet in 2017 in een onvoorwaardeijke vrijheidsstraf. Weigeringsgrond art 12 OLW niet van toepassing, Ardic. Staat overlevering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751720-20

RK nummer: 20/4030

Datum uitspraak: 9 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2020 door the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 30 oktober 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is niet bijgestaan door een advocaat, nu die zich heeft teruggetrokken en de opgeëiste persoon zich niet door een (andere) advocaat wil laten bijstaan. Het verhoor heeft

plaatsgevonden met een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de beantwoording af te wachten van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen bij de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank van 31 juli 2020.1

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen en heeft de overleveringsdetentie niet geschorst. Zij heeft daartoe verwezen naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 20192, waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om iemand langer dan 90 dagen gedetineerd te houden in geval van een zeer groot vluchtgevaar dat niet tot adequate proporties kan worden teruggebracht door het stellen van schorsingsvoorwaarden.

Zitting 9 april 2021

De rechtbank heeft de behandeling van de vordering voortgezet op de zitting van 9 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw,

mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

Gelet op de maatregelen die de rechtbank wegens de uitbraak van het coronavirus heeft genomen, is de opgeëiste persoon op deze zittingen gehoord via een videoverbinding vanuit de Penitentiaire Inrichting.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement van the District Court of Krosno Odrzańskie van 8 augustus 2014 en omgezet op 26 juni 2017 door the District Court of Krosno Odrzańskie. Referentie II K 183-17.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Blijkens het EAB is de opgeëiste persoon verschenen bij het proces dat tot het vonnis van 8 augustus 2014 heeft geleid.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ook van toepassing is ten aanzien van de beslissing waarbij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast, volgt de rechtbank haar daarin niet. Het HvJ EU heeft in een uitspraak van 22 december 2017 (Ardic)3 bepaald dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt, voor zover noch de aard noch de hoogte van de aanvankelijk uitgesproken straf bij die omzettingsbeslissing is gewijzigd. Van een dergelijke wijziging van de aanvankelijk uitgesproken straf is in deze zaak niet gebleken.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

  • -

    een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

  • -

    mishandeling;

  • -

    wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroven; en

  • -

    diefstal, voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

5. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 11 OLW juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’

In haar uitspraken van 27 januari 20214 en 10 februari 20215 heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 17 december 2020 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)6 geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat dit arrest niet afdoet aan haar oordeel dat die structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn geen gegevens voorhanden die meebrengen dat de uitvaardigende autoriteit niet als uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd.

Artikel 47 Handvest

Daarnaast moet de rechtbank in de onderhavige zaak nog beoordelen of er, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd en de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd, en rekening houdend met de gegevens die haar eventueel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zijn verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen, omdat de structurele en/of fundamentele gebreken die in Polen ten tijde van de uitvaardiging van het EAB bestonden, in zijn concrete geval afbreuk hebben gedaan aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die het aan het EAB ten grondslag liggende vonnis heeft gewezen.

De rechtbank stelt vast dat hiervan niet is gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een vonnis van 8 augustus 2014. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en voornoemde, naderhand opgetreden gebreken.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 282, 284, 300, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra (Polen).


Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 april 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2020:3776

2 ECLI:NL:GHAMS:2019:729

3 ECLI:EU:C:2017:1026

4 ECLI:NL:RBAMS:2021:179

5 ECLI:NL:RBAMS:2021:420

6 Zaken C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU (gevoegd), ECLI:EU:C:2020:1033