Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1726

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
13/741050-19 (zaak A), 13/015859-20 (zaak B) en 13/026272-20 (zaak C)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal met braak in vereniging (zaak A), (medeplegen van) schuldheling (zaak B) en poging tot diefstal met braak in vereniging (zaak C). Geen sprake van vormverzuimen bij doorzoeking auto. Toewijzing vordering BP. Gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741050-19 (zaak A), 13/015859-20 (zaak B) en 13/026272-20 (zaak C)

Datum uitspraak: 8 april 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

feitelijke woon- of verblijfplaats: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 april 2020, 8 april 2020 en 25 maart 2021. Verdachte is bij de behandelingen ter terechtzitting telkens niet aanwezig geweest. De raadsman van verdachte, mr. R.A. van der Horst, was aanwezig en heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door verdachte.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.M. Casteleijns, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

A. op 9 juni 2019 te Amsterdam medeplegen van diefstal met braak, verbreking en/of met een valse sleutel van een auto door een gemanipuleerde teller-unit in de auto te plaatsen en/of door middel van een knipsleutel, subsidiair ten laste gelegde als opzet- of schuldheling van die auto;

B. in de periode van 13 maart 2016 tot en met 24 november 2019 te Amsterdam medeplegen van opzetheling van twee fietsen en in de periode van 21 november 2019 tot en met 24 november 2019 medeplegen van opzetheling van onder meer een trolley, verscheidende parfums en tassen, subsidiair ten laste gelegd als schuldheling van die goederen, en:

C. op 29 januari 2020 te Amsterdam medeplegen van een poging tot diefstal met braak en/of verbreking van een auto, althans goederen en/of een geldbedrag uit die auto, door met een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp het slot open te breken, subsidiair ten laste gelegd als vernieling of beschadiging van de auto.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle primair tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van zaak A

De officier van justitie heeft met betrekking tot zaak A onder meer gewezen op de aangifte, in samenhang met de camerabeelden uit de parkeergarage en de getuigenverklaring van [getuige] . De kleding en het signalement van de persoon op de camerabeelden en verdachte komen overeen. Daarnaast zit er een korte periode tussen de diefstal van de auto en de aanhouding van verdachte in diezelfde auto. Een nadere verifieerbare verklaring van verdachte ontbreekt. De verklaring van verdachte dat hij de jas in de auto heeft gevonden is onaannemelijk, nu ook de schoenen van de persoon op de camerabeelden overeenkomen met de schoenen van verdachte. Zij heeft daarbij onder meer gewezen op het model, het logo, de lus aan de achterzijde en de zool van de schoenen.

Ten aanzien van zaak B

De officier van justitie heeft met betrekking tot zaak B gewezen op de aangiftes en de surveillance van de woning van verdachte, in samenhang met de afwezigheid van een verifieerbare verklaring van verdachte. Verscheidene goederen die toebehoren aan aangeefster [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1] ) worden bij de doorzoeking van de auto van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en in de woning van verdachte aangetroffen. Voorts herkent aangeefster [aangeefster 1] de goederen als aan haar toebehorende. Op basis hiervan kan niet anders dan worden vastgesteld dat de goederen, waaronder de parfumflesjes, afkomstig zijn van de woninginbraak uit de [adres 2] . De officier van justitie wijst op het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van de goederen bij verdachte in de auto en de woning.

De doorzoeking van de auto, en daaruit voortvloeiend de woning van verdachte, heeft op rechtmatige wijze plaatsgevonden. In de processen-verbaal op dossierpagina’s 31 en 34 wordt uitgebreid beschreven op welke basis de auto is doorzocht. Er vindt een algemene surveillance plaats op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012. Hierbij wordt de woning van verdachte meegenomen, omdat bekend is dat hij deel uitmaakt van een inbrekersgroep en vlak daarvoor een inbraak heeft plaatsgevonden in de buurt. Medeverdachte [medeverdachte] legt vervolgens een kennelijk leugenachtige verklaring af over de goederen in de auto. Op dat moment was sprake van de verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, te weten heling, dan wel verdenking van diefstal. De doorzoeking was dan ook rechtmatig. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat de doorzoeking ook de toets van de rechter-commissaris heeft doorstaan. Deze spullen lagen niet alleen op de achterbank, maar bijvoorbeeld ook in het dashboardkastje. Daarnaast zijn de goederen aangetroffen in de eigen woning van verdachte, waarmee hij over de goederen beschikkingsmacht heeft gehad en deze voorhanden heeft gehad.

Daarnaast werden in de garagebox van verdachte twee fietsen zonder slot aangetroffen, die toebehoren aan aangeefster [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2] ). Uit de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat hij wist dat de fietsen gestolen waren. Wel dient enkel te worden uitgegaan van de pleegperiode van 21 november 2019 tot en met 24 november 2019.

Ten aanzien van zaak C

Met betrekking tot zaak C heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte, inclusief foto’s van de braakschade, de duidelijke verklaring van de anonieme getuige en het proces-verbaal van de politie ter plaatse, in samenhang met de afwezigheid van een verifieerbare verklaring van verdachte. Direct nadat de verbalisanten verdachte bij de auto waarnamen, wordt hij aangehouden. Niet kan worden vastgesteld dat de handelingen van verdachte en zijn mededaders naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de diefstal van de auto, nu er onder verdachte geen goederen zijn aangetroffen die zien op het starten van de auto. Er dient dan ook een gedeeltelijke vrijspraak te volgen voor de diefstal van de auto en bewezenverklaring voor diefstal uit de auto.

4.2

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft met betrekking tot zaak A bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal. Dat verdachte de auto zou hebben gestolen, wordt in feite uitsluitend gebaseerd op de vergelijking van de jas en schoenen van de persoon op de camerabeelden in de garage en verdachte. De camerabeelden zijn niet van geweldige kwaliteit, maar het lijkt er inderdaad op dat een van de vermoedelijke daders die op de camerabeelden te zien is, de jas draagt die later onder verdachte wordt aangetroffen. Het is echter onduidelijk waarom de verklaring van verdachte dat hij de jas in de auto heeft gevonden en vervolgens heeft aangetrokken, niet aannemelijk zou zijn. Voorts kan op basis van de uiterlijke kenmerken van de schoenen, te weten het lusje op de achterkant en de kleur van de binnenkant, niet worden vastgesteld dat de schoenen van de vermoedelijke dader op de camerabeelden in de garage dezelfde schoenen zijn als onder verdachte zijn aangetroffen. Bovendien zijn het redelijk populaire schoenen.

Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde heling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van zaak B

De raadsman heeft met betrekking tot zaak B bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair en subsidiair tenlastegelegde opzet- en schuldheling. Nu de auto van medeverdachte [medeverdachte] en de woning van verdachte onrechtmatig door de politie zijn doorzocht, dienen de processen-verbaal die zien op de goederen die vervolgens op die plaatsen zijn aangetroffen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) te worden uitgesloten van het bewijs. Door de verbalisanten zijn belangrijke strafvorderlijke voorschriften geschonden en verdachte heeft daarvan nadeel ondervonden. Zonder dat de verbalisanten enig vermoeden hadden dat verdachte (en medeverdachte [medeverdachte] ) iets te maken hadden met een woninginbraak die de dag voor de aanhouding zou hebben plaatsgevonden, surveilleerden zij voor zijn woning. Nadat hij en de medeverdachte uit de woning kwamen met tassen, is de auto van medeverdachte [medeverdachte] zonder toestemming doorzocht op grond van artikel 96b Sv. Dit artikel is enkel van toepassing in een heterdaadsituatie of bij een redelijk vermoeden van schuld, waarvan in het onderhavige geval geen sprake was. Er was immers geen enkele aanwijzing dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig zouden hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Als rechtstreeks gevolg van de doorzoeking van de auto, is de woning van verdachte doorzocht. Deze doorzoekingen leveren een grote inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) op. De raadsman heeft hierbij onder meer verwezen naar de aangescherpte jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent vormverzuimen.

Subsidiair, indien de rechtbank de doorzoekingen wel rechtmatig acht, heeft de raadsman zich met betrekking tot de goederen die in de auto zijn aangetroffen op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat verdachte de tas met goederen naar de auto heeft gedragen en daarmee voorhanden heeft gehad en/of daartoe (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. In de auto is namelijk slechts één tas aangetroffen. Dat zowel medeverdachte [medeverdachte] als verdachte ieder een tas naar de auto hebben gedragen, lijkt niet zonder meer het geval. De medeverdachte heeft ook een aantal keer gezegd dat de goederen aan hem toebehoorden en hij is degene geweest die tijdens de doorzoeking met betrekking tot de goederen telefonisch contact heeft gezocht met ene ’ [naam] ’.

Als al kan worden aangenomen dat de goederen in de woning afkomstig zijn van dezelfde inbraak als de goederen in de auto, dan is er sprake van een periode van tien uren waarin het onduidelijk is gebleven wat er met de goederen is gebeurd. Om die reden kan niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte de goederen heeft geheeld. Voorts ontbreekt de koffer van het merk American Tourist in de aangifte. Aangeefster [aangeefster 1] heeft een deel van de goederen herkend als aan haar toebehorende, maar flesjes parfum van hetzelfde merk zijn geen individualiseerbaar goed. Het kan dus best dat zij zich hierin heeft vergist.

Met betrekking tot de fietsen is niet komen vast te staan dat verdachte redelijkerwijs wist of moest vermoeden dat de fietsen van diefstal afkomstig waren. Verdachte heeft verklaard dat de fietsen waarschijnlijk door zijn schoonvader in zijn kelderbox zijn neergezet, zonder dat hij daar iets vanaf wist. Daarbij is niet komen vast te staan op welk moment de fietsen in de kelderbox zijn neergezet.

Ten aanzien van zaak C

Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde in zaak C. Verdachte heeft zich met betrekking tot dit feit niet op zijn zwijgrecht beroepen, maar heeft het feit ontkend. Het is onduidelijk wat de anonieme getuige precies heeft gezien, om welke auto het zou gaan, of verdachte tot de groep personen behoorde waarover de getuige belde met de politie. Verdachte wordt alleen en zonder schroevendraaier aangetroffen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij het tenlastegelegde feit.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

Feiten en omstandigheden

Uit de aangifte blijkt dat tussen 5 juni 2019 en 11 juni 2019 te Amsterdam een auto, Audi A1 met kenteken [kenteken] , is weggenomen uit de parkeergarage in de [adres 3] . Na het uitkijken van de camerabeelden in de parkeergarage, blijkt de diefstal te zijn gepleegd op 9 juni 2019. Op de beelden is te zien dat twee mannen (hierna: NN1 en NN2) de garage omstreeks 15:42 uur binnenlopen. Ze gaan vervolgens in de Audi met bovengenoemd kenteken zitten. Er volgt een lichtflits, waarna NN1 en NN2 veel bewegen in de auto. Om 15:43 uur rijdt de auto het parkeervak uit met NN2 als bestuurder. NN2 laat een andere auto voorgaan door de slagboom van de garage, waarna de Audi op hoge snelheid achter die auto aanrijdt.

Op 11 juni 2019 wordt verdachte aangehouden in voornoemde Audi. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de auto niet heeft gestolen, maar in opdracht van een vriend de auto moest verplaatsen. De teller-unit blijkt uit de auto te zijn verwijderd en er bevindt zich een knipsleutel in het contactslot.

De rechtbank dient, kort gezegd, de vraag te beantwoorden of verdachte tot de personen behoort die de auto heeft weggenomen.

Is verdachte de persoon geweest die de auto heeft weggenomen?

Verdachte wordt twee dagen na de diefstal aangetroffen in de gestolen auto. Hij draagt daarbij een jas waarvan hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij die heeft gevonden in de auto. Uit het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 33, blijkt dat de jas die onder verdachte wordt aangetroffen en de jas van de persoon die op de camerabeelden wordt aangeduid als NN2, overeenkomsten vertonen met betrekking tot het model, de mouwen, de rits-opening, de zakken, de kleur en het logo op de linkermouw van de jas. Daarnaast vertonen de schoenen die verdachte bij zijn aanhouding aan had en de schoenen van de persoon op de camerabeelden overeenkomsten met betrekking tot het logo, de vormen van de materialen op de buitenkant, en de zolen. De rechtbank stelt op basis van de kleurenfoto’s van de stills in het originele dossier vast dat er bij de schoenen die de persoon op de beelden in de garage aanhad, sprake was van een lipje aan de achterzijde, een lichtgekleurd logo aan de buitenzijde en opvallend dikke zolen. De schoenen die verdachte droeg bij zijn aanhouding, waren eveneens voorzien van precies die kenmerken. Voorts vertoont het signalement van verdachte, met betrekking tot het haar gelijkenissen met de persoon op de camerabeelden.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het alternatieve scenario, dat verdachte de auto in opdracht van een vriend moest wegbrengen en daarbij de jas in de auto heeft gevonden en aangetrokken, niet aannemelijk.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank dan ook de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder zaak A primair tenlastegelegde diefstal in vereniging met braak.

Ten aanzien van zaak B

Feiten en omstandigheden

Op 23 november 2019 surveilleren verbalisanten voor de woning van verdachte in verband met een woninginbraak die de dag daarvoor heeft plaatsgevonden. Omstreeks 02:15 uur zien de verbalisanten verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] met grote witte tassen uit de woning komen. Zij lopen met de tassen naar een geparkeerde auto en rijden weg. Medeverdachte [medeverdachte] zit daarbij achter het stuur en verdachte in de bijrijdersstoel. De verbalisanten waarschuwen vervolgens twee collega’s die achter de auto aanrijden. Zij zien verdachte druk met zijn armen bewegen en een aantal keren zijn bovenlichaam naar de achterbank draaien. De verbalisanten houden de auto vervolgens staande. De verbalisant legt aan de bestuurder, medeverdachte [medeverdachte] , uit dat zij worden staande gehouden vanwege verdachte omstandigheden en het feit dat er recentelijk woninginbraken zijn gepleegd in de buurt. Terwijl de verbalisant het rijbewijs van de medeverdachte [medeverdachte] controleert, maakt hij een zenuwachtige indruk. De verbalisanten zien dan een grote witkleurige Gucci tas op de achterbank liggen. Als de verbalisant vraagt wat er in de auto ligt, verklaart [medeverdachte] ‘je mag kijken als je wilt’. Vervolgens opent [medeverdachte] zelf het portier, waarna hij een stofzuiger uit de tas haalt en laat zien en verklaart dat deze toebehoort aan zijn vrouw. Als de verbalisant vervolgens aangeeft dat hij zelfstandig in het voertuig wil kijken, verklaart [medeverdachte] dat hij dat niet wil en geeft hij aan dat alle spullen al in de auto lagen. Op de opmerking van verbalisant dat hij het vreemd vindt dat medeverdachte op dat tijdstip een elektrische stofzuiger vervoert, antwoordt medeverdachte dat de stofzuiger al in de auto lag en dat alle spullen al in de auto lagen. Nu de collega-verbalisanten hadden gemeld dat zij verdachte en de medeverdachte met de tassen uit de woning van verdachte hadden zien komen, ziet de verbalisant aanleiding om op grond van artikel 96b Sv de auto te doorzoeken. In het voertuig worden vervolgens onder meer een blauwe portemonnee van het merk Prada, een armband, de stofzuiger, een Google Home apparaat en een parfumflesje van het merk Baccarat aangetroffen.

Nu in de auto van medeverdachte goederen zijn aangetroffen waarvan bij de politie het vermoeden bestond dat deze van diefstal afkomstig waren, terwijl verbalisanten daarvoor hebben gezien dat verdachte en medeverdachte met spullen uit de woning van verdachte zijn komen lopen die zij vervolgens in de betreffende auto hebben gelegd, is vervolgens de woning van verdachte doorzocht. Hierbij zijn meerdere koffers, tassen en parfums aangetroffen. Ook worden in de kelderbox twee fietsen van het merk Cannondale aangetroffen, die als gestolen staan aangemerkt.

Daarnaast blijkt uit het dossier dat door aangeefster [aangeefster 1] aangifte is gedaan van een diefstal met braak op 21 november 2019 in haar woning aan de [adres 2] , waarbij onder meer een donkerblauwe portemonnee van het merk Prada, armband, stofzuiger van het merk Roomba, een Google Home ontvanger, meerdere tassen en parfumflesjes zijn weggenomen. Na confrontatie met de goederen, heeft aangeefster een deel van de goederen die zijn aangetroffen in de auto van medeverdachte [medeverdachte] en in de woning van verdachte, herkend als aan haar toebehorende. Voorts blijkt uit het dossier dat door aangeefster [aangeefster 2] aangifte is gedaan van een diefstal met braak tussen 12 en 13 maart 2016, waarbij twee fietsen van het merk Cannondale zijn weggenomen.

Staande houding, doorzoeking en aanhouding

De rechtbank merkt allereerst op dat de verbalisanten bevoegd waren om medeverdachte [medeverdachte] als bestuurder van het voertuig staande te houden. De door verbalisanten genoemde omstandigheden, namelijk het gegeven dat er recentelijk in de buurt woninginbraken waren gepleegd, terwijl verdachte en medeverdachte door de politie wel in verband werden gebracht met een inbrekersgroep, in combinatie met het feit dat verdachte en medeverdachte midden in de nacht met tassen uit de woning van verdachte kwamen, gaven naar het oordeel van de rechtbank objectief gezien voldoende aanleiding om over te gaan tot staande houding. De staande houding was daarom niet onrechtmatig.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verbalisanten vervolgens de doorzoeking van het voertuig van de medeverdachte op grond van artikel 96b Sv rechtmatig hebben verricht. De rechtbank stelt hierbij voorop dat voornoemde doorzoeking gerechtvaardigd is indien sprake is van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit dan wel in geval van een verdenking van een misdrijf waarvoor een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv.

De rechtbank oordeelt de doorzoeking van de auto rechtmatig, mede gelet op hiervoor genoemde omstandigheden en nu [medeverdachte] zenuwachtig gedrag vertoonde en in beginsel toestemming gaf om in de auto te kijken. De medeverdachte lijkt hier vervolgens van terug te komen, maar legt dan een kennelijk leugenachtige verklaring af. Door verbalisanten was immers eerder voor de woning van verdachte gezien dat de spullen niet al in de auto lagen, maar naar die auto werden gebracht door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Daarmee heeft hij een verdenking over zich afgeroepen dat er iets niet klopte aan die spullen. De rechtbank is van oordeel dat die omstandigheden tezamen een verdenking kunnen opleveren van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, namelijk opzetheling.

Het resultaat van de doorzoeking, namelijk het aantreffen van de gestolen goederen in de auto waarin medeverdachte [medeverdachte] en verdachte reden, kan gelet op het voorgaande voor het bewijs worden gebruikt. Nu de rechtbank de doorzoeking van de auto rechtmatig acht, komt zij niet toe aan het verweer van de raadsman dat de doorzoeking van de woning van verdachte eveneens onrechtmatig zou zijn geweest.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Herkomst goederen

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de parfumflesjes geen individualiseerbaar goed betreffen als volgt. Er is sprake van een kort tijdsverloop (twee dagen) tussen de diefstal van de goederen die toebehoren aan aangeefster [aangeefster 1] en het aantreffen van de goederen in de auto van medeverdachte [medeverdachte] en in de woning van verdachte. Daarnaast wordt een groot gedeelte van de goederen die onder hen wordt aangetroffen, ook genoemd in de aangifte. De specifieke combinatie van spullen is van belang. Voorts herkent aangeefster [aangeefster 1] een groot gedeelte van de goederen als aan haar toebehorende.

Dit is anders voor de trolley van het merk American Tourist. Aangeefster heeft het in de aangifte van 25 november 2019 enkel over koffers van het merk ‘IT’, niet over het merk ‘AT’ (American Tourist).

Gelet op bovengenoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de goederen die in de auto van de medeverdachte en in de woning van verdachte zijn aangetroffen, inclusief de parfumflesjes maar met uitzondering van de trolley van het merk American Tourist, de goederen betreffen die volgens aangeefster [aangeefster 1] uit haar woning zijn weggenomen.

Daarnaast blijkt uit de kennisgevingen van inbeslagneming dat de omschrijving van de fietsen en de framenummers die in de kelderbox van verdachte werden aangetroffen, overeenkomen met de omschrijving van de fietsen en de framenummers, die zijn opgegeven in de aangifte van aangeefster [aangeefster 2] .

Gelet op voornoemde omstandigheid, is de rechtbank van oordeel dat de twee fietsen die in de kelderbox van verdachte werden aangetroffen, de fietsen betreffen die volgens aangeefster [aangeefster 2] uit haar woning zijn weggenomen.

Wetenschap

De rechtbank staat vervolgens, kort gezegd, voor de vraag of verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstige goederen betroffen.

De rechtbank neemt daarbij met betrekking tot de twee fietsen, die toebehoren aan aangeefster [aangeefster 2] , het volgende in aanmerking. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij denkt dat de fietsen in zijn kelderbox zouden zijn gezet door – kortgezegd - zijn schoonvader en dat hij eerder ook al in de problemen is gekomen door een goed dat zijn schoonvader bij hem thuis had neergelegd. Gelet op deze verklaring, is de rechtbank van oordeel dat op verdachte een onderzoeksplicht rustte naar de herkomst van de fietsen teneinde uit te sluiten dat de fietsen van diefstal afkomstig zouden zijn. Verdachte had immers gelet op voornoemde omstandigheid redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fietsen van diefstal afkomstig konden zijn en heeft nagelaten hiernaar verder onderzoek te doen. Daarbij acht de rechtbank het moment waarop de fietsen in de kelderbox zijn gezet niet van belang.

Voorts neemt de rechtbank met betrekking tot de goederen die toebehoren aan aangeefster [aangeefster 1] het volgende in aanmerking. Door de verbalisanten wordt gezien dat verdachte, vanuit zijn woning, samen met de medeverdachte naar een auto loopt. Zij dragen daarbij een of meer tassen die op de achterbank van de auto worden neergezet. De twee in uniform geklede verbalisanten zien later ook dat verdachte druk met zijn armen beweegt en een aantal keren zijn bovenlichaam naar de achterbank draait. Later worden op diezelfde achterbank goederen aangetroffen die van diefstal afkomstig blijken te zijn. Voorts worden in de woning van verdachte eveneens goederen aangetroffen die van diefstal afkomstig blijken te zijn. De goederen betreffen overwegend voorwerpen die doorgaans door vrouwen worden gebruikt, te weten tassen en parfums. Van deze goederen is het, gelet op hun aard, niet aannemelijk dat het zijn eigen gebruiksvoorwerpen betroffen. Op welke manier de goederen toebehorend aan aangever [aangeefster 1] in de woning van verdachte terecht zijn gekomen en waarom verdachte een deel van deze goederen midden in de nacht wilde verplaatsen, is door verdachte niet opgehelderd. Verdachte heeft zich met betrekking tot deze goederen steeds op zijn zwijgrecht beroepen terwijl, indien het bijvoorbeeld om goederen van zijn vriendin ging, hij hier makkelijk opheldering over zou hebben kunnen verschaffen.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde opzetheling. Wel laten de genoemde redengevende omstandigheden, waaronder ook de specifieke combinatie van de goederen, geen andere conclusie toe dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen redelijkerwijs moest vermoeden dat de goederen door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank dan ook de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder zaak B subsidiair tenlastegelegde schuldheling.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen in welke periode verdachte de goederen voorhanden heeft gehad, zal zij de tenlastegelegde pleegperiode terugbrengen tot de dagen waarop de goederen onder hem zijn aangetroffen, te weten 23 en 24 november 2019.

Ten aanzien van zaak C

Feiten en omstandigheden

Op 29 januari 2020 te Amsterdam krijgen verbalisanten een melding dat er jongens bezig zouden zijn het slot van een auto met een schroevendraaier open te breken. Een van deze jongens zou een jas dragen van het merk Canadian Goose. De getuige die de melding heeft gedaan, is anoniem gebleven. Wanneer de verbalisanten ter plaatse komen, zien zij inderdaad drie jongens bij een auto staan. De jongens rennen vervolgens weg. De verbalisanten volgen de jongen in de Canadian Goose jas en houden hem ter plaatse aan. Dit blijkt verdachte te zijn. Aangeefster [aangeefster 3] heeft verklaard dat er schade is toegebracht aan de auto, aangezien het slot aan de bestuurderszijde is vernield en er lakschade rondom het slot is toegebracht.

Is er sprake van een begin van uitvoering?

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de verklaring van de anonieme getuige niet betrouwbaar zou zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De getuige heeft verklaard dat hij goed zicht had op de jongens en de auto, nu hij zich vijf meter van de auto bevond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de verklaring van de anonieme getuige te twijfelen. De verklaring vindt bovendien steun in de bevindingen van de verbalisanten.

Wanneer de verbalisanten ter plaatse komen, zien zij namelijk een aantal jongens bij een auto staan. Dit is de auto waarop later door aangeefster op het portier aan de bestuurderszijde schade wordt aangetroffen te weten aan en rondom het slot van de auto. Vanaf het moment dat verdachte door de verbalisanten bij de auto wordt waargenomen tot zijn aanhouding, is hij geen moment uit hun zicht geweest. De rechtbank twijfelt er dan ook niet aan dat verdachte behoorde tot het groepje van jongens die de anonieme getuige bij de auto bezig zag met een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een begin van uitvoering van een diefstal met braak, teneinde zich goederen en/of een geldbedrag uit die auto toe te eigenen.

Daarbij is niet komen vast te staan dat verdachte met de poging tot het openbreken van het autoslot ook de personenauto zelf probeerde te stelen. De rechtbank zal de verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de verklaring van de anonieme getuige en de verbalisanten dat verdachte zich met één of meer anderen bij de auto bevond en dat meerdere jongens bezig waren met het slot, er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s).

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder zaak C primair tenlastegelegde poging tot diefstal in vereniging met braak.

5 Bewezenverklaring en bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

ten aanzien van zaak A:

op 9 juni 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een auto, Audi A1 Sportback met kenteken [kenteken] , toebehorend aan [eigenaar] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot die auto hebben verschaft en die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een gemanipuleerde teller-unit in de auto te plaatsen waarmee de startonderbreker en de boordcomputer worden gemanipuleerd en door middel van een knipsleutel;

ten aanzien van zaak B, subsidiair:

op 24 november 2019 te Amsterdam, twee fietsen, merk Cannondale, toebehorende aan [aangeefster 2] , en op 23 november 2019, tezamen en in vereniging met een ander, aangetroffen in de auto, een blauwe portemonnee van het merk Prada, een armband, een stofzuiger, randapparatuur, een Google home en een flesje parfum, merk Baccarat, en, op 24 november 2019, aangetroffen in de woning [adres 1] , twee stuks parfum, merk Baccarat, een stuk parfum, merk Givenchy, een stuk parfum, merk Dior, een tas, merk Givenchy, een tas, merk Prada, een tas, merk Dior en een flesje parfum, merk Hugo Boss, toebehorende aan [aangeefster 1] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van zaak C:


op 29 januari 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen en/of een geldbedrag uit een auto, toebehorende aan [aangeefster 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen en/of dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik te brengen door middel van braak, zich met een scherp en/of puntig voorwerp naar die auto heeft begeven waarna hij, verdachte en zijn mededader(s) een slot van die auto hebben getracht open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder zaak A, zaak B en zaak C primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat sprake is van veelvuldige recidive. Zij komt niet tot een voorwaardelijk strafdeel, nu de reclassering aan het Openbaar Ministerie heeft geadviseerd om geen bijzondere voorwaarden op te leggen aangezien verdachte nergens aan wil meewerken. Zij houdt in de strafmaat geen rekening met de periode waarin verdachte onder elektronisch toezicht heeft gestaan, onder meer nu verdachte was geschorst en vanuit die hoedanigheid veel meer vrijheden heeft genoten dan als hij zou hebben vastgezeten.

8.2

Standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, om aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met eventueel een voorwaardelijk strafdeel. Indien de rechtbank komt tot een vormverzuim ex artikel 359a Sv zonder bewijsuitsluiting, kan dit ook in de straf worden gecompenseerd. De raadsman heeft daarbij verzocht ermee rekening te houden dat verdachte bijna anderhalve maand onder elektronisch toezicht heeft gestaan, waarbij hij maar twee uur per dag naar buiten mocht. Dit was een aanzienlijke vrijheidsbeperking. Voorts heeft verdachte maar één onherroepelijke veroordeling voor een vermogensdelict in de afgelopen vijf jaren. Er is dus geen sprake van veelvuldige recidive. Ook heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop tussen de pleegdata van de tenlastegelegde feiten en de zittingsdatum.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten (vermogensdelicten) is veroordeeld. De rechtbank houdt hier in het nadeel van verdachte rekening mee.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak en een poging tot diefstal met braak. Hij heeft hiermee laten blijken dat hij geen enkel respect heeft voor de eigendommen van anderen. Dit zijn ernstige feiten, die naast eventuele schade ook overlast voor de eigenaren daarvan veroorzaken. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Door gestolen goederen te helen, heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van diefstallen door anderen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van verschillende adviezen van de reclassering, waaronder het advies van Reclassering Nederland van 17 januari 2020, opgemaakt door M. Haltman. In dit advies wordt aangegeven dat er bij verdachte sprake is van een zorgelijke ontwikkeling. Verdachte behoort tot de Top 600 aanpak. Ondanks eerdere ingezette trajecten is het tot op heden niet gelukt om te werken aan gedragsverandering en het beheersen van het risico op recidive. Op basis van eerdere mislukte trajecten en een gebrek aan motivatie ziet de reclassering dan ook op dit moment geen mogelijkheden om verdachte te begeleiden.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank met betrekking tot zaak B een ander feit bewezen verklaart dan waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het volgende. De voorlopige hechtenis van verdachte in zaak A is in de periode van 23 juli 2019 tot en met 3 september 2019 geschorst. Een van de schorsingsvoorwaarden was dat verdachte onder elektronisch toezicht werd geplaatst, waarbij het hem was toegestaan maximaal twee uur per dag buiten zijn woning door te brengen. Gelet op deze aanzienlijke vrijheidsbeperking, acht de rechtbank het niet passend en geboden om verdachte op dit moment een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd die hij reeds in de penitentiaire inrichting heeft doorgebracht te boven gaat. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met het oog op het beperken van recidive.

9 Beslag

9.1

Teruggave in beslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de handschoen (omschrijving: 5842205) en de zak schroeven (omschrijving: 5842198), die aan verdachte toebehoren.

9.2

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de slotentrekker (omschrijving: 5842206) en flipperkaarten (omschrijving: 2842199), die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar het in zaak B door verdachte begane misdrijf, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.1

Standpunten ter terechtzitting

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de schadevergoeding van de benadeelde partij.

De raadsman heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde in zaak C bepleit, zodat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. Subsidiair, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering afdoende is onderbouwd.

10.2

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij in zaak C, [aangeefster 3] , vordert € 450,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2020.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangeefster 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak C bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van

€ 450,- (vierhonderdvijftig euro).

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 63, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder B primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A, primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van zaak B, subsidiair:

schuldheling,

en:

medeplegen van schuldheling;

ten aanzien van zaak C, primair:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 63 (drieënzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan verdachte van: 1 STK Handschoen (Omschrijving: 5842205, merk: forc) en 1 ZAK Schroef (Omschrijving: 5842198).

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 STK Slotentrekker (Omschrijving: 5842206) en 2 STK Flipper kaart (Omschrijving: 2842199).

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [aangeefster 3] , toe tot een bedrag van € 450,- (vierhonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 3] aan de Staat € 450,- (vierhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en D. Abels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2021.

[...]