Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1714

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
13-300909-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verkeerszaak. Overtreding van artikel 6, 7 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Veroorzaken verkeersongeval door bij naar rechts afslaan de bocht te ruim nemen en fietser aanrijden. Doorrijden na ongeval. 3 maanden gevangenisstraf en 2 jaar OBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-300909-19

Datum uitspraak: 6 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit (verkort) vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2021.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.F. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.J.E Hogewind, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter zitting – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij op 13 december 2019 te Aalsmeer zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor [slachtoffer] lichamelijk letsel is toegebracht terwijl verdachte onder invloed was van alcohol (overtreding van artikel 6 in verbinding met artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994) subsidiair het veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994);

  2. autorijden onder invloed van alcohol (overtreding van artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994);

  3. het verlaten van de plaats van het ongeval en iemand in een hulpeloze toestand achterlaten (artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994).

2.2.

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

3.2.1.

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitaantekeningen – verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde (veroorzaken verkeersongeval), kort samengevat omdat een bewezenverklaring in strijd zou zijn met artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft dat als volgt onderbouwd. De kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, is dat hij bij het afslaan de bocht te ruim heeft genomen waardoor hij op de rijbaan van de Lijnbaan in de tegengestelde richting is gekomen en vervolgens niet heeft uitgeweken voor [slachtoffer] die daar fietste waardoor hij tegen die [slachtoffer] is aangebotst. Dit onderdeel van de tenlastelegging is uitsluitend gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer] . Het bewijs dat het ongeval aan verdachte te wijten is, berust dus op slechts één bewijsmiddel.

3.2.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (rijden onder invloed) heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte erkent dat hij gedronken heeft en dat hij de uitkomst van het onderzoek niet betwist.

3.2.3.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (verlaten van de plaats van het ongeval en iemand in hulpeloze toestand achterlaten) aangevoerd dat verdachte die avond volledig van slag was. Hij kan zich van het hele incident niets herinneren. Hij hoorde en voelde een klap op zijn voorruit en is volledig in paniek geraakt. Hij dacht dat hij een steen of tegel op zijn voorruit kreeg. Hij heeft het slachtoffer nooit gezien. Hij kwam weer bij zinnen toen hij op het politiebureau zat. Verdachte erkent dat hij had moeten stoppen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. De bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.1 Wat de vereiste steun in ander bewijsmateriaal betreft, geldt dat dit bewijs geen betrekking behoeft te hebben op de ten laste gelegde gedragingen.2 Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.3

3.3.2.

[slachtoffer] heeft op 13 december 2019, kort na het ongeval, om 18.45 uur, tegen [verbalisant 1] , die werkzaam is bij de politie, onder meer het volgende verklaard:

Omstreeks 18.20 uur reed ik op mijn fiets op de Lijnbaan in Aalsmeer. Ik kwam vanuit de richting van de Oosteinderweg en reed in de richting van de Dorpsstraat. Ter hoogte van de kruising met de Grootgarenbaan zag ik dat er een grijze personenauto de wijk uit kwam rijden. Ik zag dat de auto de Lijnbaan opdraaide in de richting van de Oosteinderweg. Ik zag dat de auto de bocht zo ruim nam dat hij op mijn weghelft terechtkwam. Ik dacht eerst dat hij de sloot in zou rijden die naast de weg is gelegen. Toen ik zag dat hij steeds dichter op mij afkwam, heb ik mijn fiets in de richting van de berm gestuurd om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat dit niet hielp en voelde dat de personenauto mij frontaal aanreed. Door de aanrijding verloor ik mijn evenwicht en kwam ik ten val. Ik belandde op de motorkap of voorruit van de auto. Vervolgens werd ik gelanceerd vanaf de auto en kwam ik een paar meter verder in de berm terecht. (pagina 29 van het dossier).

3.3.3.

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden werkzaam bij de politie, die op 13 december 2019, kort nadat het ongeval had plaatsgevonden, bij de plek van het ongeval zijn geweest, hebben in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat zij op de Lijnbaan ter hoogte van de Grootgarenbaan [slachtoffer] in de berm zagen zitten. Op de plaats van het ongeval lagen de fiets en een kentekenplaat van de weggereden auto (pagina 25 van het dossier). Zij hebben hun bevindingen gedeeld met verbalisant [verbalisant 3] , die het proces-verbaal van aanrijding heeft opgesteld (pagina 4 van het dossier). Op de situatieschets op pagina 10 van het dossier, die als bijlage daarbij is gevoegd, is te zien waar het slachtoffer (‘SO’) en de fiets zijn aangetroffen. Dat is aan de rechterkant van de Lijnbaan (gezien vanuit de richting waarheen [slachtoffer] fietste). De verklaring van [slachtoffer] wordt aldus ondersteund door de bevindingen van de politieagenten die kort na het ongeval ter plaatse zijn gekomen.

3.3.4.

De verklaring van [slachtoffer] vindt voorts bevestiging in het proces-verbaal voertuigonderzoek betreffende de auto van verdachte en de fiets van [slachtoffer] . Uit dit onderzoek volgt onder meer dat aan de hand van de aangetroffen beschadigingen, het schadebeeld, de schadepassing en de sporen aan beide voertuigen het zeer waarschijnlijk is dat beide voertuigen betrokken waren bij het verkeersongeval op 13 december 2019.

3.3.5.

De rechtbank concludeert dat de aangifte door [slachtoffer] niet op zichzelf staat en bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal.

3.3.6.

De rechtbank stelt mede op grond van die aangifte en de (bekennende) verklaring van verdachte zelf het volgende vast.

3.3.7.

Op vrijdagavond 13 december 2019 stapte verdachte in zijn Peugeot met kenteken [nummer] terwijl hij naar eigen zeggen daarvoor vijf borrels (jenever) had gedronken. Omstreeks 18.25 uur reed hij over de Grootgarenbaan te Aalsmeer, komende uit de richting van de Touwslagerlaan, in de richting van de (Verlengde) Lijnbaan. Op datzelfde moment fietste [slachtoffer] over de Verlengde Lijnbaan in de richting van de Dorpsstraat te Aalsmeer. Bij de T-splitsing van de Grootbarenbaan met de (Verlengde) Lijnbaan gekomen, sloeg verdachte rechts af, de Verlengde Lijnbaan op om zijn weg te vervolgen in de richting van de Oosteinderweg waar op dat moment [slachtoffer] vandaan kwam. Artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 houdt in dat bestuurders verplicht zijn zoveel mogelijk rechts te houden. Verdachte nam de bocht echter zo ruim dat hij op de weghelft kwam waar [slachtoffer] fietste met als gevolg dat hij [slachtoffer] aanreed. [slachtoffer] belandde op de voorruit van de auto van verdachte, werd gelanceerd en kwam uiteindelijk in de berm terecht. Naar later zou blijken heeft [slachtoffer] hierdoor letsel opgelopen aan zijn schouder, in medische termen een AC luxatie rechts. In plaats van te stoppen en [slachtoffer] hulp te verlenen, is verdachte doorgereden in de richting van de Oosteinderweg. [slachtoffer] bleef op dat moment alleen en dus hulpeloos achter. Verdachte is een kwartier later in Hoofddorp klemgereden door iemand die een auto met schade had zien rijden zonder verlichting. Uiteindelijk is hij door de politie aangehouden. Verdachte moest meewerken aan een ademanalyse. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 645 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was.

3.3.8.

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.4

3.3.9.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Verdachte is gaan autorijden terwijl hij onder invloed van alcohol was. Hoewel het al donker was, heeft hij zijn lichten niet aangedaan. Bij het afslaan naar rechts op de T-splitsing van de Grootgarenbaan met de (Verlengde) Lijnbaan heeft verdachte de bocht zo ruim genomen dat hij op de (voor hem linker) weghelft terechtkwam voor verkeer dat rechtdoor richting de Dorpsstraat ging, terwijl verdachte in tegengestelde richting reed. Het gevaar dat verdachte op de weg vormde, heeft zich verwezenlijkt. Verdachte heeft [slachtoffer] aangereden, die daar op de Verlengde Lijnbaan fietste, met alle gevolgen van dien. [slachtoffer] heeft ter zitting van 23 maart 2021 als getuige onder meer verklaard dat hij zes weken met een sling heeft moeten lopen, uiteindelijk aan zijn schouder moest worden geopereerd en dat hij pas sinds twee weken weer volledig aan het werk is. De conclusie is dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

3.3.10.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde ook kan worden bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij met drank op is gaan rijden. En uit de ademanalyse is gebleken dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te bevatten.

3.3.11.

De rechtbank is van oordeel dat ook het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij overweegt ten aanzien daarvan het volgende. Verdachte heeft [slachtoffer] aangereden en is vervolgens doorgereden zonder te stoppen om te kijken of hij iemand had geraakt en of diegene hulp nodig had. Hij heeft verklaard dat hij in paniek was geraakt en achteraf de verkeerde beslissing heeft genomen door te rijden terwijl hij naar eigen zeggen natuurlijk had moeten stoppen.

3.3.12.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b (oud), van de Wegenverkeerswet 1994 houdt in dat het degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Deze bepaling strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken de daarbij gewonde personen waar mogelijk onmiddellijk hulp biedt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het niet relevant is of de betrokkene schuld draagt aan het ongeval en daarmee door zijn eigen verkeersgedrag heeft bijgedragen aan het ontstaan van het letsel. Ook wanneer naderhand wordt vastgesteld dat de hulpbehoevende zelf volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, is het niet verantwoord deze aan zijn lot over te laten.5 Wel dient te worden vastgesteld dat er voor het slachtoffer een hulpeloze toestand is ontstaan, waardoor het slachtoffer afhankelijk is van de hulp van anderen.

3.3.13.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [slachtoffer] is aangereden door verdachte en daardoor op de voorruit van de auto van verdachte belandde en ten val is gekomen. De fiets van [slachtoffer] is ten gevolge van de botsing beschadigd. [slachtoffer] is gewond geraakt aan onder meer zijn schouder. Verdachte heeft hem in een hulpeloze toestand als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder b (oud), van de Wegenverkeerswet 1994 achtergelaten.6

3.3.14.

Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek was en daarom niet is gestopt. Door niet te stoppen en te kijken wie of wat hij had geraakt, heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een ander had geraakt en deze persoon in hulpeloze toestand werd achterlaten. Dat kort na het ongeluk [naam] zich over [slachtoffer] heeft ontfermd, kan verdachte niet baten.7

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde en wel dat:

1. hij op 13 december 2019 te Aalsmeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Grootgarenbaan/(Verlengde) Lijnbaan, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Grootgarenbaan, komende uit de richting van Touwslagerlaan, en gaande in de richting van de (Verlengde) Lijnbaan,

  • -

    terwijl het donker was,

  • -

    terwijl de verlichting van de door de verdachte bestuurde personenauto niet ontstoken was,

  • -

    terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte is vervolgens gekomen bij de kruising van de Grootgarenbaan en de (Verlengde) Lijnbaan rechts afgeslagen, verdachte heeft bij het afslaan de bocht te ruim genomen en aldus, in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts gehouden, immers heeft hij de rijbaan van de Verlengde Lijnbaan in de tegengestelde richting, bereden, verdachte heeft vervolgens niet afgeremd en niet uitgeweken voor [slachtoffer] , die fietste op de Verlengde Lijnbaan (in de richting van de Dorpsstraat), verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2. hij op 13 december 2019 te Aalsmeer, als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 645 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Aalsmeer, aan de Verlengde Lijnbaan op 13 december 2019, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht en een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten en verdachte

6.1.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de Wegenverkeerswet 1994 strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.2.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Voorts heeft de officier van justitie met betrekking tot het onder feit 1 primair bewezen verklaarde gevorderd dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vierentwintig maanden wordt ontzegd.

7.2.

Het pleidooi van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht rekening te houden met het volgende. Het ten laste gelegde heeft grote gevolgen voor verdachte gehad. In de eerste plaats is sprake van een enorm gevoel van schuld en schaamte. Verdachte vindt het minderwaardig wat hij heeft gedaan. Hij zit hier tot op de dag van vandaag enorm mee en heeft professionele hulp gezocht om handvatten te krijgen hoe hier mee om te gaan. Daarbij speelt voorts een rol dat er bij verdachte een opeenstapeling van negatieve gebeurtenissen heeft plaatsgevonden zoals de relatiebreuk met zijn vriendin en het overlijden van een goede vriend bij wiens ziekte hij erg betrokken was. Verdachte is hierdoor heel somber en depressief geworden. Hij krijgt rustgevende medicatie voor zijn slaapproblemen en verder heeft hij elke veertien dagen een gesprek met een psycholoog waarin ze spreken over het ongeval. Verdachte zat al in de ziektewet ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte was vliegtuigsleper bij KLM met een tijdelijk contract. Vanwege deze strafzaak kon hij daar niet meer terugkeren. Ook op financieel vlak zijn de gevolgen enorm. Zijn verzekering heeft inmiddels 15.000 euro aan het slachtoffer uitbetaald en dat moet verdachte nu aan zijn verzekeraar terugbetalen. Voorts heeft de verzekering aangekondigd dat er nog meer betalingen aan het slachtoffer zullen volgen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

7.3.2.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

7.3.3.

Verdachte heeft zich op de avond van 13 december 2019 zeer onverantwoordelijk gedragen. Hij is met alcohol op achter het stuur van zijn auto gaan zitten en is gaan rijden zonder zijn lichten aan te doen. Verdachte was een gevaar op de weg. Bij de afslag naar de Verlengde Lijnbaan heeft hij de bocht zo ruim genomen dat hij op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer terechtkwam. Op dat moment fietste daar [slachtoffer] . Verdachte heeft [slachtoffer] frontaal geraakt en [slachtoffer] is op de voorruit van de auto beland en is vervolgens gelanceerd en in de berm terechtgekomen. Verdachte en [slachtoffer] mogen van geluk spreken dat [slachtoffer] niet nog zwaarder gewond is geraakt dan nu het geval is geweest. Na de aanrijding is verdachte niet gestopt en uitgestapt om te kijken wat er aan de hand was en zich te bekommeren om degene die hij had aangereden. Integendeel, hij is ervan doorgegaan. De rechtbank neemt dat verdachte heel erg kwalijk.

7.3.4.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 februari 2021. Uit het strafblad blijkt dat verdachte in een ver verleden (2003) is veroordeeld wegens rijden onder invloed tot een geldboete van 230 euro en dat hij in 2017 een strafbeschikking heeft gekregen van 330 euro wegens te hard rijden. De rechtbank stelt vast dat het dus niet de eerste keer is dat verdachte met drank op is gaan rijden. Aangezien het al meer dan 17 jaar geleden is dat verdachte daarvoor is veroordeeld, zal de rechtbank dat verder niet laten meewegen.

7.3.5.

De rechtbank heeft de indruk gekregen dat verdachte het kwalijke van zijn handelen inziet en berouw heeft. Het siert verdachte dat hij zijn excuses heeft aangeboden aan [slachtoffer] . De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachte psychisch gebukt gaat onder zijn daden en professionele hulp heeft gezocht. Verder laat zij meewegen dat verdachte nog te maken heeft met de financiële afwikkeling van de schade die hij heeft veroorzaakt.

7.3.6.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de geldende oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige mate van schuld en waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen waardoor hij tijdelijk zijn werk niet heeft kunnen doen en sprake is van alcoholgebruik bij de verdachte, wordt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren opgelegd. Er zijn geen aparte oriëntatiepunten voor doorrijden na een ongeval.

7.3.7.

De rechtbank ziet alles afwegende, de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen voor het slachtoffer aan de ene kant en de persoon van verdachte en zijn omstandigheden aan de andere kant, geen aanleiding om niet aan te sluiten bij de oriëntatiepunten. De rechtbank is van oordeel dat een andere, minder zware straf geen recht zou doen aan wat er is gebeurd, te minder nu verdachte na het ongeval is doorgereden. De rechtbank laat ook meewegen dat van de opgelegde straf een algemene preventieve werking moet uitgaan.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

8.1.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 55, eerste lid, en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.2.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde:

De eendaadse samenloop van:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat ingevolge artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de tijd gedurende die het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 april 2021.

1 Zie o.m. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034.

2 HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. Rozemond.

3 HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512.

4 Zie o.m. Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge rov. 3.5 en HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:128.

5 Zie Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 69-70.

6 Vgl. HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452.

7 Vgl. HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:394, NJ 2020/116.