Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1667

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
13/055301-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige man is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag omdat hij op 1 maart 2020 een prostituee in Amsterdam zo zwaar mishandelde dat zij nog altijd in coma ligt. De kans op herstel is nihil. Hij had alcohol gedronken en cocaïne gebruikt en dacht dat hij zou worden gechanteerd. In de straf weegt mee dat hij in een uitzonderlijke situatie is terechtgekomen waarin het slachtoffer ook een belangrijke rol speelde. Zo nam zij hem mee naar huis, wat ongebruikelijk lijkt te zijn in de raamprostitutie. Uit de bankafschriften en zijn verklaring blijkt dat zij hem aanzienlijke geldbedragen afhandig heeft gemaakt. Uit het Whatsapp-gesprek met haar echtgenoot blijkt dat hier duidelijk een plan ten grondslag lag. Ook weegt mee dat uit psychologische onderzoeken blijkt dat de 26-jarige man zwakbegaafd is en aan een ADHD-stoornis en een depressie lijdt. De rechtbank neemt daarom het advies over om hem verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Daarnaast legt de rechtbank hem, om het recidiverisico te beperken, de gedragsbeïnvloedende maatregel op, teneinde de mogelijkheid te creëren om hem na afloop van zijn detentie bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook moet hij in totaal ruim 130.000 euro aan schadevergoedingen betalen onder meer aan het slachtoffer en haar echtgenoot. Hierbij is rekening gehouden met een deel eigen schuld van het slachtoffer. Na toepassing van de billijkheidscorrectie wordt deze schuld op 10% gewaardeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.055301.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/055301-20

Datum uitspraak: 8 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1994,

wonende op het adres [adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2020, 3 februari 2021 en 25 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging – ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 1 maart 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer]

- ( met kracht) tegen haar borst en/of haar lichaam heeft geduwd (waardoor zij ten val is gekomen) en/of

(vervolgens) (terwijl zij op de grond lag) (meermalen)

- ( met kracht) (met enig voorwerp) tegen haar lichaam en/of haar hoofd en/of haar gelaat heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) (met geschoeide voet) tegen haar lichaam en/of haar hoofd en/of haar gelaat heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 1 maart 2020 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een of meerdere bloeduitstorting(en) en/of kneuzing(en) aan en/of in de hersenen en/of

- een of meerdere botbreuk(en) aan de schedel en/of het aangezicht en/of

- een bloeduitstorting aan de lever,

heeft toegebracht, (ten gevolge waarvan zij in een comateuze toestand is terechtgekomen) door de geweldshandelingen zoals genoemd onder primair.

De tekst van de gehele tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag. Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de onderdelen ‘met enig voorwerp’ en ‘met geschoeide voet’, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag. Verdachte had geen opzet op de dood van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), ook niet in voorwaardelijke zin. Het handelen van verdachte na de geweldsinwerkingen levert hiervoor een belangrijke contra-indicatie op. Verdachte is namelijk niet gevlucht en heeft de hulpdiensten ingeschakeld.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde, te weten de zware mishandeling, partieel dient te worden vrijgesproken van een aantal onderdelen. Het forensisch radiologisch onderzoek heeft uitgewezen dat ‘de bloeduitstorting aan de lever’ het gevolg was van een langer bestaande ziekelijke afwijking. Verdachte dient ook partieel te worden vrijgesproken van de onderdelen ‘met enig voorwerp’, ‘met geschoeide voet’ en ‘schoppen of trappen’ nu het dossier daartoe onvoldoende bewijs bevat.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de overige geweldshandelingen, te weten het duwen, slaan en stompen, op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden bewezen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 maart 2020 ging verdachte na een avond stappen omstreeks 05:00 uur naar de Wallen om een sekswerkster te bezoeken. Verdachte ging bij het slachtoffer, een sekswerkster achter een raam, naar binnen en betaalde € 200,- cash. Dit bedrag had hij om 05:17 uur gepind. Omdat de peeskamer bijna dicht ging, stelde het slachtoffer voor om samen naar een hotel te gaan. Verdachte stemde hiermee in en betaalde om 05:46 uur via een mobiele pinautomaat € 650,- aan het slachtoffer voor het hotel. Het slachtoffer en verdachte konden echter geen hotel meer vinden waar ze terecht konden, daarom stelde het slachtoffer voor om naar haar huis te gaan. Dit blijkt ook uit een WhatsApp-gesprek van het slachtoffer met haar echtgenoot. Het slachtoffer stuurde om 06:25 uur naar hem: “Ik kan geen hotel vinden” en “Ik neem hem mee naar huis”. Verdachte ging in op het voorstel van het slachtoffer omdat hij al veel geld had betaald en – naar eigen zeggen – ‘waar wilde voor zijn geld’. In de peeskamer was immers, volgens verdachte, geen sprake geweest van seks.

Eenmaal bij het slachtoffer thuis aangekomen heeft verdachte om 06:47 uur, wederom via een mobiele pinautomaat, € 300,- aan het slachtoffer betaald. Het slachtoffer liet ondertussen meermalen via WhatsApp aan haar echtgenoot weten dat het goed met haar ging. Om 09:27 uur stuurde het slachtoffer naar haar echtgenoot: “Hij geeft me niet meer” en om zowel 10:11 uur als 11:19 uur stuurde zij: “Ik probeer het”. Vijf minuten later stuurde het slachtoffer naar haar echtgenoot: “130” en “Hij heeft nog meer”. Uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat hij om 11:26 uur via een mobiele pinautomaat een bedrag van € 130,- aan het slachtoffer heeft betaald. Vervolgens stuurde het slachtoffer om 11:40 uur naar haar echtgenoot: “Ik laat hem niet weggaan”, “Want het is een Nederlander”. Dat het de bedoeling van het slachtoffer was verdachte niet te laten gaan wordt ondersteund door het feit dat – naar later is gebleken – de toegangsdeur van de woning was afgesloten en de sleutel was verstopt. De echtgenoot van het slachtoffer antwoordde in eerste instantie met “OK”, maar om 11:43 uur stuurde hij: “Voorzichtig, trek maar niet, stop maar”. Het slachtoffer antwoordde, in haar laatste bericht aan haar echtgenoot, om 11:44 uur: “OK”.

Verdachte heeft vervolgens om 12:21 uur ruim een minuut uitgebeld naar een mobiel telefoonnummer op naam gesteld van een vriend, [vriend 1] . Het is onbekend gebleven of dit ging om een gesprek of een voicemail-bericht en wat de inhoud hiervan is geweest. Om 13:01 uur belde verdachte naar het 112-alarmnummer. Dit gesprek duurde in totaal 53 seconden. Verdachte heeft toen opgehangen, omdat hij dacht dat er sprake was van een complot tegen hem: naar eigen zeggen vertrouwde hij het niet. Vervolgens heeft verdachte vanaf 13:21 uur via WhatsApp contact gezocht met een andere vriend, [vriend 2] . Verdachte stuurde zijn vriend onder meer de volgende teksten: “Bel politie”, “Dat ze mijn ff moeten oppakken”, “Meisje heeft me erin geluisd”, “Bijna vermoord iemand” en “Heb n hoer naar de tyfus getrapt”.

Verdachte heeft uiteindelijk omstreeks 14:17 uur opnieuw gebeld naar het 112-alarmnummer en is in contact gekomen met de meldkamer Operationeel Centrum Amsterdam. Verdachte heeft gevraagd om te spreken met de centralist van de politie. Verdachte wilde zichzelf aangeven omdat hij ‘iets heel doms’ had gedaan. Op de open vraag van de centralist wat verdachte dan had gedaan, antwoordde hij “Haar geslagen en geschopt toen”. Verdachte kon echter geen antwoord geven op de vraag van de centralist waar hij zich bevond. Hij vroeg of zijn nummer kon worden getraceerd om zijn locatie te achterhalen. De centralist heeft vervolgens een SMS naar verdachte verzonden om zijn locatie te kunnen bepalen en aan verdachte gevraagd of hij de deur wilde openen. Op dat moment constateerde verdachte dat de deur op slot zat. De sleutelbos werd tijdens de doorzoeking van de woning teruggevonden onder een kledingstuk in de keuken. De centralist heeft vervolgens aan verdachte gevraagd te omschrijven wat hij buiten zag, zodat verbalisanten hem zouden kunnen lokaliseren.

Om 14:55 uur hebben twee vrienden van verdachte zich gemeld op het politiebureau Burgwallen. Zij vertelden dat verdachte die nacht naar binnen was gegaan in een pand op de hoek van de [straat] met de [wal] . Via het Operationeel Centrum kregen de verbalisanten uiteindelijk te horen dat verdachte een aardenwerken bloempot zag in een binnentuin met een wit en een grijs huis. De verbalisanten hebben vervolgens aangebeld bij een woning in de [straat] , omdat daar vanaf de straat een klein dakterras zichtbaar was.

Eenmaal aangekomen op dat dakterras zagen de verbalisanten dat er, op ongeveer twee meter hoogte, een raam open stond van het pand [adres slachtoffer] , de woning van het slachtoffer. Nadat de verbalisanten zich kenbaar hadden gemaakt als zijnde politie, riep verdachte dat hij degene was die had gebeld. De verbalisanten zijn via het raam om 15:00 uur naar binnen geklommen. Zij troffen daar het slachtoffer liggend in een naakte, bewusteloze en onnatuurlijke houding aan, in een plas bloed met een hard snurkende ademhaling. Een andere verbalisant heeft de centrale voordeur van perceel 123 en de toegangsdeur van de woning op de tweede verdieping omstreeks 15:05 uur met geweld geforceerd. De GGD is toen de woning ingegaan om eerste hulp aan het slachtoffer te verlenen.

Het slachtoffer werd direct overgebracht naar de Spoedeisende Hulp van het UMC Amsterdam. Volgens het forensisch medisch letselonderzoek had het slachtoffer een maximaal diepe comascore. Eveneens werd geconstateerd dat zij bloeduitstortingen en kneuzingen aan en in de hersenen had en botbreuken aan de schedel en het aangezicht. Deze letsels kunnen worden beschouwd als acuut levensbedreigend. Uit het forensisch radiologisch onderzoek is gebleken dat de breuken in de schedel het gevolg zijn van een heftige stompe geweldsinwerking. Een enkele zeer heftige geweldsinwerking, zoals een mishandeling, kan deze fracturen veroorzaken. Gelet op de locaties van de onderhuidse bloedingen zijn er minimaal drie punten van impact op het hoofd geweest, namelijk een rechts op de slaap, een links op de slaap en een links achter het oor. Tevens is er een fractuur van de rechter zevende rib aan de voorzijde en zeer waarschijnlijk ook aan de voorzijde van de zesde rib. Deze fracturen zijn veroorzaakt door stompe geweldsinwerkingen op de borst, hetgeen het vierde punt van impact is. Ook had het slachtoffer bloeduitstortingen, scheurwonden en schaaf- en/of kraswonden verspreid over haar gehele lichaam.

Verdachte werd ter plaatse aangehouden. Verdachte verklaarde, nadat hem de cautie was medegedeeld, in het politievoertuig dat hij cocaïne had gebruikt. Na toxicologisch onderzoek bleek dat er in het bloed van verdachte inderdaad cocaïne aanwezig was alsook ethylcocaïne (hetgeen duidt op gebruik van cocaïne in combinatie met alcohol) en sildenafil (medicatie voor erectiestoornissen). Op het hoofdbureau van de politie is een letselonderzoek bij verdachte uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat verdachte op zijn linker voet, vanaf beide zijdes van de enkel tot over de gehele breedte van de voetrug, een zwelling had. Ook had verdachte aan de buitenzijde van zijn voet, op zijn voet bij de overgang naar de derde en vierde teen en op het tweede gewricht van de grote teen (donkere) bloeduitstortingen. Tevens had verdacht (brede) rode huidverkleuringen op de bovenzijde van zijn handen. Verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer een duw heeft gegeven en dat het daarna een waas voor hem is geworden.

Uit de bloedspoorpatroon analyse van de woning is gebleken dat er tenminste twee impact bloedspoorpatronen zijn aangetroffen, op een hoogte van ongeveer 63 en 53 centimeter van de vloer. Impact bloedspoorpatronen ontstaan door de krachtsinwerking van een object of lichaamsdeel in vloeibaar bloed. Ook werden er vijf geëxpireerde bloedspoorpatronen aangetroffen. Geëxpireerde bloedspoorpatronen ontstaan doordat bloed door de kracht van een luchtstroom uit een neus, mond of verwonding wordt verplaatst. De politie heeft geconcludeerd dat de aangetroffen bloedsporen passen bij het scenario waarbij er minimaal drie keer geweld op het slachtoffer is toegepast. Dit geweld heeft plaatsgevonden terwijl het slachtoffer zich met haar hoofd op ongeveer 63 centimeter en lager, namelijk tot 53 centimeter, vanaf de vloer bevond. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de houding van de slachtoffer.

3.3.2

Poging tot doodslag

In de eerste momenten na het incident heeft verdachte een duiding gegeven aan wat er zich heeft afgespeeld. Verdachte heeft na een open vraag van de centralist (“Kunt u mij vertellen wat u heeft gedaan?”) geantwoord dat hij het slachtoffer heeft geslagen en geschopt. Ook stuurde verdachte in een WhatsApp-bericht naar zijn vriend [vriend 2] dat hij bijna iemand heeft vermoord en “een hoer naar de tyfus heeft getrapt”. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich kort na het incident helder kon herinneren wat er was gebeurd. Bovendien heeft verdachte niet alleen bij de politie, maar ook herhaalde malen ter terechtzitting, verklaard dat hij het slachtoffer een duw heeft gegeven, waardoor zij naar achteren ging. De rechtbank zal deze verklaringen van verdachte gebruiken voor het bewijs.

De rechtbank stelt op basis van de verklaring van verdachte vast dat verdachte het slachtoffer heeft geduwd en dat dit met enige kracht moet zijn geweest. Het slachtoffer ging immers door de duw naar achteren richting de voordeur, aldus verdachte.

Op de bovenzijde van de handen van verdachte waren (brede) rode huidverkleuringen zichtbaar. Ook had het slachtoffer over haar gehele lichaam bloeduitstortingen. De rechtbank stelt op basis hiervan, mede gelet op de verklaring van verdachte in het gesprek met de centralist, vast dat verdachte het slachtoffer op enig moment heeft gestompt.

De rechtbank stelt eveneens vast dat verdachte het slachtoffer tenminste twee keer heeft getrapt, terwijl het slachtoffer reeds bloedde en zich met haar hoofd tussen de 63 en 53 centimeter vanaf de vloer bevond. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op de hiervoor genoemde verklaringen van verdachte, het letsel op de linkervoet van verdachte en de twee impact bloedspoorpatronen. Hoewel de deskundigen de precieze positie van het slachtoffer ten tijde van deze geweldsinwerkingen niet hebben kunnen vaststellen, vindt het rechtbank het – gelet op de conclusies over de hoogte waar het hoofd zich bevond – aannemelijk dat het slachtoffer op de grond zat of lag. De rechtbank acht het in het verlengde hiervan minder aannemelijk dat verdachte het slachtoffer, op het moment dat zij zich met haar hoofd zo laag bij de vloer bevond, heeft geslagen of gestompt. De rechtbank neemt hierbij de positie van verdachte en het slachtoffer ten opzichte van elkaar in aanmerking, namelijk dat verdachte stond en het slachtoffer op de grond zat of lag.

Daarnaast stelt de rechtbank gelet op het geconstateerde letsel vast dat sprake is geweest van vier punten van impact: rechts op de slaap, links op de slaap, links achter het oor en op de borst. Het door verdachte toegepaste geweld op het slachtoffer zijn (zeer) heftige stompe geweldsinwerkingen geweest.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Het is algemeen bekend dat het hoofd en het gelaat, en zeker de slaap, kwetsbare delen van het lichaam zijn. Ook verdachte moet dit hebben geweten. Door daar meermaals met kracht tegen te trappen, terwijl het slachtoffer weerloos op de vloer ligt of zit, wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer daardoor overlijdt. Een enkele harde trap tegen het hoofd of de slaap kan immers al dodelijk zijn. Het toegepaste geweld door verdachte wordt door de deskundigen zelfs gedefinieerd als ‘zeer heftige geweldsinwerkingen’. De gedragingen van verdachte kunnen daarom naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De door de raadsman aangevoerde contra-indicaties leiden niet tot een ander oordeel. Deze zien namelijk op gedragingen van verdachte (ruim) na het toepassen van dit zeer heftige geweld. Bovendien heeft verdachte de hulpdiensten kennelijk ingeschakeld ten behoeve van zichzelf. Verdachte wilde zichzelf aangeven en vroeg daarom ook om te worden doorverbonden met de politie. Hij belde niet voor een ambulance voor het slachtoffer. Voorts is niet gebleken dat verdachte ook maar een enkele hulpverlenende actie jegens het slachtoffer heeft verricht. De stelling van de verdediging dat verdachte niet wist wat hij deed omdat hij in een waas of een black-out verkeerde, volgt de rechtbank niet. Hiervoor is overwogen dat verdachte in het 112-gesprek en het WhatsApp-gesprek met zijn vriend [vriend 2] kennelijk duidelijk weet wat hij heeft gedaan. Daarnaast hebben de Pro Justitia rapporteurs niet kunnen vaststellen dat verdachte ten tijde van het delict psychotisch was.

De rechtbank concludeert dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De primair ten laste gelegde poging tot doodslag op het slachtoffer is daarom bewezen. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte geweld heeft toegepast ‘met enig voorwerp’ of ‘met geschoeide voet’. Verdachte zal daarom van deze onderdelen partieel worden vrijgesproken.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 1 maart 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer]

- met kracht tegen haar borst heeft geduwd en meermalen

- met kracht tegen haar lichaam heeft gestompt en

- met kracht tegen haar lichaam en haar hoofd en/of haar gelaat heeft getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage II zijn vervat.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Verdachte heeft zelf alcohol en cocaïne tot zich genomen, waardoor sprake is van culpa in causa.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 8 jaren wordt opgelegd.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is.

De raadsman heeft daarnaast verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de rol van het slachtoffer. Verdachte is een first offender en heeft spijt van het incident. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van hoogstens 12 maanden passend en geboden is.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van het bewezen geachte

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Door zijn handelen heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan zowel het slachtoffer als haar naasten. Het slachtoffer is een jonge vrouw die midden in het leven stond. Zij ligt sinds 1 maart 2020 in coma. In de eerste week leek er sprake te zijn van een geringe verbetering, maar enkel in die zin dat zij haar ogen kon openen en reageerde op een pijnprikkel. Op 31 juli 2020 heeft de forensisch geneeskundige gerapporteerd dat er geen sprake meer is geweest van enige vorm van contact. Het slachtoffer is volledig hulpbehoevend voor alle algemene dagelijkse levensverrichtingen. Door onder andere spierspasmen is er een toenemende tendens voor het optreden van doorligplekken en is er mogelijk sprake van epileptische aanvallen. Het slachtoffer verkeert in een zeer slechte neurologische toestand, doordat er een onomkeerbare verslechtering is opgetreden. De kans op herstel van haar hersenfuncties in de toekomst is nihil. Naar verwachting zal de toestand van het slachtoffer progressief verslechteren en is de prognose op termijn infaust, hetgeen betekent dat het slachtoffer aan haar letsel zal komen te overlijden. Het meeste recente forensisch geneeskundig onderzoek dateert van 1 maart 2021. Er zijn sindsdien geen veranderingen meer waargenomen in de medische toestand van het slachtoffer. Er is nog steeds sprake van een comateuze toestand met een verlaagd bewustzijn.

Naast het bovenstaande speelt in de straftoemeting ook een rol dat deze gebeurtenissen ongetwijfeld impact hebben gehad en nog steeds hebben op mensen die werkzaam zijn in de prostitutie.

De omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan

De rechtbank onderkent dat verdachte in een uitzonderlijke situatie terecht is gekomen. Hoewel verdachte daar zelf ook andere keuzes in had kunnen maken, heeft het slachtoffer hierin een belangrijke rol gespeeld. Het slachtoffer heeft verdachte mee naar haar eigen huis genomen, wat ongebruikelijk lijkt te zijn in de raamprostitutie. Uit de bankafschriften en de verklaring van verdachte blijkt dat zij hem aanzienlijke geldbedragen afhandig heeft gemaakt. Uit het WhatsApp-gesprek met haar echtgenoot blijkt dat hier duidelijk een plan aan ten grondslag lag: het slachtoffer stuurt onder meer “Hij heeft nog meer” en “Ik laat hem niet gaan”. Ook haar echtgenoot moet zich ervan bewust zijn geweest dat het slachtoffer verkeerd bezig was. Hij stuurde immers “Voorzichtig, trek maar niet, stop maar”. Dat hij inzicht had in het kwalijke van de situatie wordt ondersteund door het feit dat hij de bewuste WhatsApp-berichten tussen hem en het slachtoffer heeft verwijderd. Dat deed hij nog dezelfde middag van 1 maart 2020, nadat hij had vernomen wat het slachtoffer was overkomen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

In het Pro Justitia rapport van 9 maart 2021 wordt geconstateerd dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een depressieve stoornis, een ADHD-stoornis van het gecombineerde type (aandachtdeficiëntie en hyperactiviteit/impulsiviteit) en een stoornis in het gebruik van alcohol. Verdacht kreeg de indruk dat hij gechanteerd zou gaan worden. Omdat hij bang was dat de prostituee of ook andere mogelijk aanwezigen hem iets aan zouden doen, heeft hij de situatie als zeer bedreigend ervaren. Deze situatie en de combinatie van alcohol en cocaïne hebben bij verdachte waarschijnlijk een grotere rol gespeeld, maar de onderliggende stoornissen hebben de woede-uitbarsting van verdachte wellicht makkelijker doen ontstaan.

Eveneens is gerapporteerd dat verdachte schuchter is in het contact en oogcontact lijkt te vermijden. In de persoonlijkheid van verdachte zijn aanwijzingen voor een lage zelfwaardering, interpersoonlijk wantrouwen, introversie en sociale geremdheid. Verdachte kampt bovendien al langere tijd met suïcidale gedachten.

De deskundigen adviseren omhet ten laste gelegde gegeven de geconstateerde stoornissen in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op recidive wordt ingeschat als laag, omdat de kans klein wordt geacht dat verdachte ooit in een vergelijkbare stresserende situatie terecht zal komen. Verdachte geeft aan graag een behandeling voor zijn depressie en ADHD-stoornis te willen. Dit kan plaatsvinden in een vrijwillig kader.

De Pro Justitia rapporteurs hebben voornoemd advies ter terechtzitting bevestigd. De rapporteurs hebben in aanvulling hierop geconcludeerd dat een eventuele constatering van culpa in causa geen invloed heeft op het advies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid.

Ter terechtzitting heeft psychiater Van Bladeren nog toegevoegd dat er niet geconcludeerd kan worden dat verdachte ten tijde van het delict psychotisch was. Daarbij speelt een rol dat niet het hele verhaal bekend is, maar enkel de lezing van verdachte, zodat niet precies bekend is wat er is gebeurd. Bovendien kan een psychotische stoornis pas worden vastgesteld bij uitsluiting van andere stoornissen. De aanwezige depressieve stoornis en de paranoïde betrekkingsideeën kunnen in combinatie met het cocaïnegebruik de angst bij verdachte versterkt hebben.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 15 maart 2021. De reclassering conformeert zich aan het advies van het Pro Justitia rapport. In tegenstelling tot het reclasseringsadvies van 7 augustus 2020 wordt geadviseerd geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat – zoals de Pro Justitia rapporteurs stellen – verdachte motivatie toont voor behandeling in een vrijwillig kader. De reclassering adviseerde eerder wel oplegging van bijzondere voorwaarden, omdat de inschatting werd gemaakt dat verdachte hier baat bij kan hebben. Bijzondere voorwaarden kunnen onder andere bijdragen aan het vergroten van het zelfvertrouwen van verdachte, omgaan met emoties en het verbeteren van zijn zelfbeeld.

De rechtbank neemt, anders dan de officier van justitie, de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Dat leidt ertoe dat het feit in licht verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend.

Conclusie

De ernst van het strafbare feit rechtvaardigt op zichzelf een forse gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet echter aanleiding om een lagere straf op te leggen gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon van verdachte alsmede het feit dat de rechtbank hem licht verminderd toerekeningsvatbaar acht.

De rechtbank zal daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen ambtshalve de maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen.

De Pro Justitia rapporteurs hebben aangegeven dat behandelingen voor zijn depressie, ADHD-stoornis en alcoholverslaving geïndiceerd zijn, maar dat deze voor zover verdachte daartoe bereid en gemotiveerd is, binnen een vrijwillig kader kunnen plaatsvinden. De reclassering, maar ook Pro Justitia rapporteur J.E.P. Kruikemeier, hebben eerder wel geadviseerd om bijzondere voorwaarden op te leggen, ondanks dat zij ook toen al het recidiverisico als laag inschatten. Als bijzondere voorwaarde werd gesteld dat verdachte een behandeling zou dienen te volgen gericht op het verbeteren van zijn zelfbeeld, het vergroten van zijn zelfvertrouwen en het beter reguleren van zijn emoties.

In het verleden is verdachte door anderen (onder wie zijn broer en vrienden) geadviseerd om hulp te zoeken voor zijn psychische problemen, maar dit heeft verdachte nooit gedaan. Naar zijn eigen zeggen “is het er nooit van gekomen”. De rechtbank vertrouwt er daarom niet zonder meer op dat verdachte zich na zijn detentie vrijwillig zal laten behandelen. Daarbij speelt een rol dat hij dit in het verleden (ondanks adviezen van anderen) niet heeft gedaan en dat hij, zoals door de door de Pro Justitia rapporteurs is geconstateerd, vermijdende trekken in zijn persoonlijkheid heeft. Bovendien is het onduidelijk welk effect een langdurige detentie heeft op de motivatie van verdachte om hulpverlening in een vrijwillig kader te zoeken.

Ondanks het lage recidiverisico, vindt de rechtbank het van belang dat aan het einde van de detentie van verdachte zal worden gekeken naar de noodzakelijkheid van een eventueel drangkader. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank.

8 Vorderingen benadeelde partij

8.1

Ingestelde vorderingen

Als benadeelde partijen hebben de hieronder genoemde personen een vordering ingediend.

8.1.1

[slachtoffer] (het slachtoffer)

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd van € 14.446,97 aan materiële schade en € 613.159,- voor verlies aan arbeidsvermogen. Daarnaast heeft zij een vergoeding gevorderd van € 150.000,- aan immateriële schade.

8.1.2

[echtgenoot] (echtgenoot van het slachtoffer)

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd van € 3.819,60 aan materiële schade. Daarnaast heeft hij een vergoeding gevorderd van € 17.500,- aan immateriële schade, welk bedrag bestaat uit affectieschade.

De benadeelde partij heeft tevens een voorwaardelijke vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering dient voor het geval dat het slachtoffer zal overlijden.

8.1.3

[dochter] (dochter van het slachtoffer)

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd van € 17.500,- aan immateriële schade, welk bedrag bestaat uit affectieschade.

De benadeelde partij heeft tevens een voorwaardelijke vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering dient voor het geval dat het slachtoffer zal overlijden.

8.2

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De ter terechtzitting ingenomen standpunten van de officier van justitie en de raadsman zullen per schadepost worden weergegeven.

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1

Inleidende opmerkingen

Vooropgesteld wordt dat de raadsman heeft betoogd dat [slachtoffer] (het slachtoffer) ten aanzien van de gehele vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat i) de verdediging onvoldoende mogelijkheden heeft gehad tot het laten uitvoeren van tegenonderzoek en ii) geen sprake is van een medische eindtoestand, terwijl de vordering voor het overgrote deel ziet op toekomstige schade. De raadsman heeft dit verweer niet per schadepost uitgesplitst, maar de rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman aldus dat dit ziet op de schadeposten ‘verlies arbeidsvermogen’ en ‘immateriële schade’.

De rechtbank bespreekt eerst de gevorderde materiële schadeposten en vervolgens de gevorderde immateriële schadeposten en de voorwaardelijke vorderingen. Daarna volgt een beoordeling omtrent de eigen schuld van het slachtoffer.

8.3.2

Materiële schade

8.3.2.1 [slachtoffer] (het slachtoffer)

Ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 6.465,- aan ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding. De maximale duur voor deze vergoeding is 365 dagen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat de totale verblijfsduur 365 dagen betreft.

De rechtbank stelt vast dat de totale verblijfsduur van het slachtoffer in het ziekenhuis en revalidatiecentrum reeds de 365 dagen is gepasseerd. Het slachtoffer heeft 66 dagen, namelijk van 1 maart 2020 tot en met 5 mei 2020, in het ziekenhuis gelegen. Het slachtoffer verbleef de overige 299 dagen, namelijk van 6 mei tot en met 28 februari 2021, in een revalidatiecentrum. Deze schadepost komt daarom integraal voor vergoeding in aanmerking.

Kosten beschermingsbewind

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1.395,13 voor kosten voor het beschermingsbewind.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost niet voor toewijzing vatbaar is, omdat deze schadepost bij een toekenning van een vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen komt te vervallen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden afgewezen. Deze schadepost betreft toekomstige schade en het is onvoldoende duidelijk of het slachtoffer deze kosten daadwerkelijk zal moeten maken.

De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw niet heeft onderbouwd dat het slachtoffer nu niet meer voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, terwijl dit op het moment van indiening van de vordering wel het geval was. De benadeelde partij wordt, mede gelet op de beslissing ten aanzien van de schadepost verlies aan arbeidsvermogen, ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. Het is immers onduidelijk welke invloed deze beslissing heeft op de kosten voor het beschermingsbewind. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ambulancevervoer

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 795,- voor de kosten van het ambulancevervoer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost dient te worden afgewezen. De raadsman heeft primair betwist dat het slachtoffer hiervoor niet was verzekerd. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat iedereen verplicht is verzekerd te zijn en dat de kosten voor het ambulancevervoer dan door de zorgverzekering worden vergoed.

De rechtbank gaat er, gelet op de brief van de bewindvoerder, vanuit dat het slachtoffer een zorgverzekering heeft. De bewindvoerder wijdt immers een alinea aan premie voor de zorgverzekering. Uit de vordering van de benadeelde partij kan echter niet worden afgeleid of de verzekering de kosten heeft vergoed, zodat onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk door het slachtoffer zijn gemaakt. De benadeelde partij wordt ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Eigen bijdrage CAK
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 5.791,84 aan eigen bijdrage CAK.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden afgewezen, omdat deze schadepost ziet op toekomstige en niet vastgestelde schade. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat enkel de daadwerkelijk geleden schade dient te worden toegewezen met als maandbedrag € 278,21. De bewindvoerder heeft immers een peiljaarverlegging aangevraagd en het is onduidelijk welke gevolgen een eventuele toewijzing van de peiljaarverlegging op het maandbedrag zou hebben.

De rechtbank stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding reeds is ingediend in oktober 2020, ofwel voorafgaand aan de terechtzitting van 10 november 2020. De benadeelde partij vorderde toen de eigen bijdrage CAK tot en met december 2020. De rechtbank maakt hieruit op dat de benadeelde partij kennelijk heeft bedoeld de eigen bijdrage CAK te vorderen tot en met de maand waarin uitspraak wordt gedaan. Het is thans kennelijk de bedoeling geweest van de benadeelde partij om de eigen bijdrage CAK te vorderen tot en met april 2021.

Ten gevolge van een eventuele toewijzing van de aanvraag tot peiljaarverlegging kan het maandelijkse bedrag worden verlaagd. Het is echter onduidelijk of deze aanvraag is toegewezen en of een toewijzing een correctie van het maandbedrag met terugwerkende kracht met zich meebrengt. De rechtbank zal daarom uitgaan van het verlaagde maandbedrag van € 278,21 per maand.

Zoals hiervoor overwogen is het de kennelijke bedoeling van de benadeelde partij om de eigen bijdrage CAK te vorderen tot en met de maand van de uitspraak. Het is voldoende onderbouwd dat de eigen bijdrage CAK vanaf maart 2020 tot en met april 2021 dient te worden betaald en daarom komt deze schadepost tot een bedrag van (14 x € 278,21) € 3.894,94 voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij wordt voor het overige ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard.

Verlies aan arbeidsvermogen

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 613.159,- aan verlies aan arbeidsvermogen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden afgewezen. De berekening ten aanzien van deze schadepost is in strijd met andere bewijsmiddelen in het dossier. In aanvulling daarop geldt dat sekswerksters gelet op de sluiting vanwege COVID-19 in 2020 bijna geen inkomsten konden verwerven. Uit de berekening blijkt daarnaast ook niet in hoeverre het reëel is om tot de pensioengerechtigde leeftijd werkzaam te zijn als sekswerkster. Bovendien is er geen bewijs van inkomen van het slachtoffer uit haar werkzaamheden als sekswerkster, naast een enkele foto van het ‘kasboek’, overgelegd.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat nader onderzoek naar het gestelde inkomen is vereist. De raadsman heeft hierbij onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Tevens kan bij het overlijden van het slachtoffer geen aanspraak worden gemaakt op kosten voor verlies van arbeidsvermogen.

De raadsman heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat uit moet worden gegaan van een huurprijs van € 200,- per dag in plaats van € 150,- per dag, gelet op de verklaringen van de echtgenoot van het slachtoffer en haar collega-sekswerkster. Ook dient rekening te worden gehouden met nader te maken kosten, zoals de aanschaf van condooms en kleding.

De rechtbank stelt vast dat het voor sekswerksters na 15 maart 2020 vanwege COVID-19 (bijna) niet mogelijk was om te werken vanwege de sluiting van de seksindustrie. Het is onduidelijk welke gevolgen COVID-19 op het voortzetten van de werkzaamheden en het verblijf van het slachtoffer in Nederland zou hebben gehad. Uit de verklaring van de echtgenoot van het slachtoffer kan worden afgeleid dat het slachtoffer enkel in 2020 nog als sekswerkster in Amsterdam wilde werken. Het is onduidelijk of het slachtoffer daarna überhaupt nog zou gaan werken, of dit in Nederland of Roemenië zou zijn en hoeveel zij daarmee zou kunnen verdienen. De berekening van het verlies aan arbeidsvermogen is bovendien gebaseerd op het feit dat het slachtoffer de kostwinnaar was. Dit strookt niet met de verklaring van de echtgenoot van het slachtoffer waarin hij ook zegt te werken. De raadsman heeft daarnaast reële onderzoekswensen kenbaar gemaakt. De rechtbank stelt vast dat er ten aanzien van deze schadepost teveel onduidelijkheden zijn, om in het kader van deze procedure tot een vaststelling van de schade te komen. Voor het toekennen van een voorschot ziet de rechtbank gelet op de hiervoor geschetste onduidelijkheden evenmin aanleiding.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

Concluderend komen de volgende schadeposten en bedragen voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    Ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 6.465,-

  • -

    Eigen bijdrage CAK: € 3.894,94

Totaal: € 10.359,94

8.3.2.2 [echtgenoot] (echtgenoot van het slachtoffer)

Verplaatste schade

De benadeelde partij heeft – na mondelinge wijziging ter terechtzitting van 25 maart 2021 – een schadevergoeding gevorderd van € 2.546,40 aan materiële schade ten behoeve van gemaakte reiskosten. Deze gewijzigde berekening is gebaseerd op twee reizen in plaats van de eerder gevorderde drie reizen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden afgewezen, omdat de kosten niet kunnen worden aangemerkt als verplaatste schade. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor een enkele reis dienen te worden vastgesteld op € 285,02, omdat aansluiting moet worden gezocht bij de brandstofkosten in Roemenië. Ook dient aansluiting te worden gezocht bij de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding, waarin wordt geadviseerd enkel over de eerste 2.000 kilometer per jaar een bedrag van € 0,26 cent toe te kennen. Bij meer dan 2.000 kilometer wordt geadviseerd de vergoeding concreet vast te stellen. Ten aanzien van de tol geldt dat dit gedeelte van de schadepost onvoldoende is onderbouwd wegens het ontbreken van een bon of bankafschrift.

Voordat de rechtbank zich kan uitlaten over de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de verplaatste schade, zal zij een aantal (inleidende) beschouwingen wijden aan de betekenis van verplaatste schade.

De verplaatste schade is geregeld in artikel 6:107 eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en luidt thans:

“Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:

a. de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen; en

b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.”

De rechtbank verwijst voor de bedoeling van de wetgever naar de Nota van Wijziging:

“Een uitzondering is slechts gemaakt voor de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze, zo hij ze zelf had gemaakt, had kunnen terugvorderen, in de oorspronkelijke redactie te vinden in lid 1 onder c. Daarbij gaat het immers om een verplaatsing van de schade die de aansprakelijkheid van de schuldenaar in haar totaliteit niet verhoogt en het voordeel heeft dat derden zich van hun bereidheid deze kosten te maken niet behoeven te laten weerhouden door de omstandigheid dat zij de kosten niet en de gekwetste ze wel terug zou kunnen vorderen. Men denke bij voorbeeld aan geneeskundige of verpleegkosten, kosten voor voorzieningen die de revalidatie bevorderen, etc. Ook kunnen hieronder vallen kosten als bedoeld in oorspronkelijke redactie van het eerste lid onder d, mits de gekwetste, zo hij zelf de betreffende kosten voor de daar bedoelde personen zou hebben betaald (bij voorbeeld hen op zijn kosten had laten overkomen naar de plaats waar hij in het ziekenhuis verbleef), deze schade als door hem zelf geleden, van de aansprakelijke persoon had kunnen vorderen. Ook kan hieronder worden gebracht de schade van bij voorbeeld de echtgenoot die zich aan de verzorging van het slachtoffer wijdt, mits binnen de grenzen van de kosten die het slachtoffer had kunnen vorderen, wanneer hij daartoe een betaalde kracht zou hebben aangetrokken.” 1

De rechtbank stelt vast dat uit de Nota van Wijziging – kort gezegd – blijkt dat bij de kosten van derden die voor vergoeding in aanmerking komen gedacht moet worden aan geneeskundige, verpleeg- en revalidatiekosten, of bezoekkosten van personen met wie de gekwetste een nauwe persoonlijke of familierelatie heeft.2

Over de verplaatste schade is tot slot in de Memorie van Toelichting het volgende te lezen:

“Derden hebben geen aanspraken, tenzij het gaat om zogenoemde «verplaatste schade», dat wil zeggen schade die bestaat uit kosten die derden hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer en die de gekwetste zelf had kunnen vorderen, indien hij deze kosten zelf had gemaakt. Dit limitatieve en exclusieve stelsel (neergelegd in de artikelen 6:107 en 6:108 van het BW) brengt met zich dat de wenselijkheid van vergoeding van schade die niet uitdrukkelijk is vastgelegd in de wet, onderwerp van debat is in de rechtswetenschappelijke literatuur en door de rechter moet worden bepaald.” 3

De rechtbank wijst de schadepost integraal toe. Het is – zo blijkt uit de hierboven weergegeven passages uit de Parlementaire Geschiedenis – de bedoeling van de wetgever geweest om reiskosten ten behoeve van bezoek aan de gekwetste voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Dit heeft in dit geval het voordeel dat de echtgenoot van het slachtoffer haar kan bezoeken, zonder dat hij zich van zijn bereidheid behoeft te laten weerhouden deze kosten te maken, omdat hij deze kosten niet zou kunnen terugvorderen. De rechtbank benadrukt daarnaast dat het wenselijk is om de reiskosten van de echtgenoot van het slachtoffer te laten vergoeden door de aansprakelijke persoon, zijnde verdachte. Het slachtoffer heeft met haar echtgenoot immers een nauwe persoonlijke relatie.

De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het forfaitaire bedrag per kilometer zoals blijkt uit de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. De rechtbank ziet geen reden om het forfaitaire bedrag boven de 2.000 kilometer te wijzigen, omdat de gemaakte kilometers concreet kunnen worden vastgesteld. Tot slot merkt de rechtbank op dat het aannemelijk is dat de echtgenoot van het slachtoffer tol heeft betaald. Dat ten aanzien van dit gedeelte van de schadepost geen bon of bankafschrift is overgelegd, doet hieraan niets af.

Deze schadepost komt tot een bedrag van € 2.546,40 voor vergoeding in aanmerking.

8.3.3

Immateriële schade

8.3.3.1 [slachtoffer] (het slachtoffer)

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 150.000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de schadepost niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er geen sprake is van een medische eindtoestand. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de schadepost gedeeltelijk moet worden afgewezen, omdat de duur van het leed op dit moment nog niet kan worden bepaald.

De rechtbank stelt – in tegenstelling tot de raadsman – vast dat, hoewel geen sprake is van een medische eindtoestand, wel vast staat dat bij het slachtoffer sprake is van een onomkeerbare verslechtering. De toestand van het slachtoffer zal naar verwachting progressief verslechteren en de prognose is op termijn infaust. Dat het slachtoffer sinds het strafbare feit in een comateuze situatie verkeert en haar levensverwachting onbekend is, staat er niet aan in de weg om nu een bedrag aan smartengeld te begroten.

Dit plaatst de rechtbank voor de vraag op welk bedrag het smartengeld waarop het slachtoffer recht heeft moet worden begroot. Ingevolge artikel 6:106 lid 1 BW dient het smartengeld naar billijkheid te worden vastgesteld. Die vaststelling geschiedt met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder (maar daartoe niet beperkt) de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer.

Voorts dient bij de begroting, indien mogelijk, te worden gelet op vergelijkbare gevallen.

De zwaarte van het aan verdachte te maken verwijt is zoals reeds in dit vonnis is overwogen, zwaar. Uit het hiervoor overwogene blijkt eveneens dat de aard van het letsel van het slachtoffer zeer ernstig is. Voorts is van belang dat enig herstel in de toekomst wordt uitgesloten en dat de prognose op termijn infaust is. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer ten tijde van het strafbare feit 37 jaar was. De rechtbank heeft bij het te bepalen bedrag gelet op de hoogte van het smartengeld in vergelijkbare gevallen. Gelet hierop zal de rechtbank de immateriële schade tot dusver begroten op € 100.000,-. Zij doet dat als voorschot, vanwege alle onzekere (toekomstige) aspecten. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk.

8.3.3.2 [echtgenoot] (echtgenoot van het slachtoffer) en [dochter] (dochter van het slachtoffer)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft ten aanzien van [echtgenoot] betwist dat er sprake is van een dermate nauwe affectieve relatie tussen hem en het slachtoffer. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de schadepost gedeeltelijk dient te worden afgewezen, omdat toewijzing van het volledige bedrag onaanvaardbaar is.

Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en voor nabestaanden van overleden slachtoffers. Het ernstig letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. Uit artikel 6:107 BW volgt welke naasten recht hebben op een vergoeding van de affectieschade. De benoemde kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, de echtgenoot van de gekwetste (lid 2 sub a) en het kind van de gekwetste (lid 2 sub d).

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de zeer nauwe affectieve band tussen [echtgenoot] en het slachtoffer. Enkel op basis van de inhoud van de WhatsApp-gesprekken tussen hen kan al worden geconcludeerd dat zij op dagelijkse basis met elkaar communiceren.

Het door [echtgenoot] en [dochter] gevorderde bedrag is het bedrag dat op grond van het Besluit Vergoeding Affectieschade geldt voor de echtgenoot en het kind van het slachtoffer dat als gevolg van een misdrijf ernstig en blijvend letsel heeft. Gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader komen de gevorderde vergoedingen van € 17.500,- aan affectieschade voor vergoeding in aanmerking.

8.3.4

Voorwaardelijke vorderingen [echtgenoot] en [dochter]

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de voorwaardelijke vorderingen van [echtgenoot] en [dochter] .

De raadsman heeft verzocht de voorwaardelijke vorderingen van [echtgenoot] en [dochter] af te wijzen, omdat het slachtoffer niet is overleden.

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun voorwaardelijke vorderingen.

8.3.5

Eigen schuld

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de eigen schuld van het slachtoffer.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Om die reden zou een matiging met 50 procent moeten plaatsvinden ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [echtgenoot] en [dochter] .

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat de billijkheid bij zeer ernstig letsel, in afwijking van de hoofdregel bij eigen schuld, vereist dat de schade op een andere wijze wordt verdeeld tussen verdachte en het slachtoffer. Vanwege de ernst van het letsel en de grote negatieve financiële gevolgen voor het slachtoffer dient de schade (bijna) volledig door verdachte te worden vergoed, ongeacht de rol die het slachtoffer in de aanloop daarnaartoe heeft gehad.

Uit het procesdossier volgt dat het slachtoffer voorafgaand aan het strafbare feit verdachte aanzienlijke geldbedragen afhandig heeft gemaakt, hetgeen te zien is in de transacties van verdachte via het mobiele pinautomaat. Het is aannemelijk dat verdachte door het slachtoffer onder druk is gezet om deze betalingen te verrichten. Hier lag, gelet op het WhatsApp-gesprek met haar echtgenoot zoals reeds overwogen, duidelijk een plan aan ten grondslag. Deze gedragingen kunnen aan het slachtoffer worden toegerekend.

Om een deel van de schade voor rekening van het slachtoffer te laten, dient aan een tweetal voorwaarden te zijn voldaan. De eerste is dat haar gedragingen hebben bijgedragen aan haar letsel. De tweede voorwaarde is dat de billijkheid vanwege de uiteenlopende ernst van de fouten en andere omstandigheden van het geval niet eist dat verdachte volledig aansprakelijk is voor het letsel van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van het slachtoffer hebben bijgedragen aan de omstandigheden die hebben geleid tot het strafbare feit. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de verklaringen van verdachte zelf, de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen de gedragsdeskundigen hierover hebben gerapporteerd. Het gedrag van het slachtoffer veroorzaakte voor verdachte een zodanig stresserende situatie dat dit uiteindelijk heeft geleid tot het door verdachte toegepaste geweld en het letsel van het slachtoffer.

Op grond van artikel 6:101 BW dient de schade dan te worden verdeeld over het slachtoffer en verdachte in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht van verdachte geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Voor de verdeling van de schade van de benadeelde partijen over verdachte en het slachtoffer neemt de rechtbank het volgende als uitgangspunt. De gedragingen van het slachtoffer leiden op basis van het voorgaande tot een verdeling van de aansprakelijkheid van 25 procent voor het slachtoffer en 75 procent voor verdachte. De billijkheid vereist voor de letselschade van het slachtoffer echter een andere verdeling. Dit vanwege de ernst van de door verdachte gemaakte fout en de ernst van het gevolg van het bij het slachtoffer ontstane letsel. Het door verdachte toegepaste geweld, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, wordt als ‘zeer heftige geweldsinwerkingen’ gedefinieerd. Bovendien is sprake van vier punten van impact op zeer kwetsbare delen van het lichaam. Hierbij is het slachtoffer zo ernstig gewond geraakt dat zij in coma is geraakt, waarbij het niet de verwachting dat zij hieruit zal ontwaken. De billijkheidscorrectie leidt naar het oordeel van de rechtbank daarom in dit geval tot een verdeling van de aansprakelijkheid van 10 procent voor het slachtoffer en 90 procent voor verdachte.

De raadsman heeft in zijn pleidooi de eigen schuld van het slachtoffer bepleit. De rechtbank gaat er, gelet op zijn algemene standpunt, vanuit dat het de bedoeling van de raadsman is geweest om ook matiging te laten plaatsvinden ten aanzien van de vordering van het slachtoffer.

8.3.6

Conclusie

Verdachte moet de navolgende benadeelde partijen een schadevergoeding betalen:

8.3.6.1 [slachtoffer] (het slachtoffer)

Na de eigen schuld correctie komt het bedrag neer op:

Materiële schade: € 10.359,94 x 90 % € 9.323,95

Immateriële schade: € 100.000,- x 90 % € 90.000,-

8.3.6.2 [echtgenoot] (echtgenoot van het slachtoffer)

Na de eigen schuld correctie komt het bedrag neer op:

Materiële schade: € 2.546,40 x 90 % € 2.291,76

Immateriële schade: € 17.500 x 90 % € 15.750,-

8.3.6.3 [dochter] (kind van het slachtoffer)

Na de eigen schuld correctie komt het bedrag neer op:

Immateriële schade: € 17.500 x 90 % € 15.750,-

8.3.6.4 Wettelijke rente, overige kosten en de schadevergoedingsmaatregelen

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2020.

Omdat de vorderingen van de benadeelde partijen in overwegende mate worden toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregelen opleggen, aangezien verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit aan de benadeelde partijen is toegebracht.
Voor wat betreft de aan deze schadevergoedingsmaatregelen bij niet betaling verbonden gijzeling zal de rechtbank deze naar rato van de toegewezen schadevergoedingen verdelen, aangezien de gijzeling niet voor meer dan een jaar mag worden opgelegd. Op 1 maart 2020 gold de regeling dat onder een jaar 360 dagen wordt verstaan.

9 Beslag

9.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het geld mag worden teruggegeven aan verdachte. De flessen, zak, pil en medicijnen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van het geld.

Wat betreft de overige inbeslaggenomen goederen (flessen, een zak, een pil en medicijnen) overweegt de rechtbank als volgt. Een voorwerp is alleen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer voor zover het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang (artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht) of als het aan de dader of de verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, en het bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, maar alleen indien het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan (artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht).

Het ongecontroleerde bezit van flessen, een zak, een pil en medicijnen is niet in strijd met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze voorwerpen te onttrekken aan het verkeer. Ook voor verbeurdverklaring zijn deze goederen niet vatbaar.

De enige rechtens toegestane en verantwoorde beslissing die de rechtbank kan nemen is bewaring ten behoeve van de rechthebbende (artikel 353, tweede lid onder c van het Wetboek van Strafvordering). In geval naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is dat degene onder wie is inbeslaggenomen geen recht heeft op de items, staat het de rechtbank vrij de bewaring te gelasten. Het Openbaar Ministerie kan dan te zijner tijd, na ommekomst van de daarvoor geldende bewaartermijn, alsnog een beslissing nemen met betrekking tot deze items.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38z, 45 en 287 Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

primair:

poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 99.323,95 (zegge: negenennegentigduizenddriehonderddrieëntwintig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 9.323,95 materiële schade en € 90.000,- immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering tot materiële schadevergoeding en het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 99.323,95, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 269 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [echtgenoot]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [echtgenoot] , van een bedrag van € 18.041,76 (zegge: achttienduizendeenenveertig euro en zesenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 2.291,76 materiële schade en € 15.750,- immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering tot materiële schadevergoeding en het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [echtgenoot] van een bedrag van € 18.041,76, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 49 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de voorwaardelijke vordering van de benadeelde partij [echtgenoot]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [dochter]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [dochter] , van een bedrag van € 15.750,- (zegge: vijftienduizendzevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering tot materiële schadevergoeding en het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter] van een bedrag van € 15.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 42 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de voorwaardelijke vordering van de benadeelde partij [dochter]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Beslag

Gelast de teruggave aan beslagene van:

10 EUR, goednummer 5897922.

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende:

  • -

    1 FLS Fles, goednummer 5891913;

  • -

    6 FLS Fles, goednummer 5891919;

  • -

    1 STK Zak, goednummer 5891924;

  • -

    10 STK Pil, goednummer 5893000;

  • -

    17 STK Medicijn, goednummer 5893002.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. L. Dolfing en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Kanters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2021.

1 Parl. Gesch. BW Inv. Boek 6, 1990, p. 1288.

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 20 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN2818, r.o. 4.6.1.

3 Kamerstukken II, 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 1-2.