Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1624

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
13/751740-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overlevering. EAB Polen. Vervolging. Geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden voor een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751740-19

RK nummer: 20/1722

Datum uitspraak: 6 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2019 door the Regional Court in Radom (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 11 juni 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 juni 2020. Het verhoor heeft via videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Onder verwijzing naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729) waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om iemand langer dan de 90 dagentermijn gedetineerd te houden, is het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen wegens het bestaan van zeer groot vluchtgevaar

Tussenuitspraak 25 juni 2020

In de tussenuitspraak van 25 juni 2020 is het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde het verloop in een andere Poolse overleveringszaak af te wachten. In deze procedure (ECLI:NL:RBAMS:2020:2938) zijn op 31 juli 2020 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).

Zitting 23 maart 2021

De rechtbank heeft op 23 maart 2021 met instemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment van de schorsing op 25 juni 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding – is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Blaauw, en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of the District Court in Radom of 30 January 2017 in case no. II Kp 334/16.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de tussenuitspraak van 25 juni 2020, met daaraan gehecht het hiervoor bedoelde onderdeel e), is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Tussenuitspraak 25 juni 2020

In de tussenuitspraak van 25 juni 2020 is reeds geoordeeld over de strafbaarheid van de feiten, over het gevoerde onschuldverweer, het beroep op gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6 OLW en op het verweer met betrekking tot de detentieomstandigheden in Polen. Deze overwegingen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De rechtbank merkt op dat de Overleveringswet op onderdelen is gewijzigd en dat deze Herimplementatiewet op 1 april 2021 in werking is getreden. Toetsing aan de gewijzigde bepalingen leidt niet tot andere oordelen dan die volgen uit voornoemde tussenuitspraak.

Ten aanzien van het gelijkstellingsverweer heeft de raadsman op de zitting van 23 maart 2021 een inkomensverklaring 2020 overgelegd. Inkomensverklaringen met betrekking tot de vier daaraan voorafgaande jaren zijn al in een eerder stadium in de procedure gebracht. De raadsman heeft betoogd dat met de thans overgelegde verklaring over 2020 is aangetoond dat gedurende 5 onafgebroken jaren sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid die niet louter marginaal en bijkomstig was. Ten aanzien van de ongewenstverklaring van de opgeëiste persoon heeft de raadsman verwezen naar zijn eerder ingenomen standpunt dat uitgegaan moet worden van een rechtmatig verblijf gedurende meer dan 5 jaren.

De rechtbank overweegt dat het opnieuw gevoerde verweer en de nieuwe inkomensgegevens niet (alsnog) leiden tot een geslaagd gelijkstellings-verweer. De opgeëiste persoon is ongewenst verklaard in mei 2013. Bij beschikking van 20 maart 2020 is de ongewenstverklaring opgeheven. Deze beslissing heeft geen terugwerkende kracht zodat in de periode vanaf mei 2013 tot 20 maart 2020 geen sprake is geweest van rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 67, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000.

5. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de

grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat gelet op de recente ontwikkelingen niet te verwachten valt dat de opgeëiste persoon in Polen een eerlijk proces te wachten staat. De raadsman heeft hierbij gewezen op het feit dat de rechtbank niet heeft onderzocht welk gerecht de zaak van de opgeëiste persoon zal behandelen en of er tuchtprocedures werden of worden gevoerd tegen rechters in die rechtbank. Voorts heeft de raadsman over de specifieke zaak van de opgeëiste persoon aangevoerd dat een eerder executie-EAB niet is toegestaan in 2018. Verder is de

oom van de opgeëiste persoon, [persoon] , die in [plaats] woont, altijd politiek actief geweest binnen een politieke opponent van de [naam politieke partij 1] , te weten [partij] , een politieke partij met linkse standpunten in economische zaken, en traditioneel katholieke standpunten in ethische kwesties. Later werd deze oom actief binnen de [naam politieke partij 2] , een centrum-linkse (sociaaldemocratische) partij. [persoon] heeft altijd gevochten tegen corruptie. Verder zal - bijvoorbeeld - de persoon van het (vermeende) slachtoffer ervoor kunnen zorgen dat het proces van de opgeëiste persoon wordt beïnvloed. In zijn algemeenheid geldt tot slot uiteraard dat de zaak van de opgeëiste persoon een van de zaken is die lange tijd is aangehouden in afwachting van het beantwoorden van vragen en

de prejudiciële procedure. De zaak van de opgeëiste persoon zal in de belangstelling kunnen komen te staan op het moment dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wordt overgeleverd, aldus de raadsman.

In het kader van de vraag of sprake is van een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ heeft de raadsman verwezen naar een recente uitspraak van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 (ECLI:EU:C:2021:153) en gesteld dat op basis van deze uitspraak gesteld moet worden dat geen sprake is van een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit”. Subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de hoogste Poolse bestuursrechter aan de hand van deze uitspraak van het Hof van Justitie.

De raadsman heeft gelet op het gevoerde verweer verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Als de rechtbank niet reeds nu tot dit oordeel komt, dan verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten te vragen hoe het staat met de tuchtprocedures in Radom. Hetzelfde zou gevraagd moeten worden met betrekking tot het gerecht dat de zaak van de opgeëiste persoon in hoger beroep zou beoordelen. De raadsman zou dan ook graag het dossier in de specifieke strafzaak (vertaald) willen ontvangen. Aan de hand van de processtukken en eventuele andere nadere informatie zou een beter beeld gevormd kunnen worden daar waar het gaat om de specifieke zaak van de opgeëiste persoon en dus over het verloop van zijn proces.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De vragen 1 en 2 in de Poolse rechtstaatkwestie zijn beantwoord. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan gezegd kan worden dat de opgeëiste persoon een gevaar loopt op een oneerlijk proces in Polen. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.

5.3

Oordeel van de rechtbank

5.3.1

De hoedanigheid van “rechterlijke autoriteit”

In haar uitspraak van 27 januari 2021 heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 20201 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)) geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat dit arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn er in deze zaak geen gegevens voorhanden met betrekking tot the Regional Court in Radom die tot een diskwalificatie als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” zouden kunnen leiden. De door de raadsman aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 (ECLI:EU:C:2021:153) maakt dit niet anders en geeft ook geen aanleiding het onderzoek aan te houden.

5.3.2

Artikel 47 Handvest / artikel 11 OLW

De rechtbank merkt allereerst op dat de Overleveringswet op onderdelen is gewijzigd en dat deze Herimplementatiewet op 1 april 2021 in werking is getreden. Met deze inwerkingtreding is ook artikel 11 OLW gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt:

Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.

Het oordeel dat de systemische gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben voor alle gerechten en voor alle rechters brengt mee dat die systemische gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gerechten die bevoegd zijn om kennis te nemen van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon.

Gelet op het arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) ligt daarom aan de rechtbank ter beoordeling voor of er, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context van de uitvaardiging van het EAB, en rekening houdend met de eventueel door Polen verstrekte gegevens, sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het gevaar bestaat van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, als de opgeëiste persoon aan Polen wordt overgeleverd.

Het is in beginsel aan de opgeëiste persoon om, waar mogelijk, concrete informatie te verstrekken over zijn persoonlijke situatie, de aard van het betrokken feit of de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd, die relevant kan zijn bij de beoordeling of een dergelijke schending zal plaatsvinden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon dergelijke concrete informatie niet verstrekt. Wat de opgeëiste persoon stelt over zijn politiek actieve oom, alsmede, het feit dat in 2018 een ander EAB met betrekking tot andere feiten is geweigerd en ook de stelling dat het (vermeende) slachtoffer ervoor zou kunnen zorgen dat het proces van de opgeëiste persoon wordt beïnvloed, zijn niet voldoende om aan te nemen dat de opgeëiste persoon bij overlevering aan Polen een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in Polen zal worden geschonden. Het verweer geeft ook geen aanleiding de zaak aan te houden voor het verkrijgen van nadere informatie.

De overige aangevoerde feiten en omstandigheden betreffen de algemene situatie in Polen en kunnen derhalve niet worden aangemerkt als concrete informatie betreffende zijn persoonlijke situatie, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context van de uitvaardiging van het EAB.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon bij overlevering aan Polen een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.

5.3.3

Conclusie

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is om te concluderen dat het EAB niet is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de opgeëiste persoon vastgesteld dat niet is gebleken dat hij in geval van overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht in Polen zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Dat betekent dat op deze punten geen beletsel bestaat om de overlevering toe te staan; de weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie, de artikelen 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Radom, Polen.

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 C354/20 PPU en C412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033.