Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1610

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
C/13/694448 / FA RK 20-8344
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek van vader om het eenhoofdig gezag wordt afgewezen. De kinderen zijn van jongs af aan uit huis geplaatst (staan onder voogdij) en willen geen contact met de vader (artikel 1:253c lid 4 van het Burgerlijk Wetboek)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/694448 / FA RK 20-8344

Beschikking van 3 maart 2021

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld te Haarlem.

tegen

De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Alkmaar,

hierna te noemen DJGB.

[de moeder] is de moeder.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoek van 11 december 2020, ingekomen op 14 december 2020;

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021.

Verschenen zijn: de vader en zijn advocaat, en de heer R. Diktas, namens DJGB.

2 De feiten

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beƫindigd in 2007. Uit deze relatie zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004;

  • -

    [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 mei 2011 is de moeder ontheven uit het gezag over de minderjarigen en is Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam met de voogdij belast.

De minderjarigen zijn bij akte van 3 januari 2013 erkend door de vader.

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 oktober 2013 is het verzoek van vader om hem te belasten met het gezag afgewezen, is Bureau Jeugdzorg ontslagen in haar bediening en is Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Alkmaar, thans genoemd De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, benoemd tot voogdes.

De vader heeft op 2 juli 2020 aan DJGB verzocht om het gezag aan hem over te dragen, waarop DJGB bij e-mailbericht van 21 juli 2020 aan de vader heeft bericht hiermee niet in te stemmen.

De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de kinderrechter te geven en hebben op 2 februari 2021 in een afzonderlijk kindgesprek per telefoon hun mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

[minderjarige 1] woont op een groep bij Pluryn, en [minderjarige 2] is gesloten geplaatst in de Koppeling.

3 Het verzoek

De vader verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader te belasten met eenhoofdig gezag over zijn zoons [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

4 Standpunten

De vader legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij nimmer het gezag heeft uitgeoefend en het verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Hiervan is niet gebleken, integendeel; de vader heeft een stabiele situatie, accepteert alle hulp, houdt van zijn zoons en wil graag voor hen zorgen. De vader voert verder aan dat hij sinds de plaatsing van [minderjarige 2] in de Koppeling geen contact meer met hem heeft gehad, omdat [minderjarige 2] dat niet wil. De voogdijinstelling heeft toegezegd te werken aan contactherstel, maar vader wordt nergens bij betrokken en heeft niets te zeggen. [minderjarige 2] lijkt nu ook een leven in instellingen tegemoet te gaan, terwijl hij bij zijn eigen vader terecht kan. Met [minderjarige 1] is al langere tijd geen contact en er is niets gebleken van pogingen vanuit de voogdijinstelling om herstel te bewerkstelligen.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek zijn standpunt omtrent het verzoek aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Hij verklaart dat hij niet wil dat zijn vader het gezag krijgt omdat hij zijn vader al lange tijd niet heeft gezien en het raar zou vinden als hij de belangrijke beslissingen zou nemen. [minderjarige 1] verklaart voorts dat het goed met hem gaat en hij zich vrij voelt om contact te hebben met zijn vader, maar daar nu niet echt behoefte aan heeft.

De minderjarige [minderjarige 2] heeft eveneens zijn standpunt omtrent het verzoek aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Hij verklaart dat hij niet wil dat zijn vader het gezag over hem krijgt en hij nu ook geen contact wil hebben. Hij heeft wel af en toe contact met zijn pleegmoeder. Hij gaat verder goed met hem en hij mag over een week weg uit de Koppeling naar een open groep.

De advocaat van de vader bepleit ter zitting dat toewijzing van het verzoek in het belang van de kinderen is. De vader heeft al lang de wens om met het gezag te worden te belast, zijn situatie is stabiel en de vader wil samenwerken met de hulpverlening. De vader beseft dat de kinderen gedragsproblemen hebben, en dat daar hulp voor nodig is, maar dat er nooit iets kwalijks is gebeurd bij vader, zodat er geen reden is dat de kinderen niet bij de vader, maar in instellingen opgroeien. Er is ook nooit onderzoek naar gedaan wat de kinderen nodig hebben en of zij bij vader kunnen wonen. Daarnaast wordt de vader nergens bij betrokken en voor uitgenodigd. Hierbij moet niet de wens van het kind, maar het belang van het kind voorop staan. Er is in het verleden altijd goed contact geweest, zodat tegen de wens van de kinderen ingaan, in hun belang kan zijn. De vader begrijpt dat de kinderen problemen hebben, maar kan als hij het gezag krijgt, in contact treden met de hulpverlening en als team kijken wat in hun belang is, en ook hoe het contact weer kan worden opgebouwd.

De vader vult aan dat hij er als vader voor zijn kinderen wil zijn, en zij altijd welkom zijn.

DJGB verweert zich ter zitting en stelt dat het niet in het belang van de kinderen is als de vader met het gezag wordt belast. De twee jongens zijn stellig in hun wens geen contact te hebben met de vader en willen ook niet dat hun vader het gezag over hen krijgt. Daarnaast zijn de kinderen van jongs af aan in hun ontwikkeling bedreigd, waarbij het ook de vader niet is gelukt om hierin verandering te brengen. De kinderen hebben een belast verleden, waarbij sprake is van ernstige hechtingsproblematiek. De kinderen zijn erg kwetsbaar, wat ook het contact met de vader lastig maakt. De vader is erg betrokken, en heeft erg zijn best gedaan om de thuisplaatsing van [minderjarige 2] vorig jaar te laten slagen. De vader zag toen ook in dat hulpverlening nodig is, ook om het contact te herstellen. Tot nu toe is het niet gelukt dit te herstellen. Contactherstel is altijd een aandachtspunt geweest, maar DJGB kan de kinderen niet dwingen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn 16 en 14 jaar oud, zodat DJGB niet om hun wens geen contact te hebben heen kan. [minderjarige 2] wil ook niet dat de vader bij overleggen in de Koppeling aanwezig is. Dit is ook de reden dat de vader hiervoor niet wordt uitgenodigd, omdat het belang van [minderjarige 2] en zijn wens voor DJGB voorop staat. Daarnaast gaat het nu de goede kant op met de kinderen en zou het niet goed zijn door middel van het toekennen van het gezag aan de vader, deze ontwikkeling te verstoren. [minderjarige 1] zal in maart/april worden teruggeplaatst naar zijn pleegmoeder en [minderjarige 2] gaat naar een open groep in Amsterdam West, en zal vanuit daar gaan werken richting zelfstandigheid. Het is belangrijk dat wordt gewerkt aan het onderlinge contact tussen de vader en kinderen, en dit uit te bouwen, maar dit staat los van het gezag.

De DJGB verklaart desgevraagd dat de vader recht heeft op informatie over de kinderen, maar hierbij voor [minderjarige 1] geldt dat hij 16 jaar oud is, en DJGB dan geen informatie mag geven zonder zijn toestemming. De kinderen hebben er ook last van dat de vader juridische procedures voert.

5 De beoordeling

Uit artikel 1:253c lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat, wanneer een voogd het gezag uitoefent, het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder alleen met het gezag te belasten, wordt afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van dit verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De rechtbank stelt vast dat beide kinderen al van jongs af aan uit huis geplaatst zijn. Het zijn kwetsbare kinderen die gezien hun problematiek specifieke zorg nodig hebben, maar het gaat nu goed met hen. [minderjarige 1] zal binnenkort weer bij zijn pleegmoeder gaan wonen en [minderjarige 2] op een open groep in Amsterdam West. Voor beide jongens geldt aldus dat wonen bij vader geen optie is. Daarbij geven zij op dit moment allebei aan geen behoefte te hebben aan contact met de vader en willen zij vanwege het feit dat er geen contact is ook niet dat hun vader gezagsbeslissingen over hen zou kunnen nemen.

De rechtbank is het met de vader eens dat het zorgelijk is dat er geen contact is tussen de vader en zijn zoons en verwacht dan ook van DJGB dat blijvend zal worden gewerkt aan contactherstel. Daarnaast is het belangrijk dat de vader op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen in het leven van zijn kinderen. De vader is immers een betrokken vader die het beste voor heeft met zijn zoons en die vorig jaar zelfs nog enige tijd de zorg voor [minderjarige 2] heeft gedragen. Het is ontzettend jammer dat deze plaatsing niet is gelukt en zelfs voor een verslechtering van de verstandhouding tussen de vader en [minderjarige 2] heeft gezorgd. Misschien dat het inzetten van meer hulpverlening, zoals de vader had gevraagd, dit had kunnen voorkomen, maar anderzijds moet er ook rekening mee worden gehouden dat de problematiek van [minderjarige 2] meer opvoedvaardigheden van de vader vergt dan hij kon bieden. Hoe het ook zij, op dit moment is zoals gezegd geen sprake van contact tussen de vader en zijn zoons en lijkt bij beide jongens sprake van een voorzichtig positieve ontwikkeling. De rechtbank is gelet op de weerstand die de jongens nu voor hun vader voelen van oordeel dat het toekennen van gezag aan de vader deze ontwikkeling zou kunnen verstoren. Daarbij is het ook in praktische zin niet doenlijk om op een adequate manier het gezag uit te oefenen wanneer er geen enkele vorm van contact is. Zeker gelet op de leeftijd van de jongens is contact en overleg een basisvereiste om de juiste belangrijke beslissingen te kunnen nemen. Nu dit ontbreekt is de rechtbank van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij toewijzing van het verzoek van de vader zullen worden verwaarloosd, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek van de vader hem te belasten met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. E.M. Devis, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Koningsberger, griffier, op 3 maart 2021.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.