Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
13/845187-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door in 2018 opzettelijk een onjuiste kwartaalaangifte omzetbelasting te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2021/0926 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845187-18 (Promis)

Datum uitspraak: 2 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[B.V. 1] ,

gevestigd op het [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2021. Van verdachte (hierna: [B.V. 1] ) is geen vertegenwoordiger verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.I.M. Geertsema.

2 Aanleiding en beschuldiging

De Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar een ingediende aangifte omzetbelasting van [B.V. 2] omdat er een opvallend verschil te zien was in de opgegeven omzet vergeleken met de voorgaande kwartalen. Vervolgens is het onderzoek uitgebreid naar [B.V. 1] . Het vermoeden is dat [B.V. 1] op 12 juli 2018 opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft ingediend.

De tenlastelegging staat in de bijlage.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Uit het dossier blijkt dat de door [B.V. 1] geclaimde voorbelasting niet kan worden onderbouwd. [B.V. 1] heeft geen inkopen en geen verkoopomzet. Op de bankrekening van [B.V. 1] komt geen geld binnen, los van terug ontvangen omzetbelasting, en vanaf de bankrekening worden geen betalingen gedaan.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Op 12 juli 2018 is de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2018 van [B.V. 1] binnengekomen bij de Belastingdienst. In de aangifte is voorbelasting geclaimd. [B.V. 1] heeft in de aangifte € 14.763 teruggevraagd van de Belastingdienst. Uit de gegevens van de bankrekening waar [B.V. 1] gebruik van maakt, blijkt dat in de periode van 7 januari 2016 tot 14 februari 2018 geen betalingen of ontvangsten inzake in- of verkoopfacturen zijn geweest.2

Op 20 juli 2018 heeft de Belastingdienst informatie opgevraagd over de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2018. Op 16 augustus 2018 heeft de Belastingdienst een brief ontvangen met diverse in- en verkoopfacturen van [B.V. 1] , bankafschriften en een specificatie van de voorbelasting over het 2e kwartaal van 2018. De aangeleverde facturen betreffen onder meer drie inkoopfacturen van [B.V. 3] . Het bankrekeningnummer dat op de facturen staat is geen bankrekeningnummer van [B.V. 3] .3 [B.V. 3] is niet bekend met firma’s van [B.V. 1] .4[B.V. 1] heeft op 16 augustus 2018 een ING bankschrift, gedateerd 7 augustus 2018, aangeleverd bij de Belastingdienst. Het bankrekeningnummer wat op het afschrift staat, is niet van [B.V. 3] . De betalingen aan [B.V. 3] komen niet voor in het van de ING-Bank ontvangen Excelbestand met mutaties op de bankrekening waar [B.V. 1] gebruik van maakte.5

[B.V. 1] heeft op 16 augustus 2018 twee stukken aan de Belastingdienst verstrekt: een factuur gericht aan [B.V. 4] , met een betalingstermijn van 45 dagen en een afschrift van de ING bankrekening van [B.V. 1] , met daarop: "Bijschrijvingen: [B.V. 4] , omschrijving " [B.V. 4] ”6 [naam medewerker] , werkzaam bij [B.V. 4] , heeft verklaard dat facturen gericht moeten worden aan één van de negen verkoopbedrijven, niet aan [B.V. 4] Daarnaast hanteert [B.V. 4] een betaaltermijn van 30 dagen en zegt de [naam ] hem niets.7 In het door ING aangeleverde Excelbestand van de bankrekening die [B.V. 1] gebruikt, staat geen ontvangst van [B.V. 4]8

Bewijsoverwegingen

De rechtbank vindt dat bewezen kan worden dat [B.V. 1] een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft ingediend over het tweede kwartaal van 2018. Uit de gegevens van de bankrekening van [B.V. 1] blijkt dat er geen geld binnenkomt of uitgaat wat betrekking heeft op de betaling van inkoopfacturen of ontvangsten van verkoopfacturen. Er is niet gebleken van enige bedrijvigheid in de vennootschap.

Strafbaarheid van de rechtspersoon

Een rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het indienen van een onjuiste aangifte omzetbelasting kan worden toegerekend aan [B.V. 1] , omdat deze gedraging in de sfeer van de rechtspersoon gebeurde en ze past in de normale bedrijfsvoering van de B.V. De rechtbank vindt dus bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door [B.V. 1] is gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.2 bewezen dat

[B.V. 1] op 12 juli 2018 in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één aangifte voor de omzetbelasting op naam van [B.V. 1] over het tweede kwartaal van het jaar 2018, onjuist heeft gedaan, immers heeft [B.V. 1] in de ingediende aangifte omzetbelasting een onjuist bedrag aan belastbare omzet en terug te ontvangen voorbelasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [B.V. 1] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [B.V. 1] uitsluit. [B.V. 1] is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat [B.V. 1] moet worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

[B.V. 1] heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door in 2018 opzettelijk een onjuiste kwartaalaangifte omzetbelasting te doen, waarbij een fictief bedrag aan omzet en voorbelasting is opgegeven. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat een bedrijf een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft [B.V. 1] misbruik gemaakt.

De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 5.000 passend en legt die dan ook op aan [B.V. 1] .

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon .

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [B.V. 1] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2021.

[Bijlage]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier, volgens de daarin toegepaste nummering. AMB staat voor ambtshandeling, waarbij het steeds gaat om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. DOC staat voor document, waarbij het steeds gaat om geschriften. De inhoud van elk bewijsmiddel wordt alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud daarvan, kennelijk betrekking heeft.

2 AMB-007-A en AMB-007-B.

3 AMB-026, DOC-026-B, DOC-026-C en DOC-026-D.

4 AMB-035.

5 AMB-026 en DOC-026-A.

6 AMB-026, DOC-021-B en DOC-021-A.

7 G-004-01.

8 AMB-026.