Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1522

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
AMS 18/6312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De vergunning kon niet o.b.v. het bestemmingsplan worden verleend, omdat het tot een toename van het aantal woningen leidt. De jurisprudentie over artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor is niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/6312


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [naam] en [naam] .)

Conclusie

1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gevraagde ligplaatsvergunningen terecht geweigerd. Eiser heeft namelijk niet eerst een omgevingsvergunning verkregen. Die had hij wel nodig, omdat het innemen van een ligplaats op de [locatie] in [plaatsnaam] in strijd is met het aldaar geldende bestemmingsplan. Verder volgt de rechtbank niet dat de vergunningprocedure onrechtmatig is verlopen.

Wat ging er aan deze uitspraak vooraf?

2. Eiser heeft op 26 augustus 2013, bij verweerder ontvangen op 27 maart 2014, een adviesaanvraag omgevingsvergunning ingediend voor twee ligplaatsen ter hoogte van nummers [nummer] tot [nummer] van de [locatie] in [plaatsnaam] . De aanvraag ziet op twee bemande passagiersvaartuigen van twintig meter lang en 4,25 meter breed. Op 20 november 2017 heeft eiser een gesprek gehad met verweerder over de adviesaanvraag. In reactie op verweerders email van 1 december 2017 waarin eiser wordt gevraagd of deze aanvraag is ingediend voor een ligplaatsvergunning of een omgevingsvergunning, bericht eiser per e-mail van 5 december 2017 dat het gaat om een aanvraag ligplaatsvergunning.

3. Bij besluit van 16 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de ligplaatsvergunningen geweigerd.

4. Bij besluit van 20 augustus 2018, verzonden op 5 september 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft de vergunningen geweigerd omdat eiser geen omgevingsvergunning heeft (aangevraagd) voor het in strijd met het bestemmingsplan “ [naam] ” innemen van een ligplaats op de [locatie] . Eiser heeft dus niet de nodige overige vergunningen en ontheffingen, zoals artikel 2.3.1, derde lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) vereist. Daarnaast heeft verweerder de vergunning geweigerd in het belang van de ordening op grond van het tweede lid van dit artikel van de Vob.

5.1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens zijn gronden aangevuld op 14 januari 2021.

5.2.

De zaak is op 28 januari 2021 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Standpunt eiser

6.1.

Eiser betoogt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en strijd met de eisen van een redelijke belangenafweging en zorgvuldige voorbereiding. Hij heeft al in 2011 een verzoek ingediend voor een pachtovereenkomst om een elektrohaven te realiseren. Vervolgens is hij van het kastje naar de muur gestuurd en is hem nooit een duidelijke, goede vergunningprocedure geboden. Verweerder werpt hem nu tegen dat hij eerst een omgevingsvergunning had moeten aanvragen, maar dit is onredelijk. Ten eerste zal de vergunning toch geweigerd worden onder verwijzing naar de verdelingsproblematiek van de vergunningen in [plaatsnaam] . Ten tweede vormen de leges een onredelijke en daarmee onrechtmatige drempel voor de rechtsbescherming. Ten derde stelt hij bij een gesprek over zijn aanvragen in 2017 onder druk te zijn gezet en onjuist geïnformeerd te zijn door verweerder. Hij moest kiezen voor een omgevingsvergunningaanvraag dan wel een ligplaatsvergunningaanvraag. Daarop heeft hij gekozen voor het laatste. Er werd hem geen ruimte geboden voor beide, aldus eiser.

6.2.

Eiser stelt dat hij onder het bestemmingsplan van 2011 wel in aanmerking zou komen voor de ligplaatsvergunningen. Verweerder moet dit bestemmingsplan gebruiken, aangezien eiser in 2011 zijn eerste verzoek indiende voor het realiseren van de elektrohaven. Die afwijzing heeft geleid tot deze procedure. Voor zover er sprake is van strijd met het huidige bestemmingsplan, heeft verweerder de nodige ruimtelijke onderbouwing om ervan af te wijken, aldus eiser.

6.3.

Eiser kan zich daarnaast niet vinden in de door verweerder gebruikte weigeringsgrond ‘ordening’. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende de gestelde schaarste onderzocht en staat de Dienstenrichtlijn1 aan het gebruik van de weigeringsgrond in de weg.

Heeft eiser een procesbelang?

7.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij beoordeling van zijn zaak in beroep. Verweerder vindt van niet omdat eiser voor zijn vijf vaartuigen inmiddels ligplaatsvergunningen heeft, dus ook voor de twee vaartuigen waar deze procedure over gaat. Eiser meent van wel, omdat de ligplaatsvergunningen zijn verleend voor minder gunstige locaties dan de [locatie] waar deze procedure op ziet.

7.2.

Volgens vaste rechtspraak is procesbelang aanwezig wanneer het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

7.3.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt en acht procesbelang aanwezig. De aanvragen voor een ligplaatsvergunning in deze procedure zien op een gunstigere locatie dan de ligplaatsen die hij nu heeft. Zoals eiser heeft toegelicht op zitting is de [locatie] dichterbij het centrum dan de ligplaatsen die eiser nu in gebruik heeft. In zoverre kan het resultaat dat eiser nastreeft met deze procedure feitelijke betekenis hebben voor hem.

Heeft verweerder de ligplaatsvergunningen terecht geweigerd bij gebrek aan een omgevingsvergunning?

8.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het toepasselijke bestemmingsplan voor de locatie [locatie] is het plan ‘‘ [naam] ’’, dat is vastgesteld op 25 mei 2011. Volgens dit bestemmingsplan is het niet toegestaan om een ligplaats in te nemen op de [locatie] . Verweerder kan toch ligplaatsvergunningen verlenen en afwijken van het bestemmingsplan door een omgevingsvergunning te verlenen.2

8.2.

Omdat eiser geen omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik heeft, moest verweerder de gevraagde ligplaatsvergunningen weigeren. Ligplaatsvergunningen kunnen namelijk alleen worden verleend, als de overige vergunningen zijn of worden verleend. Dit artikel is dwingend, zodat verweerder geen ruimte heeft om daarvan af te wijken.3 Verweerder heeft de ligplaatsvergunningen dus terecht geweigerd, omdat er strijd is met het bestemmingsplan en eiser geen omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik heeft.

8.3.

Het standpunt van eiser dat de procedure bij verweerder onzorgvuldig en niet transparant is verlopen, volgt de rechtbank niet. De omstandigheid dat er verschillende vergunningen, zoals exploitatievergunningen, ligplaatsvergunningen en in sommige gevallen ook omgevingsvergunningen moeten worden aangevraagd, maakt niet dat de procedure niet transparant is. In de aanvraagformulieren van de vergunningen staat welke vergunningen moeten worden aangevraagd bij verweerder. Bovendien mag van professionele partijen worden verwacht dat ze uitzoeken welke vergunningen nodig zijn om bedrijfsmatig gebruik te mogen maken van vaartuigen.

8.4.

Voor eisers stelling dat hij onjuist is geïnformeerd of onder druk is gezet door verweerder om te kiezen tussen een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een ligplaatsvergunning ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier. Eiser heeft in 2014 een adviesaanvraag omgevingsvergunning ingediend. Volgens verweerder is er in het gesprek op 20 november 2017 waar eiser naar verwijst een voornemen geuit om zowel een omgevingsvergunning als een ligplaatsvergunning te weigeren, omdat sprake is van een schaarse vergunning en nog geen verdelingssystematiek is vastgesteld. Om eiser een appellabel besluit te kunnen geven, zo heeft verweerder op zitting toegelicht, is eiser per e-mail van 1 december 2017 gevraagd of eiser een aanvraag wil indienen voor een ligplaatsvergunning of voor een omgevingsvergunning. Eiser kiest per e-mail van 5 december 2017 uitdrukkelijk zelf voor het aanvragen van ligplaatsvergunningen. Van onjuist verstrekte informatie door verweerder of het onder druk zetten van eiser is de rechtbank dan ook niet gebleken. De rechtbank wijst er nogmaals op dat eiser – zeker als professionele partij – een eigen verantwoordelijk heeft om na te gaan welke vergunningen hij nodig heeft.

9. Het ontbreken van de omgevingsvergunning kan het besluit van verweerder tot weigering van de ligplaatsvergunningen zelfstandig dragen. Daarom hoeven de beroepsgronden van eiser die zien op de weigeringsgrond ‘ordening’ geen bespreking meer.

Wat betekent dit voor eiser?

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser niet in het gelijk wordt gesteld.

11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Dit is de uitspraak van mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter, en mr. P. Sloot en

mr. Y. Moussaoui, leden, tot stand gekomen in samenwerking met mr. G.J. Tingen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.

2 Voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan is een vergunning vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo.

3 Dit gaat om artikel 2.3.1., derde lid, van de Vob in samenhang bezien met 2.4.1, vierde lid van de Vob.