Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1456

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
13/193714-20 en 03/700266-17 (tul) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het opzettelijk ernstig schenden van meerdere verkeersregel, waaronder het rijden onder invloed van lachgas, witwassen en vernieling. Toepassing ASR. Jeugddetentie voor de duur van 2 maanden en ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaar. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/193714-20 en 03/700266-17 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 30 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [inschrijfadres] , opgegeven feitelijk verblijfsadres [verblijfadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.F. van Drumpt en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. van Wijk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

De verdenking komt er – kort gezegd – op neer dat verdachte:

Feit 1

primair: op 25 juli 2020 te Amsterdam als bestuurder van een auto heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , diens dochtertje en andere voetgangers en fietsers van het leven te beroven;

subsidiair: op 25 juli 2020 te Amsterdam heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , diens dochter en andere voetgangers en fietsers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2

in de periode van 27 november 2017 tot en met 25 juli 2020 te Amsterdam geldbedragen van € 20.581,- en € 10.269,23 heeft witgewassen;

Feit 3

op 25 juli 2020 te Amsterdam meerdere verkeersborden, een lantaarnpaal en een auto van [slachtoffer 2] heeft vernield;

Feit 4

op 25 juli 2020 te Amsterdam onder invloed van lachgas een auto heeft bestuurd;

Feit 5

primair: op 25 juli 2020 te Amsterdam zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

Subsidiair: op 25 juli 2020 te Amsterdam zich zodanig in het verkeer heeft gedragen waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

In deze zaak gaat het in de eerste [verbalisant 1] om het verkeersgedrag van de verdachte als bestuurder van een personenauto op 25 juli 2020 te Amsterdam. De officier van justitie heeft dit gedrag op verschillende manieren aan verdachte ten laste gelegd.

Tijdens de aanhouding van verdachte is daarnaast € 20.581,15 in zijn tas aangetroffen. Bij onderzoek naar de bankrekening van verdachte is later gebleken dat in de periode van 2017 tot en met 2020 een totaal bedrag van € 10.269,23 contant op zijn rekening is gestort.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de feiten 1 en 5 heeft de officier van justitie daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Feit 1

Het primair ten laste gelegde – poging tot doodslag – kan worden bewezen. Verdachte is als een dolle, op een druk kruispunt, met hoge snelheid over fietspaden, voetpaden en een voetgangersoversteekplaats gereden, waardoor meerdere mensen opzij moesten springen, rennen of fietsen om niet geraakt te worden. Gelet op de snelheid waarmee verdachte reed zou een botsing een dusdanig grote impact hebben gehad dat de kans op overlijden aanmerkelijk is. Door desondanks met hoge snelheid door te rijden, nadat hij een tweetal verkeersborden had omver gereden, heeft verdachte bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard. Er is daarmee sprake van voorwaardelijk opzet.

Feit 5

Het primair ten laste gelegde – ernstige gevaarzetting – kan worden bewezen. Het samenstel van gedragingen is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op de opzettelijke schending van verkeersregels. Daarnaast heeft het voor artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) vereiste gevaar zich ook daadwerkelijk voorgedaan.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 primair en heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Feit 1

Niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op het om het leven brengen van andere verkeersdeelnemers of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast geldt ten aanzien van de poging doodslag dat niet kan worden vastgesteld dat de kans op de dood van de voetgangers en fietsers aanmerkelijk was. Verdachte moet daarom zowel van het primair als subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 2

Niet is gebleken dat verdachte wetenschap of een vermoeden had, of zou moeten hebben, dat het aangetroffen geldbedrag van € 20.581,- van misdrijf afkomstig zou zijn. Ten aanzien van het geldbedrag van € 10.269,23 kan niet worden vastgesteld dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Het gaat om kleinere deelbedragen die gedurende een langere periode – te weten drie jaar – op de rekening van verdachte zijn gestort. Verdachte heeft voor deze beperkte deelbedragen een legale herkomst gegeven die niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat verdachte beide bedragen heeft witgewassen, zodat vrijspraak moet volgen.

Feit 3

Verdachte heeft geen opzet gehad om de zaken te vernielen. Hij was de macht over de auto kwijt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het vernielen van de verkeersborden, lantaarnpaal en de auto.

Feit 5, primair

Niet kan worden bewezen dat verdachte de gedragingen uit de gedachtestreepjes 4 t/m 7 opzettelijk heeft gepleegd. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt. Verder is het rijden met een ballon in je hand niet een zodanige gedraging waarmee hij een verkeersregel in ernstige mate heeft geschonden en daarmee gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 5 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 4 en feit 5, subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag of poging zware mishandeling en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat verdachte doelbewust heeft geprobeerd om aangever [slachtoffer 1] en zijn dochtertje, of andere voetgangers of fietsers van het leven te beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van ‘vol’ opzet is dus in elk geval geen sprake.

Vervolgens is aan de orde of sprake was van opzet in voorwaardelijke zin op het van het leven beroven of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers door zijn handelen om het leven zouden komen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Onder de aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op een bepaald gevolg. De rechtbank is van oordeel dat er te weinig gegevens in het dossier zitten waaruit zou blijken dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden of het oplopen van zwaar lichamelijk letsel van voetgangers of fietsers. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte reed op een plek waar hij niet mocht rijden, dat hij deels over de stoep reed, twee verkeersborden schepte en over een zebrapad reed, maar ook dat de zich daar bevindende mensen de auto kennelijk zagen of hoorden aankomen, en dat er genoeg ruimte was om opzij te springen of juist stil te staan of weg te rennen/lopen/fietsen. De snelheid waarmee verdachte reed is niet bekend. Enkele getuigen hebben verklaard dat verdachte met hoge snelheid reed, maar het dossier bevat geen objectieve meetgegevens. Uit de beelden krijgt de rechtbank niet de indruk dat verdachte (veel) harder reed dan de gebruikelijke snelheid in de stad. Al met al kan de rechtbank niet vaststellen dat de kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel ‘aanmerkelijk’ was. Daarnaast blijkt niet dat verdachte die kans, als die er al zou zijn geweest, ook bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij er juist op heeft gelet niemand te raken, en dat hij probeerde weg te sturen van de mensen. Dit is een contra-indicatie voor bewuste aanvaarding, die niet kan worden weerlegd door bewijsmiddelen.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.

Feit 2

Uitgangspunt bewezenverklaring witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat het voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.


Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Toepassing op deze zaak

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte had ten tijde van zijn aanhouding een tas bij zich met daarin een totaal bedrag van € 20.518,15. Het geldbedrag bestond uit verschillende coupures waaronder ook een briefje van € 500,00 en drie briefjes van € 200,-. Deze bedragen zijn niet tot een legaal inkomen of vermogen van verdachte te herleiden. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte in de periode van 2016 tot en met 2019 in totaal € 6.289,- netto loon heeft ontvangen.

Op grond hiervan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag van een vriend was. Wie die vriend was heeft hij niet willen zeggen. Op verdere vragen met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag heeft verdachte gezwegen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt. Het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft dus onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het geldbedrag van € 20.581,15 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het witwassen van € 20.581,15.

Daarnaast heeft verdachte in de periode van 27 november 2017 tot en met 3 juni 2020 in totaal een bedrag van € 10.296,23 contant op zijn rekening gestort. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het geldbedrag van € 10.296,23 van enig misdrijf afkomstig is. Het bedrag bestaat namelijk uit 36 relatief kleine bedragen die over een periode van ruim 2,5 jaar zijn gestort. Verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 3

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling. Door onder invloed van lachgas, waarvan bekend is dat dit de rijvaardigheid kan beïnvloeden, een auto te besturen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij straatmeubilair zou vernielen en de auto waarin hij reed onbruikbaar zou maken.

Weliswaar blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte tevens tegen een lantaarnpaal is aangereden, maar niet is gebleken dat hierdoor schade is toegebracht aan de lantaarnpaal. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan daarom niet worden bewezen.

Feit 4

De rechtbank leidt uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte af dat verdachte tijdens het besturen van zijn auto onder invloed van lachgas was en ook tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt. Getuige [getuige 1] en verbalisant [verbalisant 1] hebben immers gezien dat verdachte terwijl hij de auto bestuurde een ballon aan zijn mond had en daarnaast zijn er in de auto twee lachgas tanks en gebruikte ballonnen aangetroffen. Verdachte ontkent dat hij tijdens het rijden lachgas gebruikte, maar heeft wel bekend dat hij (veel) lachgas had gebruikt vlak voor hij ging rijden. Ook leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat de invloed van het lachgas zodanig was, dat de verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht gelet op het rijgedrag dat verdachte heeft vertoond. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen. Verdachte heeft namelijk verklaard dat het effect van lachgas een soort ‘space’ van een halve minuut veroorzaakt, dat hij nog wazig van het lachgas was toen hij ging rijden en dat het onverstandig van hem was om toch te gaan rijden. De rechtbank acht daarmee feit 4 bewezen.

Feit 5

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde moet de rechtbank beoordelen of verdachte de verkeersregels heeft geschonden, of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, of hij dat opzettelijk heeft gedaan en of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

Schending verkeersregels

Verdachte wordt verweten dat hij de verkeersregels heeft geschonden. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden en hij in de omgeving van de Dam stoptekens heeft genegeerd (wel op het Rokin, maar dat was een andere situatie). Wel kan worden vastgesteld dat verdachte onder invloed van lachgas, met een ballon in zijn hand heeft gereden, heeft gereden op een weg waar hij niet mocht rijden, over een fietspad en de stoep heeft gereden en tegen verkeerspalen is gereden. De vraag is of al deze gedragingen van verdachte zijn aan te merken als het schenden van de verkeersregels, zoals bedoeld in artikel 5a WVW. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het vasthouden van een ballon tijdens het rijden niet gelijk kan worden gesteld aan het vasthouden van een mobiele telefoon. Dit levert dan ook geen schending van een verkeersregel op. Evenmin levert het rijden tegen verkeerspalen schending van een verkeersregel op. Dat is anders voor het rijden onder invloed van lachgas, rijden op een weg waar dat niet mag en het rijden over fietspad en stoep. Deze verkeersnorman zijn wel vastgelegd in regelgeving. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verkeersregels van soortgelijk belang als de in artikel 5a WVW uitdrukkelijk genoemde regels. De tussenconclusie is dan ook dat de verdachte de verkeersregels heeft geschonden door onder invloed van lachgas, op een weg waar dit niet mocht en op een fietspad en stoep te rijden.

In ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. In dat kader moet gekeken worden naar het samenstel van de gedragingen van verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. Een dergelijke omstandigheid is ook – op grond van artikel 5a tweede lid WVW – de mate waarin de verdachte onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden.

Verdachte heeft namelijk meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels geschonden, terwijl de verdachte zodanig onder invloed was van lachgas dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Opzettelijk

Het opzet van verdachte moet zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels.

Verdachte heeft opzettelijk onder invloed van lachgas gereden; de rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder feit 4 heeft overwogen. Door het gebruik van lachgas wordt de rijvaardigheid negatief beïnvloed. Door die verminderde rijvaardigheid bestaat een aanmerkelijke kans dat de onder invloed van lachgas verkerende bestuurder ook andere verkeersregels schendt. Door toch onder invloed van lachgas te rijden heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook andere verkeersregels zou schenden, zoals in dit geval het rijden in straten waar dit niet mag en over het fietspad en de stoep rijden. De verdachte heeft dus ook opzet – in voorwaardelijke zin – gehad op het schenden van die verkeersregels.

Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. In deze zaak bestond het samenstel van de gedragingen van verdachte eruit dat hij onder invloed van lachgas, met een gevulde ballon in zijn hand en aan zijn mond in een straat reed waar dit niet mocht en vervolgens tegen verkeerspalen is gereden en over het fietspad en de stoep met nagenoeg onverminderde snelheid in de richting van voetgangers en fietsers is gereden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.

Gevaar te duchten

Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan door het vertonen van het hiervoor beschreven rijgedrag op een heel druk punt midden in het centrum van Amsterdam omstreeks 19.00 uur. Dat die gevaarlijke situatie zich ook heeft voorgedaan blijkt uit de bewijsmiddelen: het was druk op straat en de voetgangers en fietsers moesten uitwijken om een botsing met de auto van verdachte te voorkomen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.

Conclusie

De rechtbank acht daarmee het primair ten laste gelegde bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 2

op 25 juli 2020 te Amsterdam, een geldbedrag van in totaal ongeveer 20.581,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geld – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 3

op 25 juli 2020 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

- verkeersborden die aan de Gemeente Amsterdam toebehoorden heeft vernield

- een BMW ( [kenteken] ) die aan [slachtoffer 2] toebehoorde onbruikbaar gemaakt;

Feit 4

op 25 juli 2020 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

Feit 5, primair

op 25 juli 2020 te Amsterdam, opzettelijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdend in de omgeving van de Dam en op de Nieuwezijds Voorburgwal, zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat verkeersregels zoals het rijden onder invloed, het rijden op een fietspad en stoep terwijl dat niet toegestaan is en het rijden tegen palen in ernstige mate zijn geschonden, bestaande dat gedrag hieruit, dat hij binnen de bebouwde kom heeft gereden,

- onder invloed van lachgas, en

- met een gevulde ballon in zijn hand en aan zijn mond,

- terwijl verdachte op plekken reed waar hij met zijn personenauto niet mocht rijden en daarbij

- het fietspad en de stoep is genaderd met nagenoeg onverminderde snelheid, terwijl er mensen nabij waren, die stoep en dat fietspad is opgereden en

- hierbij tegen verkeerspalen is gereden, en

- daarbij met zijn personenauto in de richting van voetgangers en fietsers is gereden terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijke letsel voor [slachtoffer 1] en diens dochtertje en onbekend gebleven verkeersdeelnemers te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het volwassenenstrafrecht zal worden toegepast en dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden berecht volgens het adolescentenstrafrecht. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Ingeval van bewezenverklaring heeft de raadsman verzocht om een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast kan de raadsman zich voorstellen dat een ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte wordt opgelegd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft als bestuurder van een auto opzettelijk meerdere verkeersregels ernstig geschonden: hij reed onder invloed van lachgas, heeft verkeerspalen omver gereden en is over het fietspad en de stoep in de richting van voetgangers en fietsers gereden. Verdachte heeft zich daarmee volstrekt onverantwoordelijk gedragen op de weg. Hij heeft onaanvaardbare risico’s genomen en andere weggebruikers en voetgangers in gevaar gebracht. Bij de omstanders die hiermee werden geconfronteerd heeft dit gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd. Sommigen dachten op het moment zelf dat er een aanslag werd gepleegd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 20.581,-. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van criminaliteit.

Persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 8 februari 2021 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder andere voor het overtreden van verkeersregels. De eerdere straffen die aan verdachte zijn opgelegd en het feit dat hij in een proeftijd liep hebben hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de rapportages, die over de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt.

De psycholoog R.S. Turk komt in zijn rapport van 23 december 2020 tot de conclusie dat sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van verschillende middelen. De gewetensontwikkeling is achtergebleven bij wat verwacht mag worden. De ontwikkeling van betrokkene wordt bedreigd. Zonder adequaat ingrijpen ontstaat een persoonlijkheidsstoornis. De stoornissen maken dat verdachte impulsief en zonder nadenken kan handelen. De psycholoog adviseert om het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Verder concludeert de psycholoog dat het risico op recidive hoog is zolang er geen adequate interventie heeft plaatsgevonden. Uit de wegingslijst adolescentenstrafrecht komt naar voren dat jeugdstrafrecht kan worden overwogen bij de berechting van betrokkene. De mogelijkheid van pedagogische beïnvloeding en positieve persoonlijkheidsontwikkeling overheerst nog. De ontwikkelingsmogelijkheden van verdachte staan echter op “vijf voor twaalf” zodat een doortastende aanpak vereist is. Gepleit wordt voor een deeltijdbehandeling in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM).

Het Leger des Heils reclassering komt in haar rapporten van 16 oktober 2020 en 20 januari 2021 tot de conclusie dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Uit het Wegingskader ASR komt naar voren dat er geen indicatie is voor het toepassen van het adolescentenstrafrecht. Ondanks zijn jonge leeftijd maakt verdachte een zelfstandige indruk: hij woont op zichzelf en regelt zijn eigen praktische zaken. Er is daarnaast geen sprake van pedagogische beïnvloeding van zijn ouders. Daarbij komt dat de inschatting is dat de door de psycholoog geadviseerde interventies beter uitgevoerd kunnen worden middels bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf onder het volwassenenstrafrecht.

Op de zitting hebben psycholoog Turk en reclasseringswerker Kepers hun adviezen nader toegelicht. Op de vraag of verdachte beter op zijn plek zou zijn in een volwassengevangenis of in een jeugdinrichting, heeft Turk geantwoord dat verdachte veel meer baat zou hebben bij plaatsing in een jeugdinrichting waar hij zou worden behandeld en begeleid. Turk heeft benadrukt dat hij de rechtbank adviseert verdachte als jeugdige te berechten, omdat zijn persoonlijkheid nog niet is uitgerijpt. Keper heeft toegelicht dat de keuze van de reclassering voor volwassenrecht vooral een praktische is: in Limburg is financiering onder het jeugdrecht moeilijk, de wachttijden voor jeugdinterventies zijn lang, en met een GBM kan men niet echt goed uit de voeten. Bovendien heeft de jeugdreclassering de begeleiding van verdachte inmiddels overgedragen aan de volwassenreclassering.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c Sr, kan de rechtbank ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij 19 jaar oud was.

Gelet op de rapportage van de psycholoog en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank vindt hiervoor met name van belang dat de psycholoog een jongen ziet die zich verschuilt achter (gladde) charme, maar die in werkelijkheid nog kinderlijk is, angstig en teleurgesteld, en niet verhard. De psycholoog ziet ook impulsiviteit, typisch voor adolescenten, en een achterstand in de gewetensontwikkeling. Dit zijn allemaal redenen om uit te gaan van het jeugdrecht. De omstandigheid dat verdachte een zelfstandige indruk maakt en het Leger des Heils meer mogelijkheden ziet binnen het volwassenenstrafrecht zijn geen redenen om het adolescentenstrafrecht niet toe te passen. Bovendien kan verdachte ook bij toepassing van het jeugdrecht door de volwassen reclassering worden begeleid.

De rechtbank neemt ook de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekenbaarheid over en houdt er rekening mee dat de feiten verdachte verminderd kunnen worden toegerekend.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop van de feiten 4 en 5. Onder feit 4 is immers bewezen verklaard dat de verdachte heeft gereden onder invloed van lachgas, terwijl dit ook onder 5 is bewezen verklaard als onderdeel van het zeer gevaarlijke rijgedrag van de verdachte. Daarbij komt dat de beide overtreden bepalingen (de artikelen 5a en 8 van de WVW) hetzelfde belang beschermen, namelijk de verkeersveiligheid. Dat betekent dat de rechtbank de strafoplegging alleen zal baseren op feit 5.

De op te leggen straffen

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles overziend acht de rechtbank jeugddetentie voor de duur van twee maanden passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht moet hiervan worden afgetrokken. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het van belang is dat de problematiek van verdachte wordt aangepakt en dat hij behandeld wordt, ziet de rechtbank geen ruimte om een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden of een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen omdat verdachte al veel langer in voorarrest heeft doorgebracht dan de duur van de op te leggen vrijheidsstraf.

De rechtbank zal voor feit 5 ook een ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaar aan verdachte opleggen, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

8 Beslag

Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:

  1. 0,55 EUR; (Omschrijving: 5948250)

  2. 3,60 EUR; (Omschrijving: 5948251)

  3. 14 EUR; (Omschrijving: 5948252)

  4. 2 EUR; (Omschrijving: 5948253)

  5. 13 EUR; (Omschrijving: 5948255)

  6. 5 EUR; (Omschrijving: 5948256)

  7. 2820 EUR; (Omschrijving: 5948257)

  8. 7 EUR; (Omschrijving: 5948258)

  9. 600 EUR(Omschrijving: 5948259)

  10. 120 EUR; (Omschrijving: 5948261)

  11. 500 EUR; (Omschrijving: 5948263)

  12. 600 EUR; (Omschrijving: 5948264)

  13. 0,04 EUR; (Omschrijving: 5948265)

  14. 15900 EUR; (Omschrijving: 5948266)

  15. Apple iPhone (goednummer: 5948260).

Verbeurdverklaring

Het geld (nummers 1 t/m 14) behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit geld het onder 2 bewezen geachte is gepleegd, wordt dit geld verbeurdverklaard.

Teruggave aan verdachte

Nu het onderzoek inmiddels is afgerond kan de Apple Iphone worden teruggegeven aan verdachte.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 21 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 03/700266-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 februari 2018 van de rechtbank Limburg, waarbij verdachte is veroordeeld tot twee maanden jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 57, 77c, 77g, 77i, 77r, 350 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 5a en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2

witwassen;

Feit 3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

Eendaadse samenloop van feit 4 en 5 primair

Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

en

Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot 2 (twee) maanden jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 5 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaar.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Verklaart verbeurd:

  • -

    0,55 EUR (Omschrijving: 5948250)

  • -

    3,60 EUR (Omschrijving: 5948251)

  • -

    14 EUR (Omschrijving: 5948252)

  • -

    2 EUR (Omschrijving: 5948253)

  • -

    13 EUR (Omschrijving: 5948255)

  • -

    5 EUR (Omschrijving: 5948256)

  • -

    2820 EUR (Omschrijving: 5948257)

  • -

    7 EUR (Omschrijving: 5948258)

  • -

    600 EUR (Omschrijving: 5948259)

  • -

    120 EUR (Omschrijving: 5948261)

  • -

    500 EUR (Omschrijving: 5948263)

  • -

    600 EUR (Omschrijving: 5948264)

  • -

    0,04 EUR (Omschrijving: 5948265)

  • -

    15900 EUR (Omschrijving: 5948266)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- Apple Iphone (Omschrijving: 5948260).

Gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf, te weten 2 (twee) maanden jeugddetentie, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,

mrs. E.G.C. Groenendaal en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2021.