Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1411

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
13/751230-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgings EAB België - Genoegzaamheid van de stukken - Terugkeergarantie - Overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751230-20

RK nummer: 20/3137

Datum uitspraak: 23 maart 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 januari 2020 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Belgie) op [geboortedag] 1977

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 maart 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met terugwerkende kracht met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een op 30 januari 2019 bij verstek afgeleverd aanhoudingsbevel door de onderzoeksrechter Wouter Haelewyn bij de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt naar Belgisch recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van de stukken

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de stukken van het EAB ongenoegzaam zijn nu het nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 30 januari 2019 terwijl de feiten van het EAB zich pas daarna hebben afgespeeld. Daarnaast is de feitsomschrijving onvoldoende specifiek om aan het specialiteitsbeginsel te kunnen voldoen, zo zijn in de feitsomschrijving de woorden tenminste en onder meer opgenomen.

In het EAB onder e) gelezen in combinatie met het bijbehorende Form A is beschreven dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij als dader en mededader een hennepplantage met minstens 700 planten heeft opgezet en geëxploiteerd te Waregem in de periode van 15 juli 2019 tot en met 16 oktober 2019. Om een huurcontract af te kunnen sluiten voor de woning waarin de hennepplantage is aangetroffen zijn diverse loonstroken vervalst. Daarnaast is geprobeerd illegaal elektriciteit af te tappen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande met de officier van justitie van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten bevat, alsmede van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten. Het is hierdoor voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van de feiten is voorts zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en dat de specialiteit voldoende is gewaarborgd. De omschrijving van de feiten in het EAB voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en is daarmee genoegzaam.

Eventuele bewijsverweren komen in geval van overlevering eerst aan de orde in de Belgische strafprocedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek dat kennelijk nog niet is afgerond. De rechtbank verwerpt het verweer.

Voor wat betreft de in het EAB vermelde datum van 30 januari 2019 van het door de Onderzoeksrechter Wouter Haelewyn uitgevaardigde nationale aanhoudingsbevel gaat de rechtbank ervan uit dat dit een verschrijving betreft nu het EAB op 30 januari 2020 is uitgevaardigd door dezelfde persoon als die het aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat voornoemd aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op

30 januari 2020.

5 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.

De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Op grond van de op voorhand door de verdediging overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon gelijk te stellen valt met een Nederlander in de zin van artikel 6, vijfde lid, OLW nu hij gedurende de laatste 5 jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des Konings heeft op 4 maart 2021 de volgende garantie gegeven:

"Mijn ambt verwijst naar uw emailbericht dd. 03/03/2021 inzake de overlevering van [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] en waarin verzocht wordt om de terugkeergarantie te verstrekken.

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel persoon is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De overbrenging steunt op het Kaderbesluit 2008/909/JBZ."

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B Opiumwet gegeven verbod;

en

medeplegen van valsheid in geschrift;

en

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 47, 225 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk (België).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 maart 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.