Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1400

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
13/751913-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

België executie EAB - Terugkeergarantie - Overlevering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751913-20

RK nummer: 20/5135

Datum uitspraak: 4 maart 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 oktober 2020 door het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [1997]

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 3 december 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 december 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting gesloten.

Tussenuitspraak 17 december 2020

Bij de tussenuitspraak van 17 december 2020 is het onderzoek heropend en vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de verstrekte terugkeergarantie niet in het dossier zat.

In deze tussenuitspraak is het door de verdediging gevoerde onschuldverweer verworpen, en is het verzoek tot weigering van de overlevering, op grond van de slechte detentie-omstandigheden in de Belgische gevangenissen, afgewezen. Ten slotte is de vordering van de officier van justitie om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW toegewezen.

Zitting 4 februari 2021

De behandeling van de vordering is met toestemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie hervat in de stand van het onderzoek van 3 december 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Tussenuitspraak 17 december 2020

De rechtbank verwijst naar de onder de punten 3, 4, 5 en 6 gegeven overwegingen in haar tussenuitspraak van 17 december 2020. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, het onschuldverweer, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW, en de detentieomstandigheden in België al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Correctionele Rechtbank Antwerpen, Afdeling Antwerpen van 18 september 2019, vonnisnummer 2019/3915, systeemnummer parket 18CO46943 – AN17.L7.7211-18.

In onderdeel b) van het EAB staat vermeld dat het hier gaat om een “veroordeling met onmiddellijke aanhouding”.

In onderdeel d) van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 18 september 2019 heeft geleid.

Aan de opgeëiste persoon is een gevangenisstraf van 8 jaar opgelegd waarvan hij al 190 dagen in voorarrest heeft verbleven.

Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 25 september 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen voornoemd vonnis, dat de beroepsprocedure nog hangende is en dat de onmiddellijke aanhouding uitvoerbaar is. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van België ingesteld strafrechtelijk onderzoek in hoger beroep.

Het EAB ziet op 7 naar het recht van België strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1, 18 en 28, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie;

georganiseerde of gewapende diefstal;

opzettelijke brandstichting

Volgens de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des Konings heeft op 5 november 2020 de volgende garantie gegeven:

“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan.

De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ)."

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

en

diefstal bij gelegenheid van ontploffing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

en

diefstal

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 140, 157, 300 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België).


Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.