Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1396

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
13/751789-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Executie EAB Polen - Artikel 12 OLW - Poolse Rechtstaatkwestie - Overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751789-20

RK nummer: 20/5163

Datum uitspraak: 28 januari 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 oktober 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2019 door de Provincial Court of Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Polen)

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans verblijvende in het [detentieadres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 december 2020 en vervolgens – na een schorsing van het onderzoek – op 14 januari 2021. Het verhoor heeft telkens plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforcable judgment of the District Court Lublin-Zachod in Lublin of 14th june 2018.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

In het EAB staat onder d) het volgende vermeld:

"No, the person has not appeared in person at the trial as a result of which a decision was issued.

(…)

a. the person concerned has been summoned personally on 4th June 2018 ( day/month/year) and hence has been informed of the date and place of the hearing as a result of which the decision was issued, and has been informed that the decision may be issued in case the person will not appear at the hearing.

(…)

[opgeëiste persoon] was correctly informed of the date of the trial-he collected the court summons in person but he did not appear at the Court trial. He did not submit an application for grounds of the judgement or appeal against the judgement of the Court of the I instance.”

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling op de zitting die tot het vonnis heeft geleid, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de zitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet op de zitting verschijnt. Dat betekent dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen toepassing vindt.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 .

6. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie

6.1

Inleiding

6.1.1

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 31 juli 2020 geoordeeld dat er in de rechtsorde van Polen dusdanige structurele en/of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bestaan, dat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht niet langer waarborgt. Gelet op de aard en de omvang van die geconstateerde gebreken is sprake van systemische gebreken.1 Dit oordeel van de rechtbank heeft betrekking op de gesignaleerde systemische gebreken en de rechtbank heeft, anders dan de officier van justitie ter zitting en de advocaat-generaal van het Hof van Justitie in zijn conclusie lijken te suggereren, op geen enkele wijze een oordeel gegeven over individuele Poolse rechters en hun opstelling ten opzichte van, met name, de uitvoerende macht.

6.1.2

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het toetsingskader, zoals voortvloeit uit het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)2, eveneens van toepassing is op executie-EAB’s, voor zover aan die EAB’s vonnissen ten grondslag liggen die vanaf het najaar 2017 door Poolse rechterlijke instanties zijn gewezen.3 Hetgeen hiervoor onder 1. is overwogen, geldt dus eveneens bij de beoordeling van executie-EAB’s die op dergelijke vonnissen zien, zoals het onderhavige EAB.

6.1.3

In haar tussenuitspraak van 3 september 2020, rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2020:4328 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar voornoemde tussenuitspraak van 31 juli 2020 en de daarin onder punt 9. geschetste ontwikkelingen - waaruit blijkt van een verder toegenomen druk op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen - de volgende vraag aan het Hof van Justitie gesteld:

Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 47, tweede alinea, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl dat gerecht niet voldoet en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer voldeed aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat de wetgeving in de uitvaardigende lidstaat de onafhankelijkheid van dat gerecht niet waarborgt en ten tijde van de uitvaardiging van het EAB al niet meer waarborgde?

6.1.4

Het Hof van Justitie heeft op 17 december 2020 voor recht verklaard dat

Artikel 6, lid 1, en artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van
13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit die heeft te beslissen over de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, over gegevens beschikt die blijk geven van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de lidstaat die dit aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, welke ten tijde van de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel bestonden of na deze uitvaardiging zijn ontstaan, deze autoriteit de hoedanigheid van „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” niet kan ontzeggen aan de rechterlijke instantie die het aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd (…).

In dit verband heeft het Hof van Justitie onder meer overwogen in punt 41 en punt 50 van het arrest:

41. Een uitvoerende rechterlijke autoriteit die over gegevens beschikt die blijk geven van structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die ten tijde van de uitvaardiging van het betrokken Europees aanhoudingsbevel bestonden of die na die uitvaardiging zijn ontstaan, kan echter niet de hoedanigheid van „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 ontzeggen aan elke rechter en elke rechterlijke instantie van die lidstaat, die naar hun aard handelen in volledige onafhankelijkheid van de uitvoerende macht.

50. In die omstandigheden kan uit het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), niet worden afgeleid dat structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, hoe ernstig zij ook zijn, op zichzelf volstaan om een uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen te oordelen dat geen enkele rechterlijke instantie van deze lidstaat onder het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt.

6.1.5

Verder heeft het Hof van Justitie ter beantwoording van vragen die bij tussenuitspraak van 31 juli 2020 zijn gesteld het volgende overwogen:

53. Hieruit volgt dat de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, (…), een onderzoek in twee fasen veronderstelt.

54. In een eerste fase moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het betrokken Europees aanhoudingsbevel bepalen of er objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens bestaan om aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat (…).

55. In een tweede fase moet die autoriteit concreet en nauwkeurig nagaan in hoeverre die tekortkomingen gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, en of er, gelet op de persoonlijke situatie van die persoon, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context van de uitvaardiging van dat aanhoudingsbevel, en rekening houdend met de eventueel door die lidstaat verstrekte gegevens overeenkomstig artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat die persoon een dergelijk gevaar zal lopen bij overlevering aan die laatste staat [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 74‑77].

60. Hieruit volgt dat, (…), de vaststelling door de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit dat er sprake is van gegevens die blijk geven van structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, of van een verergering van dergelijke gebreken, deze autoriteit weliswaar moet aanzetten tot waakzaamheid, (…), maar dat die autoriteit geen genoegen kan nemen met louter deze vaststelling om af te zien van de tweede fase van het onderzoek als bedoeld in de punten 53 tot en met 55 van dit arrest.

61. Het staat immers aan deze autoriteit om in het kader van deze tweede fase, in

voorkomend geval in het licht van een dergelijke verergering, te beoordelen of er, gelet op de persoonlijke situatie van de persoon om wiens overlevering wordt verzocht met het betrokken Europees aanhoudingsbevel, de aard van het strafbare feit waarvoor deze persoon wordt vervolgd en de feitelijke context waarin het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zoals verklaringen van overheidsinstanties die de behandeling van een individueel geval kunnen beïnvloeden, en rekening houdend met de gegevens die haar eventueel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit overeenkomstig artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 zijn verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat die persoon een reëel gevaar zal lopen dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geschonden wanneer hij aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd. Indien dat het geval is, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit er op grond van artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit van af te zien om gevolg te geven aan het betrokken Europees aanhoudingsbevel. (…)

66. In het geval van een Europees aanhoudingsbevel dat door een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op de overlevering van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging, zoals in het hoofdgeding in zaak C‑354/20 PPU aan de orde is, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit teneinde concreet en nauwkeurig te beoordelen of er in de omstandigheden van het geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat deze persoon na die overlevering een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrecht op een eerlijk proces, onder meer onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de betrokken persoon zal worden onderworpen [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 68 en 74]. Bij dit onderzoek moet bijgevolg rekening worden gehouden met de gevolgen van dergelijke gebreken die zich na de uitvaardiging van het betrokken Europees aanhoudingsbevel zouden hebben voorgedaan.

67. Dit geldt ook in het geval een Europees aanhoudingsbevel dat door een lidstaat is uitgevaardigd met het oog op de overlevering van een persoon die gezocht wordt met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel (…)

68. In dit tweede geval moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit echter ook nagaan in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken die in de uitvaardigende lidstaat ten tijde van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel bestonden, in het concrete geval afbreuk hebben gedaan aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie van die lidstaat die de tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel heeft opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging het voorwerp uitmaakt van dat Europees aanhoudingsbevel.

Het Hof van Justitie heeft hierbij meerdere keren verwezen naar het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), onder andere in punt 55 – ten aanzien van de tweede fase – waar wordt verwezen naar (onder andere) punt 76 van dit eerdere arrest:

76. Bovendien is de uitvoerende rechterlijke autoriteit krachtens artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 verplicht om bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit alle aanvullende gegevens op te vragen die zij voor de beoordeling van het bestaan van een dergelijk gevaar noodzakelijk acht.

6.2

Overweging vooraf

De inhoud van het arrest van het Hof van Justitie verzet zich niet tegen het hiervoor onder 6.1.1 weergegeven oordeel van deze rechtbank in Poolse overleveringszaken. De rechtbank handhaaft dan ook dit oordeel.

6.3

Uitvaardigende rechterlijke autoriteit

6.3.1

Gelet op de beantwoording door het Hof van Justitie van de gestelde prejudiciële vraag, als weergegeven onder 6.1.5 van deze uitspraak, neemt de rechtbank aan dat the Circuit Court in Sieradz moet worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dat deze rechterlijke instantie bevoegd is om het EAB uit te vaardigen.


De rechtbank beschikt weliswaar over gegevens die blijk geven van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft en heeft geoordeeld dat deze gebreken in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben, maar deze gebreken volstaan op zichzelf niet om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen, zo volgt uit punt 50 van het arrest.

6.3.2

Mede gelet op hetgeen hierna onder 6.4.4 zal worden overwogen, zijn er, naast de structurele en/of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, geen gegevens voorhanden die tot een dergelijke diskwalificatie zouden kunnen leiden.

6.4

Beoordeling van eventuele schending van artikel 47 Handvest

6.4.1

Zoals reeds opgemerkt, handhaaft de rechtbank haar oordeel over de geconstateerde structurele en/of fundamentele gebreken. Uit het arrest (punt 60) volgt dat de rechtbank ook in deze situatie “fase 2” niet achterwege mag laten. Zij kan niet volstaan met de enkele vaststelling dat er sprake is van gegevens die blijk geven van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, of van een verergering van dergelijke gebreken, om af te zien van de tweede fase van het onderzoek als bedoeld in de punten 53 tot en met 55 van dit arrest.

6.4.2

De rechtbank moet, gelet op punt 68 van het arrest, nagaan in hoeverre de structurele en/of fundamentele gebreken die in de uitvaardigende lidstaat ten tijde van de uitvaardiging van het EAB bestonden, in het concrete geval afbreuk hebben gedaan aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie van die lidstaat die de tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel heeft opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging het voorwerp uitmaakt van dat EAB.

De rechtbank heeft in haar verwijzingsuitspraak van 31 juli 2020 al geoordeeld dat de geconstateerde structurele en/of fundamentele gebreken gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van procedures waaraan opgeëiste personen worden onderworpen. De rechtbank ziet in het arrest van het Hof van Justitie geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. De systemische aard van die gebreken brengt mee dat zij, ten tijde van het aan het EAB ten grondslag liggende vonnis, ook op het niveau van de in deze zaak bevoegde

rechterlijke instantie negatieve gevolgen kunnen hebben gehad.

6.4.3

Aan de rechtbank ligt dus ter beoordeling voor of er, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd en de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd, en rekening houdend met de gegevens die haar eventueel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zijn verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen, omdat de structurele en/of fundamentele gebreken die in Polen ten tijde van de uitvaardiging van het EAB bestonden, in zijn concrete geval afbreuk hebben gedaan aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die het aan het EAB ten grondslag liggende vonnis heeft gewezen.

6.4.4

Het is in beginsel mede aan de opgeëiste persoon en zijn advocaat om, voor zover hij zich beroept op een reeds voltooide schending van zijn recht op een eerlijk proces, waar mogelijk, informatie te verstrekken die relevant zou kunnen zijn bij de beoordeling of een dergelijke schending heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de opgeëiste persoon geen informatie heeft verstrekt betreffende zijn persoonlijke situatie en dat de raadsvrouw zich ter zitting voor wat betreft de Poolse rechtstaatkwestie heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Uit de stukken blijkt verder dat de opgeëiste in persoon is opgeroepen voor de behandeling van zijn zaak in Polen maar dat hij niet ter zitting is verschenen. Vervolgens heeft hij geen hoger beroep ingesteld. Hij heeft zich tegenover de rechtbank in de overleveringsprocedure nimmer op het standpunt gesteld dat hij geen eerlijk proces heeft gehad. De rechtbank beschikt ook anderszins niet over gegevens die daarop duiden.

6.4.5

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en op de artikelen 2,5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Provincial Court of Lublin (Polen).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Rechtbank Amsterdam, 31 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4032

2 Hof van Justitie, 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586

3 O.a. rechtbank Amsterdam, 18 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:393