Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1344

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
C/13/698131 / KG ZA 21-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG vordering om Stadgenoot te verbieden werkzaamheden aan een brug bij Oostenburgereiland te verrichten afgewezen. Op grond van een erfdienstbaarheid is het Stadgenoot toegestaan noodzakelijk onderhoud te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/698131 / KG ZA 21-175 MDvH/MV

Vonnis in kort geding van 22 maart 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 5]

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie bij dagvaarding van 1 maart 2021,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.H. Meerburg te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STADGENOOT ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STADGENOOT ONTWIKKELING I B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. I. van Loon te Amsterdam.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 8 maart 2021 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Ter zitting hebben zij de vordering tegen gedaagde sub 1 ingetrokken. Gedaagde sub 2, hierna Stadgenoot, heeft verweer gevoerd, en een tegenvordering (vordering in reconventie) ingesteld. Eisers hebben hiertegen verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren – voor zover van belang – aanwezig:

aan de zijde van eisers: [naam 1] (enig bestuurder en medeaandeelhouder van eiseres sub 1), [eiser 2] , mr. Meerburg en zijn kantoorgenoot
mr. A. Nijboer;

aan de zijde van Stadgenoot: [naam 2] ( [functie] ), [naam 3] ( [functie] ), mr. Van Loon en haar kantoorgenoot mr. A. Kamphuis.
Na verder debat is vonnis bepaald op 22 maart 2021.

2 De feiten

2.1.

Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van de percelen grond in Amsterdam met de kadastrale nummers [nummer kadaster] . Op perceel [nummer kadaster] ligt (althans gedeeltelijk) een brug. Het betreft de brug over openbaar vaarwater (de [adres 1] ), nabij [adres 2] . Op de percelen van eisers bevinden zich twee bedrijfsverzamelgebouwen en een aantal parkeerplaatsen die aan derden worden verhuurd.

2.2.

Aan de andere kant van de brug heeft Stadgenoot een perceel grond in eigendom (kadastraal nummer [nummer kadaster] ). Daarnaast ligt een perceel grond dat eigendom is van Van Gendt Hallen B.V. (kadastraal nummer [nummer kadaster] ).

2.3.

Achter de percelen met de nummers [nummer kadaster] en [nummer kadaster] ligt een perceel waarop Stadgenoot thans 1.800 woningen aan het ontwikkelen is.

2.4.

Bij notariële akte van 13 oktober 1989 is een erfdienstbaarheid gevestigd, die als volgt luidt:

“I. Uitweg [adres 3]

Tot gebruik en ten nutte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie N nummer [nummer kadaster] , en ten laste van de percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie N nummers [nummer kadaster] en [nummer kadaster] , om via de bestaande weg te komen van en te gaan naar de [adres 3] en na te melden parkeerterrein alsmede het recht om te komen en te gaan over de brug gelegen over het kadastrale perceel [nummer kadaster] .”

Perceel [nummer kadaster] betreft de [adres 1] . De overige in de notariële akte genoemde kadastrale nummers zijn nadien “hernummerd”. Het komt erop neer dat de erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van de percelen van Stadgenoot en Van Gendt Hallen B.V. (zie 2.2), dit is het zogenoemde “heersende erf”, en ten laste van de percelen van eisers (zie 2.1), dit is het zogenoemde “dienende erf”.

2.5.

Op 20 mei 2020 heeft Stadgenoot bij de gemeente Amsterdam een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van werkzaamheden aan de brug. Die vergunning is verleend op 21 december 2020.

2.6.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning en bij de bestuursrechter van deze rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd om de vergunning te schorsen. Behandeling van dat verzoek heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. De bestuursrechter doet hierover ook heden uitspraak.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Eisers vorderen – kort gezegd – Stadgenoot te verbieden de werkzaamheden aan de brug, zoals vergund in de omgevingsvergunning van 21 december 2020, uit te (laten) voeren, althans een gebod aan Stadgenoot om van die brug af te blijven, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van Stadgenoot in de kosten van dit geding.

3.2.

Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat Stadgenoot kennelijk in de overtuiging verkeert dat zij (economisch) eigenaar is van de brug, althans dat zij als eigenaar van het heersend erf de brug mag verbouwen. Beide standpunten zijn onjuist. Eisers zijn eigenaar van het perceel waarop de brug staat en (door natrekking) dus ook van de brug. Aan eisers is geen toestemming gevraagd voor het uitvoeren van de werkzaamheden aan de brug, terwijl zij als “absoluut” rechthebbenden die toestemming wel moeten verlenen. Stadgenoot heeft eisers er niet in gekend dat zij de werkzaamheden wil gaan uitvoeren en hiervoor een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en verkregen. Eisers maken bezwaar tegen de werkzaamheden omdat die een ingrijpende wijziging van de brug inhouden. De gerenoveerde brug zal bovendien intensiever worden gebruikt, onder meer om de nieuwe woonwijk te ontsluiten, alsmede om hulpdiensten (brandweer) toegang te geven tot die nieuwe woonwijk. Uit de bouwplannen blijkt dat de brug geschikt moet worden gemaakt voor een “mensenmenigte”. Dit alles vormt een aanmerkelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid, onder meer omdat de nieuwe woonwijk niet is gelegen op het “heersende erf”. Bovendien is de erfdienstbaarheid gevestigd in het kader van een bedrijfsbestemming en kon de brug (vanwege een hek) jarenlang alleen gebruikt worden door voetgangers en fietsers. In artikel 5:73 lid 1 BW staat dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging, en voor zover in die akte regels ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Er moet dus ook worden gekeken naar het feitelijk gebruik. Daarvan uitgaande is de door Stadgenoot beoogde verzwaring van de erfdienstbaarheid niet toegestaan. De werkzaamheden aan de brug vallen evenmin binnen de reikwijdte van artikel 5:75 BW. Dit artikel bepaalt dat de eigenaar van het heersende erf bevoegd is “alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is”. Het gaat dan enkel om werkzaamheden tot instandhouding van de brug. Stadgenoot beoogt echter een vergroting dan wel een wijziging van de brug (met onder meer het plaatsen van slagbomen en een elektromechanische aandrijving etc.). Al met al maakt Stadgenoot inbreuk op de eigendomsrechten van eisers (zie artikel 5:1 BW), hetgeen onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Daar komt bij dat Stadgenoot tijdens de werkzaamheden een gedeelte van de grond van eisers (onder meer drie verhuurde parkeerplaatsen) in beslag neemt, waardoor zij niet voldoet aan de in artikel 5:74 BW opgenomen voorwaarde dat de uitoefening van een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet geschieden. Eisers hebben een spoedeisend belang bij toewijzing van hun vordering. Zij willen niet voor voldongen feiten komen te staan en het aantal verkeersbewegingen over hun erf dient beperkt te blijven.

3.3.

Stadgenoot heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend uitsluitend zien op renovatie van de brug en niet op vergroting of wijziging. Evenmin worden andere voorzieningen aangebracht, zoals slagbomen of een elektromechanische aandrijving. Er is sprake van achterstallig onderhoud aan de brug en om die reden zijn de werkzaamheden uit het oogpunt van veiligheid noodzakelijk. Een en ander blijkt uit twee in het geding gebrachte inspectierapporten. Stadgenoot ziet niet in welk belang eisers kunnen hebben om de werkzaamheden aan de brug tegen te houden. Zij zijn niet woonachtig op het dienende erf. Het werkelijke bezwaar van eisers is gericht tegen de ontwikkeling van de 1.800 woningen, maar dat is geen belang waarmee in dit kort geding rekening kan worden gehouden. Stadgenoot beroept zich op artikel 5:75 BW waaruit volgt dat zij als eigenaar van het heersend erf noodzakelijke herstelwerkzaamheden mag uitvoeren. De brug blijft in de toekomst alleen toegankelijk voor voetgangers en fietsers en alleen in een noodsituatie (als een andere toegangsweg tot de nieuwe woonwijk is geblokkeerd) zal de brug worden gebruikt door nood- en hulpdiensten. Stadgenoot beoogt op geen enkele wijze de erfdienstbaarheid na renovatie van de brug te verzwaren. Overigens zijn in de notariële akte geen beperkingen opgenomen over aard en frequentie van het gebruik van de brug. Daarin staat bijvoorbeeld niet dat de brug uitsluitend te voet of per fiets mag worden gebruikt of enkel in het kader van een bedrijfsbestemming. De conclusie van Stadgenoot is dat eisers geen enkel belang, laat staan een spoedeisend belang hebben bij een verbod van de werkzaamheden. Ervan uitgaande dat eisers eigenaar zijn van de brug, hebben zij gezien de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW juist een groot belang bij het uitvoeren van de werkzaamheden, die ook nog eens op kosten van Stadgenoot worden uitgevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Stadgenoot vordert onder verwijzing naar haar verweer in conventie – kort gezegd – gedaagden in reconventie (eisers in conventie) te veroordelen te gehengen en gedogen dat Stadgenoot de werkzaamheden aan de brug, zoals vergund in de omgevingsvergunning van 21 december 2020, uitvoert en dat Stadgenoot daarbij gebruik maakt van het dienende erf, zoals blijkt uit de door haar als productie 7 in het geding gebrachte werktekening, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van gedaagden in reconventie in de kosten van dit geding.

4.2.

Het verweer van eisers komt overeen met hun standpunten in conventie.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Eisers stellen eigenaar te zijn van de brug, omdat deze brug (althans gedeeltelijk) op hun grond staat. Gedaagden hebben hier hun vraagtekens bij geplaatst. Beantwoording van de vraag wie eigenaar is van de brug kan in dit kort geding echter in het midden blijven. Stadgenoot beroept zich op artikel 5:75 BW, waaruit volgt dat zij als eigenaar van het heersend erf noodzakelijke herstelwerkzaamheden mag uitvoeren. Dat sprake is van een erfdienstbaarheid is niet in geschil. Met partijen neemt de voorzieningenrechter dan ook de erfdienstbaarheid als uitgangspunt, waarbij eisers eigenaar zijn van het dienende erf en Stadgenoot eigenaar is van het heersende erf. De vordering van eisers zal in het kader van die erfdienstbaarheid worden beoordeeld.

5.2.

Ingevolge artikel 5:75 BW is de eigenaar van het heersende erf (Stadgenoot) bevoegd om alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. Anders dan eisers hebben betoogd – en vrezen – blijkt, zoals ter zitting door mr. Kamphuis toegelicht, uit de aanvraag voor de omgevingsvergunning, alsmede uit de vergunning zelf, dat in dit geval (enkel) sprake is van onderhoud . In de aanvraag staat bij ‘Projectomschrijving’ vermeld dat de brug wordt “gerenoveerd” en dat de werkzaamheden “bestaan uit het slopen en herbouwen van de landhoofden en het renoveren van het brugdek, hekwerk en stalen opbouw”. Uit die toelichting volgt eveneens dat de brug niet wordt gewijzigd of vergroot of dat er extra voorzieningen worden aangebracht. Mr. Kamphuis heeft ter zitting toegelicht dat wel sprake is van een wens van Stadgenoot (althans van de gemeente) om vernieuwingen aan te brengen (waaronder de mogelijkheid van elektrische bediening), maar dat de vergunning hierop uitdrukkelijk niet ziet (wegens bezwaren van de Welstandcommissie). Dat het onderhoud ook noodzakelijk is volgt uit de twee inspectierapporten die Stadgenoot in het geding heeft gebracht en die niet door eisers zijn bestreden. De voorgenomen werkzaamheden van Stadgenoot vallen dan ook binnen het kader van artikel 5:75 BW.

5.3.

Dat de aanleiding voor Stadgenoot om de werkzaamheden te verrichten mogelijk is gelegen in de bouw van de 1.800 woningen op het naast het heersende erf gelegen perceel, is voor de beoordeling niet relevant. Stadgenoot mag nu eenmaal noodzakelijk onderhoud aan de brug verrichten (zie hiervoor). Overigens is het voorshands niet aannemelijk dat de nieuwe woonwijk zal leiden tot een intensiever gebruik van de brug en (dus) tot een aanmerkelijke verzwaring van de erfdienstbaarheid. Stadgenoot heeft (onweersproken) toegelicht dat het de bedoeling is dat de nieuwe woonwijk autoluw wordt en dat al het autoverkeer via een andere route naar een grote parkeergarage zal worden geleid. Er komt bij de brug een verbodsbord te staan voor auto’s. Indien een auto de brug over komt, komt die niet ver, want even verder staat, op het terrein van eisers, een slagboom. Hulpdiensten komen alleen in een uitzonderlijk geval over de brug, namelijk wanneer de andere route is geblokkeerd. Dat de brug geschikt moet zijn voor een “mensenmenigte” is, zo heeft mr. Kamphuis toegelicht, een eis van de gemeente, maar dit zegt nog niet dat regelmatig een mensenmenigte op de brug te vinden zal zijn. Voorshands zal de brug naar het zich laat aanzien dus alleen door voetgangers en fietsers worden gebruikt. Overigens heeft Stadgenoot terecht aangevoerd dat in de notariële akte geen beperkingen aan het gebruik of de bestemming van de brug worden gesteld.

5.4.

Dat zich thans een hek op de brug bevindt en dat dat hek mogelijk na het uitvoeren van de werkzaamheden wordt verwijderd, houdt evenmin een verzwaring van de erfdienstbaarheid in. Ter zitting is gebleken dat dit hek pas in 2006 (dus geruime tijd na vestiging van de erfdienstbaarheid) is geplaatst. Bovendien blijkt uit hetgeen ter zitting is verklaard dat het hek al geruime tijd altijd open staat (voor fietsers en voetgangers).

5.5.

Mocht de nieuwe woonwijk (en daardoor het gebruik van de brug) toch voor overlast gaan zorgen voor (de huurders van) eisers, dan ligt het voor de hand dat partijen als goede buren met elkaar in overleg treden. Dat dit overleg tot op heden niet naar tevredenheid van eisers is gevoerd, lijkt een gevolg te zijn van de (aanvankelijke) onduidelijkheid bij partijen over de eigendom van de brug. Stadgenoot heeft daarom, mogelijk ten onrechte, eisers niet of te laat bij haar plannen betrokken, waardoor eisers zich overvallen voelden. Dit alles laat het oordeel dat het Stadgenoot is toegestaan de werkzaamheden genoemd in de omgevingsvergunning uit te (laten) voeren onverlet.

5.6.

De conclusie is dat de vordering van eisers zal worden afgewezen, met veroordeling van eisers in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Stadgenoot worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.683,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Nu de vordering in conventie is afgewezen, leidt dit tot toewijzing van de spiegelbeeldige vordering in reconventie. Stadgenoot heeft hierbij een spoedeisend belang omdat zij door moet kunnen gaan met haar plannen. In het kader van een afweging van belangen, moet het Stadgenoot worden toegestaan tijdelijk gebruik te maken van de grond van eisers voor het uitvoeren van de werkzaamheden, zoals opgenomen in de werktekening van productie 7. Stadgenoot heeft ter zitting gezegd dat dit ongeveer 10 tot 12 weken duurt. Omdat het gaat om een tijdelijk gebruik valt dit voorshands binnen het kader van artikel 5:74 BW waarin is bepaald dat de uitoefening van een erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze moet geschieden.

6.2.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in de beslissing vermeld.

6.3.

Gedaagden in reconventie zullen worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van Stadgenoot. Gezien de samenhang met het geding in conventie worden die kosten begroot op nihil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van Stadgenoot tot op heden begroot op € 1.683,00,

7.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

veroordeelt verweerders in reconventie om te gehengen en gedogen dat Stadgenoot de voor de renovatie van de brug vereiste werkzaamheden, waarvoor op 21 december 2020 een omgevingsvergunning is verleend, uitvoert en daarbij gedurende de periode dat deze werkzaamheden voortduren gebruik maakt van (delen van) het dienende erf, op de wijze zoals aangegeven op de door Stadgenoot als productie 7 in het geding gebrachte werktekening, die ook aan dit vonnis wordt gehecht, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

7.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.6.

veroordeelt gedaagden in reconventie in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Stadgenoot begroot op nihil,

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2021.1

1 type: MV coll: LO