Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
13-994042-18 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis: wederrechtelijk verkregen voordeel naar beneden bijgesteld, omdat verkoop van de gevaarlijke stof aan een andere partij een realistisch alternatief was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2021/32 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-994042-18 [jw.sys.1.verdachte_voornamen] [de veroordeelde] Rotterdam BV

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-994042-18 (ontneming)

Datum uitspraak: 7 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13-994042-18, tegen:

[de veroordeelde] ,

Gevestigd op het adres [adres]

Bovengenoemde rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door

[de vertegenwoordiger]

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966

Ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [BRP-adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. van Haeringen en van wat de vertegenwoordiger van de veroordeelde en haar raadsman mr. J. Barensen naar voren hebben gebracht.

2 De vordering

Onderzoek van de zaak

De vordering van de officier van justitie van 16 oktober 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [de veroordeelde] (hierna: [de veroordeelde] ) opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 391.614,68.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [de veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

[de veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2021 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld.

Kwalificatie

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank constateert dat voorafgaand aan de zitting een conclusiewisseling heeft plaatsgehad tussen [de veroordeelde] en de officier van justitie. Deze stukken zijn opgenomen in het dossier. Uit de stukken blijkt onder meer het volgende.

De officier van justitie heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat [de veroordeelde] een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 391.614,68, bestaande uit de opbrengst van de verkoop van [afvalstof] aan [bedrijf 1] en de besparing van de kosten voor verwijdering via [bedrijf 2] Hierbij baseert de officier van justitie zich op de berekening zoals die is opgenomen in het financieel rapport van 5 juli 2018.

[de veroordeelde] heeft hier tegenin gebracht dat zij een realistisch alternatief had om de [afvalstof] af te zetten, mocht geoordeeld worden dat [afvalstof] een gevaarlijke stof was. De [afvalstof] had dan via het Belgische bedrijf “ [bedrijf 3] ” afgezet kunnen worden. Deze onderneming mag gevaarlijke afvalstoffen innemen en zou [de veroordeelde] hiervoor ook betaald hebben. De verkoop van de [afvalstof] aan [bedrijf 1] heeft € 13.194,50 meer opgeleverd dan verkoop aan [bedrijf 3] .

Ter zitting heeft de officier van justitie verklaard dat zij contact heeft opgenomen met “ [bedrijf 3] ” en van mening is dat verwijdering door “ [bedrijf 3] ” een reëel legaal alternatief was. Om die reden is de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangepast en wordt alleen rekening gehouden met het verschil in opbrengst tussen dit alternatief en de afvoer naar [bedrijf 1] Er resteert dan een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 13.194,50. De officier van justitie verzoekt de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 13.194,50 en aan [de veroordeelde] de betalingsverplichting op te leggen ter hoogte van dit bedrag, inclusief rente.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 13.194,50.

De rechtbank ontleent deze schatting aan de genoemde feiten en omstandigheden die door [de veroordeelde] naar voren zijn gebracht en die door de officier van justitie zijn overgenomen.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 13.194,50 (dertienduizend honderdvierennegentig euro en vijftig cent).

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 13.194,50.

Legt op aan [de veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 13.194,50 (dertienduizend honderdvierennegentig euro en vijftig cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J. Knol en M.J.E. Geradts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2021.