Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
13/299212-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling tot gevangenisstraf van 2 maanden, met aftrek van voorarrest. Uitgaansgeweld. Vrijspraak van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Tul afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/299212-19 en 13/111850-18 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 10 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E. Woudman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Steller naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij zich op 14 december 2019 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan primair poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling van [persoon].

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt. Op grond van de verklaringen van aangever, verdachte en getuige Dijkstra kan mishandeling worden bewezen.

3.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. De raadsman heeft aangevoerd dat mishandeling kan worden bewezen, omdat verdachte heeft verklaard dat hij aangever heeft geslagen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Op 14 december 2019 heeft tussen verdachte en aangever een confrontatie plaatsgevonden. In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven is gerelateerd dat verdachte twee keer met zijn vuist op het hoofd van aangever slaat. Uit de letselverklaring blijkt dat aangever als gevolg van het incident schaaf- en kraswonden op de rug, de rechterelleboog en de rechterknie en onderhuidse bloeduitstortingen op het hoofd en de rug heeft opgelopen. Aangever heeft tegenover de arts en de verbalisant verklaard dat hij het letsel heeft opgelopen doordat hij is geslagen op het hoofd. Deze toedracht is volgens de arts passend bij het letsel. Verder heeft aangever verklaard dat verdachte hem heeft geschopt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij aangever tijdens de worsteling heeft geslagen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte meermalen tegen het lichaam van aangever heeft geslagen, gestompt en geschopt.

Verdachte zal van de overige ten laste gelegde handelingen worden vrijgesproken, nu de aangifte op deze onderdelen onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht meer subsidiair bewezen dat verdachte:

op 14 december 2019 te Amsterdam [persoon] heeft mishandeld door meermalen tegen het lichaam van die [persoon] te slaan en te stompen en te schoppen.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest. Hij vindt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de hoogte niet langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft vastgezeten, een passende straf. Daarbij heeft de officier van justitie als strafverzwarend meegewogen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld, terwijl hij onder invloed was van alcohol. De officier van justitie heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat uit het voortgangsverslag van 16 februari 2021 van reclassering Inforsa naar voren komt dat verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht en zelfinzicht heeft gekregen.

7.2

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op de ernst van het feit en het tijdsverloop sinds het incident vindt de raadsman een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals gevorderd door de officier van justitie, een te zware straf. De raadsman heeft verzocht om in het voordeel van verdachte mee te wegen dat hij goed heeft meegewerkt aan het reclasseringstoezicht.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meermalen tegen het lichaam te slaan, stompen en schoppen. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan pijn ondervonden en letsel opgelopen. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat de gebeurtenis emotioneel gezien indruk op hem heeft gemaakt. Uitgaansgeweld veroorzaakt in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen de Pro Justitia rapportage van 17 maart 2020, opgesteld door psycholoog M.G.H. van Willigenburg. De psycholoog heeft, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat sprake is van alcoholproblematiek. De psycholoog heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Bij deze stand van zaken heeft de psycholoog geen interventieadvies uitgebracht en zich onthouden van het geven van een advies ten aanzien van het risico op recidive.

Uit het voortgangsverslag van reclassering Inforsa van 16 februari 2021, opgesteld door toezichthouders A.A.F.M. Tiggeler en R.J. Cok, maakt de rechtbank het volgende op.

Verdachte ervaart geen problemen op de verschillende leefgebieden. Hij heeft een baan als loodgieter en woont nog thuis. Vanwege zijn woonsituatie is verdachte in staat om een goede financiële buffer op te bouwen, zodat hij op den duur een eigen woning kan betalen.

Verdachte is onder parketnummer 13/111850-18 veroordeeld voor mishandeling, gepleegd onder invloed van alcohol. Verdachte heeft in het kader van deze veroordeling eerst niet meegewerkt aan de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden. Vervolgens is verdachte vanwege de verdenking in deze strafzaak aangehouden, waarna de voorlopige hechtenis van verdachte onder bijzondere voorwaarden werd geschorst. Sindsdien heeft verdachte meewerkt aan zijn behandeling en zich aan de afspraken met de reclassering gehouden. De behandeling van verdachte is gericht op zijn delictgedrag, alcohol- en cannabisgebruik en agressieproblemen. Volgens de behandelaar en de reclassering heeft deze behandeling geleid tot meer zelfinzicht bij verdachte en meer stabiliteit in het leven van verdachte. Het lijkt erop dat verdachte zijn gedrag met betrekking tot zijn alcoholgebruik onder controle heeft, waardoor de kans op recidive is verminderd. Binnen drie maanden zal de behandeling positief worden afgerond.

Bij deze stand van zaken vindt de reclassering oplegging van een nieuw reclasseringstoezicht met een proeftijd van twee jaren niet nodig. Indien de rechtbank bij een bewezenverklaring aan verdachte – conform het advies van reclassering Inforsa van 19 maart 2020 – een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden passend vindt, wordt geadviseerd om de proeftijd te bepalen op één jaar.

De straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor mishandeling. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat dit niet de eerste keer is geweest dat verdachte een mishandeling heeft gepleegd, terwijl hij onder invloed was van alcohol. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit in een proeftijd. Verder wordt in strafverzwarende zin meegewogen dat sprake is geweest van uitgangsgeweld, gericht tegen een beveiliger tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte – anders dan in het verleden – goed heeft meegewerkt aan zijn behandeling en begeleiding bij de reclassering. Ook heeft verdachte zelfinzicht gekregen. Deze positieve ontwikkelingen weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek voorarrest, opleggen.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij vonnis van 6 juni 2019 van de politierechter rechtbank Amsterdam is van de eerder in de zaak met parketnummer 13/111850-18 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 42 dagen een gedeelte – te weten 14 dagen – ten uitvoer gelegd. Bij de stukken zit de op 13 februari 2020 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin het resterende gedeelte van deze eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 42 dagen alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Mede gelet op de straf die in deze zaak wordt opgelegd, in combinatie met de duur die verdachte in voorarrest heeft vastgezeten, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van het resterende deel van de voorwaardelijk opgelegde straf afwijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/111850-18.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is in een apart bevel opgemaakt.

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. G. Oldekamp en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.M. van der Beek en K.P.M. Smeets, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2021.

[...]