Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
13/202292-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verkrachting. Veroordeling op grond van artikel 243 Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft seksuele handelingen verricht bij aangeefster terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde (te weten: terwijl zij sliep). Verzoek tot het horen van getuigen (gebaseerd op het arrest van het EHRM in de zaak Keskin) afgewezen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 dagen (met aftrek van voorarrest) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Vordering benadeelde partij grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/202292-20 (Promis)

Datum uitspraak: 24 maart 2021

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres]

.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. van Gils, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij, mevrouw [naam slachtoffer] , en haar raadsman, mr. P.G.J.M. Boonen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 28 juni 2020 in Amstelveen:

  • -

    primair: mevrouw [naam slachtoffer] heeft verkracht;

  • -

    subsidiair: zijn vingers en penis in de vagina van mevrouw [naam slachtoffer] heeft gebracht, terwijl hij wist dat zij in staat van bewusteloosheid, lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn verkeerde (te weten: terwijl zij sliep).

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht. Deze tekst geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op zondag 28 juni 2020, omstreeks 05.55 uur, kreeg de meldkamer van de politie Amsterdam een melding van getuige [naam getuige 1] . Zij had op dat moment een vriendin aan de lijn, genaamd [naam slachtoffer] (hierna ook: [naam slachtoffer] /aangeefster). Zij was volgens getuige [naam getuige 1] hevig geëmotioneerd en wist niet waar zij zich op dat moment bevond. Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] troffen vervolgens omstreeks 06.30 uur [naam slachtoffer] in Amstelveen aan op straat. Verbalisant [naam verbalisant 1] zag dat [naam slachtoffer] aan het huilen was. Zij hoorde [naam slachtoffer] snikkend verklaren dat zij met haar vriendin aan het bellen was. De verbalisanten namen [naam slachtoffer] mee naar het politiebureau. Onderweg hoorde verbalisant [naam verbalisant 1] dat [naam slachtoffer] snakte naar adem en zag zij dat [naam slachtoffer] erg overstuur was. [naam slachtoffer] huilde hardop en riep: “Ik kan niet geloven dat dit gebeurd is”.

Aangekomen op het politiebureau heeft verbalisant [naam verbalisant 1] een gesprek gevoerd met [naam slachtoffer] . Zij verklaarde dat zij de afgelopen nacht bij een goede vriend (te weten: verdachte) was geweest in Amstelveen, die zij ongeveer vijf of zes jaar kende. Ze hadden wel eens seks gehad. Op zaterdag 27 juni 2020 hadden zij afgesproken in Amstelveen. Zij waren uit eten geweest en hadden wat drankjes gedronken in de stad. ’s Nachts zijn zij teruggegaan naar de woning van verdachte. Zij sliepen daarna samen in één bed, wat voor hen gebruikelijk was. Volgens aangeefster is zij in een diepe slaap gevallen en werd zij op verschillende momenten wakker omdat verdachte zijn penis en vingers in haar vagina bracht. Aangeefster heeft meerdere keren gezegd dat verdachte hiermee moest stoppen. Rond 05.00 uur is aangeefster naar het toilet gegaan en merkte zij dat haar slip vol zat met bloed. Terug in de slaapkamer zag zij bloed op het bed.

Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij zijn penis en vingers inderdaad in de vagina van aangeefster heeft gebracht, maar dat aangeefster deze handelingen vrijwillig onderging. Aangeefster heeft één keer “stop” gezegd, waarna verdachte ook direct is gestopt. Aangeefster is om onverklaarbare reden gaan bloeden, waardoor zij in paniek raakte. Zij werd toen boos, heeft meteen haar spullen gepakt en heeft de woning van verdachte verlaten. Aangeefster zei tegen verdachte dat zij hem nooit meer wilde zien.

In de dagen na het incident hebben aangeefster en verdachte contact gehad via WhatsApp. Op een vraag van aangeefster op 30 juni 2020 waarom hij haar had verkracht terwijl zij steeds “nee” zei, antwoordde verdachte: “Ik heb hier echt spijt van, ik was dronken en geil, wist niet wat er gebeurde. Weet wel dat ik ook gestopt ben.” Ook heeft verdachte aangeefster via een WhatsApp-bericht laten weten: “Ik heb hier zo veel spijt van en heb een hele grote fout gemaakt. Ik heb op dat moment de situatie verkeerd aangepakt en ingeschat.” In een ander WhatsApp-bericht zegt hij tegen aangeefster: “Nogmaals, het is niet goed te praten” en even later zegt hij dat hij te ver is gegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 maart 2021 verklaard dat zijn reacties via WhatsApp te maken hadden met het bloed op het bed en dat hij daar erg van geschrokken was.

Dat verdachte seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht, wordt niet betwist. Op grond van de verklaringen van verdachte en aangeefster staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte in de nacht van 27 op 28 juni 2020 zijn penis en vingers in de vagina van aangeefster heeft gebracht. De rechtbank moet een antwoord geven op de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als verkrachting dan wel of aangeefster ten tijde van het ondergaan van die handelingen verkeerde in een staat van bewusteloosheid, lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde verkrachting bewezen kan worden verklaard. Op grond van vaste rechtspraak kan, in een zedenzaak als deze, een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster, die als betrouwbaar kan worden aangemerkt, steun vindt in de WhatsApp-berichten die verdachte vlak na het incident naar aangeefster heeft gestuurd. Bovendien kunnen ook de waarnemingen van verbalisant [naam verbalisant 1] , de verklaring van getuige [naam getuige 1] en de verklaring van getuige [naam getuige 2] als steunbewijs dienen. Getuige [naam getuige 2] , de huidige vriend van aangeefster, heeft onder meer verklaard dat aangeefster sinds het incident niet meer zichzelf is, dat zij plotseling heel emotioneel kan worden en dat zij schrikt als hij haar aanraakt. Tot slot draagt het feit dat het slachtoffer bloedde bij aan het bewijs dat verdachte met kracht is binnengedrongen.

3.3

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde verkrachting heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte fysiek geweld heeft gebruikt – of daarmee heeft gedreigd – om aangeefster tot seksuele handelingen te dwingen. Uit jurisprudentie blijkt dat het met kracht in de vagina brengen van het mannelijk geslachtsdeel onvoldoende is om de weerstand van een slachtoffer te breken. Onder omstandigheden kan het onverhoeds seksueel binnendringen geweld opleveren, maar het seksueel binnendringen is in deze zaak niet onverhoeds gebeurd.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat onvoldoende is komen vast te staan dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. En als dat al zo was, wordt betwist dat verdachte dit wist.

Verder heeft de raadsman opgemerkt dat de verklaringen van aangeefster en verdachte elkaar uitsluiten. Duidelijk is dat er op een bepaald moment bloed op het bed lag en dat dit bij aangeefster paniek en boosheid teweeg heeft gebracht. Dat kan bij aangeefster het idee hebben doen ontstaan dat zij verkracht is. Hierbij acht de raadsman van belang dat aangeefster eerder een verkrachtingszaak zou hebben meegemaakt en dat zij ten minste twee moeizame relaties achter de rug zou hebben.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde verkrachting

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde verkrachting. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verkrachting is strafbaar gesteld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht en houdt, kort gezegd, in: het dwingen van een ander tot het ondergaan van seksuele handelingen. De toegepaste dwang moet er toe leiden dat de weerstand van het slachtoffer wordt gebroken. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad volgt uit het bestanddeel ‘dwingen’ het vereiste dat het (eventueel voorwaardelijk) opzet mede omvat het tegen de wil van het slachtoffer doen ondergaan van het seksuele binnendringen. Het moeten dulden van de handelingen vereist dus dat het slachtoffer zich van de handelingen bewust is (Hoge Raad 3 mei 2013, LJN BZ9286).

Aangeefster heeft verklaard dat zij sliep toen verdachte zijn vingers en penis in haar vagina bracht en dat zij hierdoor wakker werd. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat aangeefster wakker was op het moment dat hij zijn vingers en penis in haar vagina bracht, maar dat hij dit niet zeker weet. Op basis van de verklaringen van aangeefster en verdachte kan de rechtbank niet vaststellen dat aangeefster zich, op het moment dat de seksuele handelingen een aanvang namen, bewust was van die handelingen. Op het moment dat aangeefster zich wél bewust werd van het feit dat verdachte seksueel was binnengedrongen, heeft zij – volgens haar eigen verklaring – juist wel weerstand geboden, zodat ook in zoverre niet kan worden gesproken van feitelijke dwang die de weerstand van het slachtoffer heeft gebroken. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van verkrachting.

3.4.2

Het subsidiair ten laste gelegde

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de verklaring van aangeefster. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard en haar verklaring wordt voldoende ondersteund door de inhoud van het onderliggende dossier. De rechtbank volgt de raadsman dan ook niet in zijn suggestie dat aangeefster zich, gelet op haar verleden, mogelijk heeft ingebeeld dat verdachte die bewuste nacht ongewenste seksuele handelingen heeft verricht. De rechtbank overweegt als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 27 op 28 juni 2020 vanaf ongeveer 03.00 uur naast verdachte in bed lag en dat hij op enig moment haar benen streelde, waarvan zij wakker werd. Aangeefster zei daarop: “dat wil ik niet, dat moet je niet doen”. Toen duwde zij verdachtes hand weg, waarna ze weer in slaap viel. Vervolgens werd aangeefster weer wakker en merkte zij dat verdachte half op en achter haar lag en dat hij met zijn penis in haar stootte. Aangeefster zei daarop tegen hem: “wat ben je aan het doen? Stop daar mee, ik wil dit niet!”. Aangeefster duwde verdachte van zich af en zei: “stop daar mee”. Daarna is aangeefster weer in slaap gevallen en op een bepaald moment werd zij weer wakker van pijnscheuten. Verdachte zat toen met meerdere vingers hard in haar vagina te stoten. Aangeefster riep: “wat gebeurt hier, wat doe je nou!?” Zij zag dat haar onderbroek in het bed lag en nam deze mee naar het toilet. Het lukte aangeefster niet om te plassen omdat zij pijn had. Zij zag toen veel bloed in de wc en begon hard te schreeuwen. Toen zij terugkwam in de slaapkamer, zag zij dat er bloed in het bed lag. Verdachte pakte aangeefster bij haar armen en zei dat zij rustig moest doen. Hierop heeft aangeefster zich losgetrokken en heeft zij haar spullen gepakt, waarna zij de woning van verdachte heeft verlaten. Kort daarna heeft aangeefster haar vriendin, getuige [naam getuige 1] , gebeld. Deze heeft contact opgenomen met de politie. Het door getuige [naam getuige 1] en verbalisant [naam verbalisant 1] beschreven gedrag van aangeefster nadat zij uit de woning van verdachte was vertrokken – zij was in paniek, hysterisch aan het huilen, overstuur en snakte naar adem – passen bij hetgeen aangeefster is overkomen zoals zij daar zelf over heeft verklaard. De rechtbank vindt de door aangeefster afgelegde verklaring daarom betrouwbaar en volgt dan ook de lezing van de gebeurtenissen zoals door aangeefster verklaard. Deze lezing wordt bevestigd door de WhatsApp-berichten die verdachte – kort na het incident – naar aangeefster heeft gestuurd. In deze berichten schrijft verdachte (op 29 juni 2020) onder meer, op een vraag van aangeefster of hij wel beseft wat hij haar heeft aangedaan door seks met haar te hebben terwijl ze meerdere malen “nee” zei: “Ik heb hier zo veel spijt van en heb een hele grote fout gemaakt. Ik heb op dat moment de situatie verkeerd aangepakt en ingeschat.” Op 30 juni 2020 vraagt aangeefster waarom hij haar heeft verkracht terwijl ze steeds “nee” zei. Hierop heeft verdachte op diezelfde datum als volgt gereageerd: “Ik heb hier echt spijt van, ik was dronken en geil, wist niet wat er gebeurde. Weet wel dat ik ook gestopt ben.”

De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de context van deze berichten van verdachte, niet anders kan zijn dan dat hij spreekt over de seksuele handelingen die hij bij aangeefster heeft verricht – en niet slechts over het bloed dat in bed werd aangetroffen en waar hij, naar eigen zeggen, van is geschrokken.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat aangeefster de seksuele handelingen niet zelf heeft gewild.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of sprake was van lichamelijke onmacht, bewusteloosheid of verminderd bewustzijn bij aangeefster. Ook moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte hiervan wist (opzet) of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat hiervan sprake was.

Staat van verminderd bewustzijn

De rechtbank vindt op basis van de verklaring van aangeefster bewezen dat zij sliep toen verdachte zijn vingers en penis in haar vagina bracht. Aangeefster verkeerde daarom in een staat van verminderd bewustzijn.

Voorwaardelijk opzet

Met betrekking tot het bij verdachte aanwezige opzet gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte. Hij heeft verklaard dat het donker was in de slaapkamer waar hij met aangeefster lag, zodat hij niet kon zien of de ogen van aangeefster open waren. Zij lag met haar rug naar hem toe. Verdachte begon aangeefster in haar nek te zoenen, te strelen en heeft zijn penis en daarna zijn vingers in haar vagina gebracht. Desgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2021 verklaard dat, tijdens de eerdere keren dat aangeefster en verdachte seks hadden, het initiatief van beide kanten kwam en dat er sprake was van ‘actie-reactie’. Op 28 juni 2020 ging het initiatief uitsluitend van verdachte uit. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij haar slipje naar beneden heeft getrokken en dat zij op dat moment misschien half sliep. Ook heeft hij verklaard dat hij twee keer met zijn penis in haar vagina heeft gestoten maar dat dit niet makkelijk ging. Daarna heeft hij haar gevingerd. Hij heeft verklaard dat aangeefster haar billen licht meebewoog en dat zij een beetje kreunde, alsof zij het lekker vond. Aangeefster heeft verdachte echter niet gezoend, geen seksuele handelingen bij hem verricht, niets gezegd en zij heeft zich ook niet naar hem toegedraaid, aldus verdachte. Verdachte merkte wel dat de vagina van aangeefster vochtig werd.

De rechtbank overweegt dat aangeefster geen enkel signaal richting verdachte heeft afgegeven waaruit blijkt dat zij wakker was en instemde met de handelingen. Verdachte heeft ook op geen enkel moment getoetst of aangeefster wakker was. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat aangeefster moe was. Verder wist hij dat zij bij hem thuis meerdere glazen wijn had gedronken, dat zij daarna in het restaurant een fles wijn hadden gedeeld en dat aangeefster later op het terras meerdere glazen wijn heeft gedronken. Door al deze omstandigheden tezamen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, wat (voorwaardelijk) opzet oplevert. Dat volgens verdachte het lichaam van aangeefster reageerde op zijn aanrakingen doet hier niet aan af. Het vochtig worden van de vagina is een natuurlijke reactie van het lichaam en bovendien kan het zijn dat de vagina vochtig voelde door het bloed dat later op het bed werd aangetroffen. Bovendien zegt het vochtig worden van de vagina niets over het feit of aangeefster al dan niet wakker was.

De rechtbank komt dan ook een tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om – indien zij verwacht tot een veroordeling te komen en zich daarbij (onder meer) baseert op de verklaringen van de hierna genoemde personen – geen eindvonnis te wijzen, maar het onderzoek te heropenen en getuige [naam getuige 1] , getuige [naam getuige 2] en verbalisant [naam verbalisant 1] als getuigen te (laten) horen. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 januari 2021 in de zaak van Keskin tegen Nederland (nr. 2205/16, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516). De raadsman heeft dit verzoek als volgt toegelicht.

Ten aanzien van de verklaring van getuige [naam getuige 1] geldt, zo stelt de raadsman, dat het Openbaar Ministerie deze van belang acht voor het bewijs, aangezien het Openbaar Ministerie [naam getuige 1] aanduidt als een disclosure getuige. Ten aanzien van getuige [naam getuige 2] zou mogelijk het idee kunnen bestaan dat zijn verklaring de verklaring van aangeefster ondersteunt, omdat er mogelijk veranderingen zouden zijn in de seksuele relatie tussen deze getuige en aangeefster.

Met betrekking tot verbalisant [naam verbalisant 1] geldt dat haar verklaring mogelijk ondersteunend zou kunnen zijn, omdat zij verslag heeft gedaan van wat aangeefster haar ten tijde van hun eerste ontmoeting heeft verteld. De verdediging heeft deze getuigen nog niet bevraagd.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af. Zij overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaring van getuige [naam getuige 2] niet voor het bewijs gebruikt, zodat het verzoek ten aanzien van deze getuige reeds op die grond wordt afgewezen.

De kern van de verdenking – te weten: het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster – is door verdachte niet ontkend. De rechtbank baseert haar oordeel dat verdachte zijn vingers en penis in de vagina van aangeefster heeft gebracht, op de verklaringen van verdachte en aangeefster.

De rechtbank acht de verklaringen van getuige [naam getuige 1] en verbalisant [naam verbalisant 1] van belang voor het bewijs voor zover deze verklaringen zien op de emotionele toestand waarin aangeefster zich bevond nadat zij de woning van verdachte had verlaten. Getuige [naam getuige 1] heeft onder meer verklaard dat aangeefster tijdens hun telefoongesprek hysterisch aan het huilen was, dat zij in paniek was en dat zij bijna niet aanspreekbaar was. Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft waargenomen dat aangeefster huilde terwijl zij met getuige [naam getuige 1] belde, dat zij onderweg naar het politiebureau snakte naar adem en dat zij erg overstuur was. Deze emotionele toestand van aangeefster is door verdachte niet betwist. Hij heeft ter terechtzitting van 10 maart 2021 verklaard dat aangeefster, toen zij terug kwam van het toilet, huilde en schreeuwde dat ze boos was. Verder heeft verdachte verklaard dat aangeefster vlak daarna haar spullen heeft gepakt en dat zij de woning heeft verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van getuige [naam getuige 1] en verbalisant [naam verbalisant 1] niet ‘the sole or decisive basis’ voor de veroordeling van verdachte zijn. Dit was anders in de zaak Keskin.

De rechtbank betrekt in haar beslissing tot afwijzing van het verzoek ook het stadium waarin de raadsman zijn verzoek heeft ingediend. In dat kader acht de rechtbank het volgende van belang.

De raadsman heeft eerst bij pleidooi ter terechtzitting van 10 maart 2021 verzocht om getuige [naam getuige 1] en verbalisant [naam verbalisant 1] te (laten) horen.

De raadsman heeft verdachte echter vanaf het begin van de strafvervolging in deze zaak bijgestaan, terwijl de verklaringen van getuige [naam getuige 1] (van 15 juli 2020) en verbalisant [naam verbalisant 1] (van 28 juni 2020) van meet af aan onderdeel uitmaakten van het strafdossier. [naam getuige 1] en [naam verbalisant 1] hebben nadien geen nieuwe verklaringen afgelegd in deze zaak. Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie de raadsman bij brief van 14 september 2020 expliciet heeft uitgenodigd om eventuele onderzoekswensen binnen een termijn van vier weken kenbaar te maken aan het Regiebureau van de rechter-commissaris. De raadsman heeft daarop bij e-mail van 4 november 2020 aan het Regiebureau van de rechter-commissaris laten weten dat hij en verdachte erover hadden getwijfeld om aangeefster als getuige te horen maar hier uiteindelijk van af zagen, en dat de verdediging overigens geen onderzoekswensen had.

De rechtbank concludeert dat de verdediging dus al in een eerder stadium uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de procedure ‘as a whole’ in overeenstemming is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij verwijst in dat kader naar de conclusie van advocaat-generaal mr. Bleichrodt van 9 maart 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:231).

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 28 juni 2020 te Amstelveen, met [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer] , te weten het, terwijl die [naam slachtoffer] lag te slapen
- naar beneden trekken van de slip van de [naam slachtoffer] en
- een of meerdere malen brengen en houden van zijn, verdachtes, penis en vingers in de vagina van die [naam slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Dit is 6 maanden korter dan het uitgangspunt van 24 maanden, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, in het geval zij tot een veroordeling komt, aan verdachte een taakstraf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een blanco strafblad heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou tot gevolg hebben dat verdachte zijn koopwoning en zijn vaste baan zou verliezen. Daarnaast doet het verdachte veel verdriet dat hij aangeefster, die zijn beste vriendin was, door dit incident is kwijtgeraakt.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur en hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft, terwijl zij sliep, seksuele handelingen verricht bij aangeefster, die al jaren een goede vriendin van hem was en hem daarom volledig vertrouwde. Met zijn handelen heeft verdachte zijn lustgevoelens voor laten gaan en zich op geen enkele manier om aangeefster bekommerd. Daarnaast heeft hij met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die aangeefster ter zitting van 10 maart 2021 heeft voorgelezen, blijkt hoezeer zij nog steeds de gevolgen ondervindt van die bewuste nacht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van 19 januari 2021 dat de reclassering over verdachte heeft geschreven. Volgens de reclassering zijn tijdens het onderzoek geen problemen naar voren gekomen omtrent seksualiteit en zijn er geen risicofactoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. In het geval van een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een gevangenisstraf kan er volgens de reclassering toe leiden dat verdachte zijn vaste baan in de horeca verliest. Er zijn volgens de reclassering geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 13 januari 2021, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die strafrechters in Nederland hanteren met betrekking tot verkrachting (artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht). De reden daarvoor is dat er geen aparte LOVS-oriëntatiepunten zijn opgesteld voor artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. Het oriëntatiepunt voor verkrachting is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank ziet echter aanleiding om – in het voordeel van verdachte – van dit oriëntatiepunt af te wijken. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, dat hij volgens de reclassering geen problemen heeft met seksualiteit en dat het recidiverisico laag is. Verder vindt de rechtbank van belang dat verdachte zijn leven op orde heeft en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ertoe zou kunnen leiden dat verdachte zijn vaste baan in de horeca verliest, waardoor ook zijn koopwoning in gevaar zou kunnen komen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank aan hem de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Verdachte heeft 2 dagen in verzekering doorgebracht. De rechtbank zal daarom ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest.

Het volgens de reclassering lage recidiverisico neemt niet weg dat de rechtbank een flinke stok achter de deur nodig acht. Verdachte moet begrijpen dat hij met zijn handelen veel te ver is gegaan en dat hij aangeefster veel (emotionele) schade heeft berokkend. De rechtbank zal daarom ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaren.

8 Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

8.1

Hoogte van de vordering

De benadeelde partij vordert in totaal € 5.257,07, bestaande uit € 257,07 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2020 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van proceskosten, te weten een bedrag van € 97,44 aan reiskosten in verband met de zitting van 10 maart 2021.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd. Waar het gaat om de reiskosten kan € 0,26 per kilometer worden toegewezen, in plaats van de gevorderde € 0,28 per kilometer. Hij heeft in dat kader verwezen naar de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding per 1 januari 2017.

Voor wat betreft het door de benadeelde partij betaalde eigen risico heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het toe te wijzen bedrag op grond van redelijkheid en billijkheid te matigen.

8.4

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 137,87 wegens reiskosten die zij heeft gemaakt in verband met het doen van aangifte, een bezoek aan het Centrum Seksueel Geweld, een bezoek aan haar huisarts, een bezoek aan het ziekenhuis en een bezoek aan haar advocaat. Gevorderd wordt een bedrag van € 0,28 per kilometer. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en inhoudelijk niet betwist. De rechtbank zal de reiskosten (een totaal van 492,4 kilometer) matigen tot een bedrag van € 128,02, nu de benadeelde partij een tarief heeft gehanteerd van € 0,28 per kilometer, terwijl er in de richtlijn van De Letselschade Raad een tarief is opgenomen van € 0,26 per kilometer.

Ook vordert de benadeelde partij een bedrag van € 119,20 wegens het eigen risico dat zij heeft moeten betalen. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en niet door de verdediging betwist. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken en uit haar toelichting ter zitting blijkt dat het eigen risico is verbruikt in verband met bloedonderzoek en onderzoek naar seksueel overdraagbare aandoeningen. Dit rechtbank zal dit bedrag geheel toewijzen.

Immateriële schade

Naast de materiële schade is door de benadeelde partij € 5.000,- aan immateriële schade gevorderd. De huisarts van de benadeelde partij heeft haar doorverwezen voor behandeling, maar door wachtlijsten en het coronavirus is de behandeling nog niet gestart. Voor zover er geen lichamelijk noch geestelijk letsel zou worden vastgesteld, wordt gesteld dat er sprake is van een dusdanig ernstige normoverschrijding en inbreuk op de integriteit dat hiermee sprake is van schending van een persoonlijkheidsrecht. Op die grond maakt de benadeelde partij aanspraak op een immateriële schadevergoeding, aldus haar raadsman.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde in haar persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. Een verzoek om schadevergoeding dat hierop is gegrond, zal in beginsel moeten worden onderbouwd met concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat een dergelijke aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde die conclusie rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is. De benadeelde partij is immers slachtoffer geworden van het seksueel binnendringen van haar lichaam terwijl zij sliep. De nadelige gevolgen daarvan zijn zo evident dat de rechtbank de door de benadeelde partij overgelegde onderbouwing als voldoende beschouwt. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 5.000,- toewijsbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Proceskosten

De proceskosten zijn door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen, wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 97,44 gevorderd in verband met reiskosten voor de zitting van 10 maart 2021. Volgens de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding is dit bedrag gebaseerd op het feit dat de benadeelde partij die dag 348 kilometer heeft gereden (à 97,44 / € 0,28 per kilometer). De rechtbank gaat ook hier uit van een bedrag van € 0,26 per kilometer. Dit betekent dat een bedrag van € 90,48 (348 x € 0,26) zal worden toegewezen. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie de dader weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 5.247,22 (vijfduizend tweehonderdzevenenveertig euro en tweeëntwintig cent), bestaande uit € 247,22 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2020 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Veroordeelt verdachte in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op
€ 90,48 (negentig euro en achtenveertig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat
€ 5.247,22 (vijfduizend tweehonderdzevenenveertig euro en tweeëntwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2020 tot aan de dag dat is betaald. Wanneer er niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 61 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2021.

[(...)]

[(...)]

2 [(...)]

4 [(...)]

[(...)]