Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1311

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
13-170209-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS met voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13-170209-20 (A), 13-123547-20 (B), 13-001321-20 (C), 13-285291-20 (D)

en 13-701949-17 (TUL)

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentiieplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A onder 1: Poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair), poging tot zware mishandeling (meer subsidiair), dan wel mishandeling (meest subsidiair) van [aangever 1] op of omstreeks 20 juni 2020 te Amsterdam;

Zaak A onder 2: Poging tot zware mishandeling (primair) dan wel mishandeling (subsidiair) van [aangever 2] op of omstreeks 20 juni 2020 te Amsterdam;

Zaak B onder 1: Diefstal van een bakfiets op 23 december 2019 te Amsterdam;

Zaak B onder 2: Diefstal met braak van goederen uit een auto op 23 december 2019 te Amsterdam;

Zaak B onder 3: Vernieling van een autoruit op 23 december 2019 te Amsterdam;

Zaak C: Diefstal met braak van goederen uit een kelderbox in de periode van 5 tot en met 6 december 2019 te Amsterdam (primair), dan wel een poging daartoe (subsidiair);

Zaak D onder 1: Diefstal met braak van goederen in de periode van 15 april tot en met 22 april 2020 te Amsterdam;

Zaak D onder 2: Poging tot diefstal met braak van goederen in de periode van 4 april tot en met 22 april 2020 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd, onder verwijzing naar haar schriftelijke aantekeningen, dat bewezen kan worden dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2 primair, zaak B onder 1, 2 en 3, Zaak C primair (vrijspraak braak) en zaak D onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, dat verdachte van het in de zaak A onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair, 2 primair en in zaak D onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 primair, subsidiair en in zaak D onder 1 ten laste gelegde.

3.3.2.

In zaak A heeft de raadsman bepleit dat de onder 1 meer subsidiair en 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van aangevers [aangever 1] en [aangever 2] niet kunnen worden bewezen. In zaak A kan alleen worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 meest subsidiair en 2 subsidiair ten gelaste gelegde, te weten het mishandelen van slachtoffers [aangever 1] en [aangever 2] . Vanwege het ontbreken van steunbewijs dient verdachte verder partieel te worden vrijgesproken van het in de houdgreep houden en op het gezicht stampen van aangever [aangever 1] , alsmede van het bij de keel grijpen, gooien op de bank, met de knie tegen de keel drukken en het gezicht van [aangever 2] in een bak met water te duwen.

De rechtbank overweegt omtrent deze bewijsverweren als volgt.

Op de bewuste avond in juni 2020 heeft verdachte tijdens een barbecue met familie en buren van [aangever 2] te veel alcohol (rum) gedronken, waarna hij al vroeg in de avond naar bed is gegaan. Verdachte kan zich vanwege het overmatige alcoholgebruik niet meer herinneren wat er daarna is gebeurd. In de week voorafgaand aan deze avond had verdachte cocaïne gebruikt, omdat hij niet met zijn emoties overweg kon. Verdachte gebruikte in die periode regelmatig cocaïne. Nadat iedereen die avond de woning van [aangever 2] had verlaten heeft de verdachte eerst, zonder dat daartoe enige aanleiding was, aangever [aangever 2] ernstig mishandeld. De buurman van [aangever 2] , [aangever 1] , had aan het einde van de avond de moeder van [aangever 2] naar huis gebracht en kwam omstreeks 01.00 uur terug op de Zeeburgerdijk, alwaar voornoemde [aangever 2] woont. Hij zag dat de deur van [aangever 2] openstond en hij zag kort daarna dat het gezicht van [aangever 2] onder het bloed zat en dat haar haren in de war zaten alsof eraan getrokken was. Op dat moment werd de voordeur dichtgegooid. Na ongeveer twee minuten werd de deur opengedaan en kwam [aangever 2] op [aangever 1] afgelopen. [aangever 1] heeft haar de sleutel van zijn woning gegeven, zodat zij veilig was bij zijn huisgenoot. Vervolgens is [aangever 1] de woning in gelopen. [aangever 1] zag verdachte in de woonkamer. Hij zag en hoorde dat verdachte opgefokt was. Hij hoorde verdachte schreeuwen: “Ik wil mijn spullen! Ik wil mijn spullen!”. [aangever 1] wilde verdachte voorzichtig uit de woning naar buiten begeleiden. Op dat moment greep verdachte aangever [aangever 1] in een soort houdgreep en werd hij vervolgens ernstig mishandeld door de verdachte.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van aangevers [aangever 2] en [aangever 1] . Hun verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en inhoudelijk consistent. Bovendien worden deze verklaringen op onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de verklaring van een getuige, de foto’s van het letsel, de letselverklaringen alsmede de waarnemingen van de verbalisanten in de woning van [aangever 2] en de gedeeltelijke vastlegging daarvan op foto’s. Het standpunt van de raadsman dat voor een aantal onderdelen van de tenlastelegging steunbewijs ontbreekt kan evenmin slagen, nu niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging meervoudig bewijs is vereist. De bewijsminimumregel geldt slechts voor de gehele bewezenverklaring en niet voor elk onderdeel daarvan. De rechtbank is, dit alles afwegende, van oordeel dat de verklaringen van de aangevers betrouwbaar zijn en zal deze verklaringen bezigen voor het bewijs.

Ten aanzien van de vraag of de opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De verdachte heeft aangever [aangever 2] onder meer tegen het gezicht geslagen en gestompt, bij de keel gegrepen en zijn knie tegen de keel van die [aangever 2] geduwd waardoor zij weinig lucht kreeg. De verdachte heeft aangever [aangever 1] onder meer tegen het gezicht geslagen en gestompt en met beide voeten op het hoofd gestampt en getrapt. Het hoofd, het gezicht en de keel vormen een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Door deze gedragingen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De rechtbank is voorts van oordeel dat deze geweldshandelingen van verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn en dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Door het overmatig drankgebruik heeft de verdachte zichzelf in deze situatie gebracht en zijn geestesgesteldheid heeft daaraan niet in de weg gestaan. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3.

De verdachte heeft het in zaak C primair ten laste gelegde ter zitting van 11 maart 2021 bekend, zodat dit feit kan worden bewezen. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de in deze zaak ten laste gelegde braak ook kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

1 meer subsidiair

omstreeks 20 juni 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] in een houdgreep heeft genomen en meerdere keren tegen het gezicht van die [aangever 1] heeft geslagen/gestompt, terwijl die [aangever 1] in zijn, verdachtes, houdgreep zat en vervolgens meerdere keren op het hoofd, met beide voeten, heeft gestampt en getrapt en vervolgens met een hard voorwerp op het hoofd van die [aangever 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 primair

omstreeks 20 juni 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 2] meerdere keren tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt en bij de keel heeft gegrepen, waardoor die [aangever 2] enige tijd weinig lucht kreeg en vervolgens op de bank heeft gegooid en met zijn, verdachtes, knie tegen de keel van die [aangever 2] heeft geduwd, waardoor die [aangever 2] enige tijd weinig lucht kreeg en vervolgens het gezicht van die [aangever 2] in een bak met water (hondenbak) heeft geduwd, waardoor die [aangever 2] enige tijd weinig lucht kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Zaak B

1

op 23 december 2019 te Amsterdam, een bakfiets, kleur zwart, merk Babboe, die toebehoorde aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2

op 23 december 2019 te Amsterdam, zakken met kleding en een tas met een laptop en een koptelefoon en zonnebrillen en sleutels en een afstandsbediening en een tas met automaterialen, die toebehoorden aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen uit de auto van die [slachtoffer 2] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

3

op 23 december 2019 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk, een autoruit, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield.

Zaak C primair

op 6 december 2019 te Amsterdam, een haspel en een decoupeerzaagmachine en een nietmachine en een boormachine en handgereedschap en een cirkelzaagmachine en een compressor en een bouwlamp en een bandschuurmachine en een gereedschapskist en een haakse slijper en een boor en een stofzuiger en een accu en een schuurmachine en een freesmachine, met een totale waarde van circa 3.118,98 euro, die toebehoorden aan [slachtoffer 3] heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Zaak D onder 2

in de periode van 4 april 2020 t/m 22 april 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed van zijn gading, dat toebehoorde aan de heer [slachtoffer 4] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, het rooster van het bovenlicht af te breken en naar binnen te buigen, waardoor een opening is ontstaan en met zijn hand(en) door dat bovenlicht naar binnen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregel

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2 primair, zaak B onder 1, 2 en 3, Zaak C primair en zaak D onder 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft voorts, conform het advies van de psychiater en de psycholoog, oplegging van een terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden gevorderd. Beide deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met hechtingsprobleem, emotie- en impulsregulatieprobleem en beperkte coping. Daarnaast is sprake van verslavingsproblematiek. De gedragsdeskundigen adviseren om de ten laste gelegde feiten in zaak A in mindere mate toe te rekenen en schatten het recidiverisico in als hoog. De reclassering heeft zich bij dit advies aangesloten. De verdachte is gemotiveerd voor oplegging van een tbs met voorwaarden.

Verder heeft de officier van justitie oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) gevorderd, inhoudende dat verdachte zich gedurende een periode van 3 jaar zal onthouden van contact met slachtoffer [aangever 2] en zich niet zal ophouden in de straat waar [aangever 2] woont (Zeeburgerdijk). Hiermee is ook buurman [aangever 1] voldoende beschermd. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling kan, gelet op de eis, worden afgewezen. De inbeslaggenomen voorwerpen in zaak C kunnen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor wat betreft de geweldsfeiten is het advies om deze in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verdachte kan zich vinden in oplegging van een tbs met voorwaarden. Hij wil worden opgenomen in een kliniek, [naam kliniek] en gaat akkoord met de door de reclassering gestelde voorwaarden. De raadsman heeft tenslotte naar voren gebracht dat verdachte over twee weken in een kliniek kan worden geplaatst. De raadsman heeft hier het verzoek aan gekoppeld om vandaag onmiddellijk uitspraak te doen, omdat [naam kliniek] de verdachte alleen accepteert op basis van een onherroepelijk vonnis.

De raadsman refereert zich aan de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het beslag en verzoekt om afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.

8.3.

het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van twee slachtoffers en vier vermogensdelicten. Bij de poging tot zware mishandeling heeft verdachte eerst zijn toenmalige vriendin en daarna de buurman, die zijn buurvrouw wilde helpen, ongenadig hard mishandeld. Dit zijn ernstige feiten en voor deze geweldsexplosie na overmatig drankgebruik heeft de verdachte zelf geen verklaring kunnen geven. Dat de slachtoffers hierdoor geen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, is zeker niet aan het handelen van verdachte te danken. Zoals uit de verklaringen van de slachtoffers bij de politie en uit onder meer de schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 1] naar voren is gekomen hebben zij moeite gehad om deze gewelddadige gebeurtenis te verwerken. Van slachtoffers van mishandeling is bekend dat zij zo’n voorval als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Daarnaast brengen feiten als de onderhavige in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, waarbij hij zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin om in zijn verslaving te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerde slachtoffers.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 11 maart 2021, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.

Met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de volgende stukken:

  • -

    een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 19 november 2020, opgesteld door GZ-psycholoog J.E.P. Kruikemeier;

  • -

    een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 23 november 2020, opgesteld door psychiater M.H. Diawara;

  • -

    een reclasseringsadvies van de GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam van 30 november 2020, opgemaakt door reclasseringswerkster M. Staphorst;

  • -

    een reclasseringsadvies (tbs met voorwaarden) van de GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam van 22 januari 2021, opgemaakt door reclasseringswerkster R. Boon.

Uit het reclasseringsadvies van 22 januari 2021 en de rapportages van zowel de psychiater als de psycholoog, blijkt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Beide gedragsdeskundigen hebben een tbs met voorwaarden geadviseerd.

Aan het rapport van de psychiater van 23 november 2020 wordt onder meer het volgende ontleend:

Bij betrokkene is sprake van psychische stoornissen in de vorm van een stoornis in het gebruik van alcohol en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken. Betrokkene zegt dat hij zich niets kan herinneren van het ten laste gelegde op 20 juni 2020, terwijl duidelijk is dat er voor en tijdens het ten laste gelegde sprake was een persoonlijkheidsstoornis met hechtingsprobleem, emotie- en impulsregulatieprobleem en een beperkte coping. Er was ook sprake van een ernstig verslavingsprobleem. Betrokkene had een moeizame relatie met het slachtoffer [aangever 2] , waarbij er sprake was van jaloezie en geweld. Vanwege zijn beperkingen voortvloeiend uit zijn persoonlijkheidsstoornis kon hij deze situatie moeilijk hanteren en ging hij er op een inadequate manier mee om. Gezien de ernst van zowel de verslavings- als persoonlijkheidsproblematiek ten tijde van het ten laste gelegde wordt geadviseerd om hem het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Gezien zijn hoge kwetsbaarheid en zijn justitiële voorgeschiedenis is een gestructureerde klinische behandeling binnen een forensische setting geïndiceerd. Vanwege zijn ernstige verslavingsproblematiek en het vermoeden dat hij geen weerstand kan bieden aan de verleiding om drugs te gebruiken als hij vrijkomt, wordt een klinische behandeling in een forensische psychiatrische afdeling (FPA) geadviseerd. Tijdens de klinische fase kan langzaam toegewerkt worden richting beschermd wonen. Na de klinische fase is een langdurende ambulante behandeling bij een forensisch FACT-team geïndiceerd. Zo’n klinische behandeling als voorwaarde in het kader van een tbs met voorwaarden is gezien de problematiek van betrokkene, de ernst van het ten laste gelegde en het hoge recidiverisico geïndiceerd. Deze tbs-maatregel biedt voldoende stok achter de deur en meer mogelijkheden voor behandeling en resocialisatie. Betrokkene heeft zich bereid verklaard tot het naleven van voorwaarden. Hij heeft ziektebesef en is gemotiveerd voor een klinische behandeling.

Ten aanzien van de stoornis, het recidiverisico, de mate van toerekening en het opleggen van een tbs met voorwaarden komt de psycholoog tot dezelfde conclusies als de psychiater. Aan het rapport van 19 november 2020 wordt verder ontleend:

Betrokkene zegt op de bewuste dag geen drugs te hebben gebruikt. Wel was er sprake van een doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in de zin dat hij doorgaans veel moeite heeft om zijn emoties te reguleren en spanningen en stress slecht kan verdragen en hanteren. De alcohol zal in dit geval vooral nog verder ontremmend op zijn gedrag hebben gewerkt. Geadviseerd wordt om betrokkene een langdurige gedwongen behandeling op te leggen waarin een delictscenario kan worden opgesteld en er toegewerkt kan worden naar een ook op langere termijn abstinent blijven en het zich dan ook blijven houden aan de opgelegde maatregelen. Dit dient dan plaats te vinden binnen de beveiligde omgeving van een Forensische Verslavingskliniek.

Aan het advies van de GGZ Reclassering Inforsa van 22 januari 2021 wordt het volgende ontleend:

Betrokkene is jarenlang bekend bij de hulpverlening en reclassering. Eerdere langdurige behandelingen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. In het geval stabiliteit werd gecreëerd was dit slechts voor korte duur. Door de complexe psychiatrische problematiek in combinatie met zijn verslavingsproblematiek en een gebrek aan vaardigheden om met emoties om te gaan, valt betrokkene telkens terug in middelengebruik en delictgedrag. Een langdurige intensieve behandeling in een strak kader, waar direct kan worden ingegrepen bij destabilisatie, is geïndiceerd.

De reclassering heeft een indicatie aangevraagd bij het Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ). Deze is afgegeven voor een klinische setting op FPA-niveau. Betrokkene is door de Dienst Individuele Zaken (DIZ) voorgedragen bij de [locatie kliniek] en is daar geaccepteerd. De reclassering adviseert positief over een tbs met voorwaarden en kan het toezicht over de na te noemen voorwaarden uitoefenen. De reclassering adviseert geen dadelijke uitvoerbaarheid op te leggen. [naam kliniek] kan betrokkene alleen opnemen op grond van een onherroepelijk vonnis. Dit is een harde voorwaarde.

De reclasseringswerkster R. Boon, gehoord als deskundige op de zitting, heeft het advies bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De verdachte kan over twee weken in [naam kliniek] worden geplaatst. Er is een plek voor hem gereserveerd. Dat betreft een forensische klinische setting met een hoog beveiligingsniveau. Vanwege de slechte ervaringen met terugmeldingen accepteert de kliniek geen personen zonder een onherroepelijk vonnis.

De GGZ Reclassering Inforsa heeft in haar advies voorwaarden opgesteld die bij een tbs-maatregel kunnen worden opgelegd. Verdachte heeft ter zitting van 11 maart 2021 verklaard dat hij bereid is zich aan deze voorwaarden te houden.

Tbs met voorwaarden

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan: de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezen geachte feiten zijn misdrijven waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaren of meer stelt, tijdens het begaan van de feiten bestond bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

Gelet op de inhoud van de rapportages van de gedragsdeskundigen en het advies van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden passend en geboden is. Verdachte heeft vanwege de diepgewortelde problematiek een langdurige, klinische behandeling nodig op een afdeling met een hoog beveiligingsniveau. Die behandeling kan alleen binnen het kader van een tbs-maatregel worden vormgegeven. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.

Ongemaximeerde tbs

De rechtbank overweegt verder dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot zware mishandeling. Dit betreft de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezen geachte feiten. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar.

Gevangenisstraf

De rechtbank acht het voorts in het belang van de verdachte en de maatschappij dat de tbs-maatregel met voorwaarden zo snel als mogelijk en met een naadloze overgang vanuit de voorlopige hechtenis zal aanvangen, nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden. De rechtbank acht het onwenselijk dat de verdachte tussentijds onbehandeld in vrijheid komt en zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen opleggen. Deze gevangenisstraf overtreft de duur van het voorarrest van zaak A en zaak C met enkele dagen. Met de keuze van deze strafoplegging beoogt de rechtbank te realiseren dat verdachte gedetineerd blijft tot de datum waarop hij kan worden overgebracht naar een kliniek van de [locatie kliniek] .

8.4.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank acht het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een contact- en gebiedsverbod ten behoeve van slachtoffer [aangever 2] , niet opportuun. Aan verdachte wordt een tbs met voorwaarden opgelegd en in het geval de reclassering daartoe aanleiding ziet kan te zijner tijd een contact- en/of gebiedsverbod worden toegevoegd aan de gestelde voorwaarden.

8.5.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1: 3 STK Breekijzer (5861262)

2: 21 STK Schroevendraaier (5861266)

3: 10 STK steeksleutel (5861271)

4: 3 STK Mes (5861275)

5: 10 STK Schaar (5861276)

6: 1 STK Betonschaar (5861278)

7: 6 STK kniptang (5861280)

8: 3 STK bit sets (5861281)

9: 5 STK Waterpomptang (5861283)

die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien al deze voorwerpen, opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, zijn aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf (zaak C), terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

8.6.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel (zaak A)

De benadeelde partij [aangever 1] , vertegenwoordigd door gemachtigd raadsvrouw mr. S.C. Bunnik, advocaat te Amsterdam, vordert € 200,00 aan vergoeding van materiële schade (jas) en € 2.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts verzoekt hij tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [aangever 2] , ook vertegenwoordigd door gemachtigd raadsvrouw mr. S.C. Bunnik, vordert € 30,00 aan vergoeding van materiële schade (oorbellen € 20,00 en T-shirt € 10,00) en € 2.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts verzoekt zij tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] voor wat betreft de materiële schade (jas) voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient deze vordering te worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,00, nu het mentale letsel, de psychiade schade, onvoldoende is onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.010,00. De gevraagde vergoeding voor de oorbellen dient te worden afgewezen. Voor beide vorderingen dient de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade te matigen tot (elk) een bedrag van € 750,00. In de vordering van [aangever 1] wordt verwezen naar een uitspraak die over een ontvoering gaat. Die uitspraak kan niet met deze zaak worden vergeleken. In de vordering van [aangever 2] wordt gesteld dat sprake is van specifieke nieuwe herbelevingen als gevolg van de poging tot zware mishandeling door verdachte die passen bij een nieuwe PTSS, terwijl hiervoor geen deskundige is geraadpleegd. De materiële schade (jas) van [aangever 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 200,00. In de vordering van [aangever 2] wordt een vergoeding gevraagd voor oorbellen. Vanwege het ontbreken van een causaal verband dient de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] door het respectievelijk in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadeposten, te weten een jas ( [aangever 1] ) en een T-shirt ( [aangever 2] ), ten aanzien waarvan door de verdediging geen verweer is gevoerd, rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde. De rechtbank zal deze schadeposten daarom toewijzen.

Ten aanzien van de oorbellen zal de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit.

De rechtbank concludeert dat de vorderingen tot vergoeding van materiële schade zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 200,00 ( [aangever 1] ) en € 10,00 ( [aangever 2] ), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Vast staat dat aan de benadeelde partijen door het in zaak A onder 1 meer subsidiair ( [aangever 1] ) en 2 primair ( [aangever 2] ) bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partijen ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel hebben opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op hun lichamelijke integriteit.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 2] overweegt de rechtbank dat zij vanwege andere gebeurtenissen onder behandeling was van het [naam instantie] wegens PTSS. Zij was derhalve al een kwetsbaar persoon en de omstandigheid dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde specifieke nieuwe herbelevingen heeft gekregen, waaronder nachtmerries, komt door het handelen van de verdachte.

De hoogte van de vorderingen aan vergoeding voor immateriële schade is ter terechtzitting betwist. Gezien de onderliggende onderbouwingen van de vorderingen en gelet op de aard en ernst van de verwondingen, alsmede de geldbedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 1.000,00 voor zowel [aangever 1] als voor [aangever 2] billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 1 meer subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 2 primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.7.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 11 juni 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-701949-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 16 augustus 2018 van de meervoudige kamer in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 190 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Nu de rechtbank aan verdachte, naast een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de tbs-maatregel met voorwaarden zal opleggen, ziet de rechtbank gelet op het karakter van deze maatregel geen aanleiding om deze vordering ten uitvoer te leggen. De vordering tot tenuitvoerlegging zal daarom worden afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 45, 55, 57, 302, 310, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair en zaak D onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair, 2 primair, zaak B onder 1, 2 en 3, Zaak C primair en zaak D onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair

Telkens, poging tot zware mishandeling

Zaak B onder 1

Diefstal

Eendaadse samenloop van:

Zaak B onder 2

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

en

Zaak B onder 3

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen

Zaak C primair

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Zaak D onder 2

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van zaak A onder 1 meer subsidiair, 2 primair, zaak B onder 1, 2 en 3, Zaak C primair en zaak D onder 2

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 280 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Ten aanzien van zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 primair

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden

1. Betrokkene maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

2. Betrokkene meldt zich op afspraken bij de reclassering of op een ander door de reclassering bepaalde locatie. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

3. Betrokkene laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen;

4. Betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

5. Betrokkene helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

6. Betrokkene werkt mee aan huisbezoeken;

7. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

8. Betrokkene vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

9. Betrokkene werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

10. Als de reclassering dat nodig acht, werkt betrokkene mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

11. Betrokkene begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten het Europese deel van de landsgrenzen van Nederland. Betrokkene overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie beslist.

Aanvullende voorwaarden

12. Betrokkene wordt verplicht om zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te laten opnemen en behandelen in [naam kliniek] of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat in overleg met die instelling nodig acht.

Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

13. Indien er aansluitend aan zijn detentie nog geen plek beschikbaar is, dient betrokkene zijn medewerking te verlenen aan een verblijf in het kader van een overbruggingsvoorziening welke door de DIZ van het ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bepaald;

14. Betrokkene werkt mee aan behandeling door het Forensisch FACT van Inforsa of een soortgelijke behandeling. De behandeling start aansluitend aan de klinische periode. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

15. Betrokkene werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

16. Betrokkene werkt mee aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding/werk (indien nodig), waarbij rekening gehouden wordt met zijn draagkracht en draaglast;

17. Betrokkene geeft openheid over zijn sociale netwerk en relaties;

18. Betrokkene werkt mee aan budgetbeheer of bewindvoering mocht de reclassering dit nodig achten;

19. Betrokkene geeft inzage in zijn financiële situatie en werkt indien door de reclassering geïndiceerd mee aan een schuldsaneringstraject;

20. Betrokkene onthoudt zich gedurende de looptijd van de tbs-maatregel van het gebruik van harddrugs, softdrugs en alcohol. Bij overtreding van de voorwaarde zal het behandelteam en de reclassering besluiten of sanctionering noodzakelijk is. Betrokkene werkt mee aan urine- en ademanalysecontroles indien de toezichthouder dergelijke controles geïndiceerd acht.

Geeft opdracht aan de GGZ Reclassering Inforsa de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die aanwijzingen hulp en steun te verlenen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer (zaak C) :

1: 3 STK Breekijzer (5861262)

2: 21 STK Schroevendraaier (5861266)

3: 10 STK steeksleutel (5861271)

4: 3 STK Mes (5861275)

5: 10 STK Schaar (5861276)

6: 1 STK Betonschaar (5861278)

7: 6 STK kniptang (5861280)

8: 3 STK bit sets (5861281)

9: 5 STK Waterpomptang (5861283)

Vordering benadeelde partij [aangever 1] en de schadevergoedingsmaatregel (zaak A onder 1 meer subsidiair)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot een bedrag van € 200,00 aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 21 juni 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 1.200,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 21 juni 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [aangever 2] en de schadevergoedingsmaatregel (zaak A onder 2 primair)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 10,00 aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 21 juni 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 1.010,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 21 juni 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Wijst af de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13-701949-17.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2021.

[Bijlage]

1

[Bijlage]

2

[Bijlage]

.