Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1302

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
8559471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur bedrijfsruimte (restaurant), coronakorting, eindvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8559471 CV EXPL 20-9916

vonnis van: 23 maart 2021

fno.: 904

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie, verweerder in reconventie

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie, eiser in reconventie

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven

VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In reconventie

Bij tussenvonnis van 15 december 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter
- kort gezegd - geoordeeld dat de beperkende overheidsmaatregelen als gevolg van de coronacrisis onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW opleveren die een wijziging van de huurovereenkomst te weten een huurkorting rechtvaardigen, waarbij de tegenvaller gelijkelijk over beide partijen wordt verdeeld. De kantonrechter blijft bij de inhoud van het tussenvonnis. Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt - en zo is dit ook door partijen begrepen - dat met de verwijzing naar het ‘richtsnoer’ in rechtsoverweging 21 van het tussenvonnis wordt gedoeld op het percentage huurverlaging, dat in beginsel wordt berekend volgens de formule % huurverlaging = % omzetverlies x 50%.

[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld bij akte nadere financiële gegevens in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij door de coronacrisis geconfronteerd is met een omzetdaling van 70%.

Nadien zijn binnengekomen:
- een akte uitlating van 12 januari 2021 van [gedaagde] ;
- een antwoordakte van 9 februari 2021 van [eiser] .

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

VERDERE BEOORDELING

In reconventie

1. [gedaagde] heeft bij akte een brief van 7 januari 2021 van zijn boekhouder de heer [naam boekhouder] overgelegd, waarin die de omzetgegevens van [naam onderneming] over 2020 per maand afzet tegen die van 2019 en daar een toelichting op geeft. In zijn brief maakt [naam boekhouder] onderscheid tussen de maanden maart t/m mei en oktober t/m december 2020, toen er sprake was van een volledige lockdown, en de maanden juni t/m september 2020, toen er geen volledige lockdown was. Verder heeft [gedaagde] de maandelijkse aangiften omzetbelasting voor zowel 2019 als 2020 overgelegd. [gedaagde] heeft ook nog inzicht gegeven in de over 2020 van de overheid ontvangen uitkeringen en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een omzetdaling van 79,9% (de uitkeringen daar niet in verdisconteerd), hetgeen er volgens hem toe moet leiden dat de huur wordt gehalveerd.

2. [eiser] betwist dat het omzetverlies 79,9% bedraagt en voert aan dat de omzet in de maand maart onjuist is opgenomen in het overzicht van [naam boekhouder] . Bovendien moet er rekening worden gehouden met de verkregen NOW en TVL. Hij stelt zich op het standpunt dat het omzetverlies in 2020 42% in plaats van 79,9% bedraagt tijdens de lockdown.

3. Juist is dat de cijfers van [naam boekhouder] niet lijken te kloppen voor wat betreft de maand maart 2019 en 2020. Uit de aangiften blijkt dat de omzet in maart 2019 € 29.456,00 bedroeg en in maart 2020 - zoals [eiser] stelt - € 12.760,00. De maand maart kent dus een omzetverlies van € 16.696,00 (57% in plaats van de door [naam boekhouder] genoemde 89,6%). Hoe dan ook, de cijfers tonen aan dat de omzetdaling in de maanden van de volledige lockdown (maart, april, mei, oktober, november en december 2020) gemiddeld 75% bedraagt en in de maanden zonder volledige lockdown (juni t/m september 2020) gemiddeld 37%. Qua uitkeringen dient - anders dan [eiser] stelt - uitsluitend rekening te worden gehouden met de TVL omdat dit een op omzetverlies gebaseerde vergoeding voor vaste lasten betreft waar ook een huurcomponent in zit, terwijl de NOW een tegemoetkoming in de loonkosten betreft. Uit de opgave van [gedaagde] , die door [eiser] niet is weersproken, blijkt dat [gedaagde] in totaal in 2020 (afgerond) € 16.000,00 aan TVL heeft ontvangen. In de periode maart t/m december 2020 dient er derhalve een bedrag van € 1.600,00 per maand bij de gerealiseerde omzet te worden opgeteld. Dit resulteert uiteindelijk in een bijstelling van het percentage omzetverlies van gemiddeld (en afgerond) 70% omzetverlies tijdens volledige lockdown en 30% buiten volledige lockdown.

4. Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis, zal de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen wijzigen in die zin dat de huurprijs wordt verlaagd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie volledige lockdown versus geen volledige lockdown en uitgangspunt is dat de pijn wordt gedeeld. Conform de formule voor het bepalen van het percentage van de huurverlaging (% omzetverlies (waarbij het geheel in 2020 aan TVL ontvangen bedrag bij de omzet over dat jaar is opgeteld) x 50%), zal de kantonrechter de huurprijs met 35% verlagen gedurende een volledige lockdown en met 15% buiten volledige lockdown. De wijziging zal met terugwerkende kracht ingaan per 16 maart 2019, de datum van de eerste volledige lockdown in Nederland. Alhoewel de wijziging in beginsel voortduurt zolang de maatregelen van kracht zijn, zal geen huurkorting worden uitgesproken na 1 januari 2021. Het ontbreekt de kantonrechter over gegevens om die korting te berekenen en bovendien zijn de overheidsvergoedingen aan verandering onderhevig. Met inachtneming van het voorgaande kunnen partijen de korting vanaf dat moment zelf berekenen.

5. De kantonrechter zal [eiser] als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten aan de zijde van [gedaagde] . Nu dit niet is gevorderd, zal de proceskostenvergoeding niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie:

stelt de huurprijs voor het gehuurde met ingang van 1 februari 2019 vast op € 2.149,84 per maand, exclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

€ 236,00 aan griffierecht

€ 450,00 aan salaris gemachtigde (1,5 punt);

€ 102,96 aan explootkosten

€ 6.050,00 aan deskundigenrapport

------------

€ 6.838,96 in totaal, één en ander, voor zover van toepassing, inclusief btw;

III. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

V. wijzigt de huurovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden in die zin dat vanaf 16 maart 2019 de huurprijs zal worden verlaagd met 35% gedurende een volledige lockdown (16 maart t/m mei 2020 alsmede oktober t/m december 2020) en met 15% buiten volledige lockdown (juni t/m september 2020);

VI. veroordeelt [eiser] in de kosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 450,00 aan salaris gemachtigde inclusief btw;

VII. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. van de Poel, kantonrechter en op 23 maart 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.