Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1263

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
C/13/692504 / HA RK 20-311 en C/13/692545 / HA RK 20-315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet van statutair directeur gerechtvaardigd vanwege concurrerende handelsactiviteiten en grensoverschrijdend gedrag? Niet is gebleken van een dringende reden voor ontslag, wel van verwijtbaar handelen en nalaten ex art. 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Beschikking van 11 maart 2021

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/13/692504 / HA RK 20-311

(hierna: zaak 20-311)

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. B.L.A. van Drunen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 1] B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 2] B.V.,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweersters,

advocaat mr. J.M. van der Woude te Haarlem.

en in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/13/692545 / HA RK 20-315

(hierna: zaak 20-315)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.M. van der Woude te Haarlem,

tegen

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerder,

advocaat mr. B.L.A. van Drunen te Amsterdam.

Verzoeker in zaak 20-311 wordt hierna [verzoeker] genoemd. Verweersters in zaak 20-311 worden hierna gezamenlijk [verweerster] (in enkelvoud) en afzonderlijk [verweerster 1] en [verweerster 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in beide zaken blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties van [verzoeker] in zaak 20-311, ingekomen ter griffie op 5 november 2020;

  • -

    het verzoekschrift met producties van [verweerster 1] in zaak 20-315, ingekomen ter griffie op 6 november 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties van [verweerster] in zaak 20-311;

  • -

    de tussenbeschikkingen van 17 december 2020, waarbij voor beide zaken een gezamenlijke mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 26 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[verweerster 1] en [verweerster 2] maken deel uit van de [naam bedrijf] en zijn dochtervennootschappen van [naam B.V.] B.V. (hierna: [naam B.V.] ), waarvan de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) sinds 2001 indirect grootaandeelhouder is.

2.2.

[verzoeker] was vanaf 1 augustus 2011 als Trader bij [verweerster 1] in dienst en werkzaam binnen de Liquor divisie. Zijn salaris bestond uit vaste en variabele looncomponenten. De verschuldigdheid en hoogte van zijn bonus was afhankelijk van de mate waarin [verzoeker] bijdroeg aan de gerealiseerde omzet van [verweerster 1] . De bonus werd in twee delen uitbetaald, te weten in januari en juni. In de (laatst overeengekomen) schriftelijke arbeidsovereenkomst d.d. 10 maart 2015 is onder meer een concurrentie- en relatiebeding opgenomen.

2.3.

Met ingang van 22 februari 2019 respectievelijk 1 augustus 2019 is [verzoeker] , met behoud van zijn functie als Trader, benoemd tot statutair bestuurder van [verweerster 2] respectievelijk [verweerster 1] .

2.4.

Naar aanleiding van een ongebruikelijke factuur van een vennootschap die toebehoorde aan toenmalig statutair bestuurder [naam voormalig bestuurder] (hierna: [naam voormalig bestuurder] ) heeft [verweerster 1] in de periode van 30 juli 2020 tot en met 2 augustus 2020 een oude zakelijke telefoon van [naam voormalig bestuurder] doorzocht. Daarbij werd onder meer communicatie tussen [naam voormalig bestuurder] en [verzoeker] aangetroffen.

2.5.

Vanwege de hiervoor genoemde factuur en de aangetroffen communicatie tussen [naam voormalig bestuurder] en [verzoeker] heeft op 3 augustus 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] , de heer [betrokkene 2] als CFO van [naam B.V.] , de heer [betrokkene 3] als Head of Legal van [naam B.V.] en [verzoeker] . In dat gesprek is namens [verweerster] aan [verzoeker] meegedeeld dat de genoemde factuur en communicatie aanleiding gaven voor extern onderzoek, omdat er mogelijk sprake was van concurrerende nevenactiviteiten en/of onoorbaar gedrag van [verzoeker] . [verzoeker] werd daarom, al dan niet vrijwillig, met onmiddellijke ingang geschorst als werknemer en statutair bestuurder van [verweerster] Ten behoeve van het uit te voeren externe onderzoek heeft [verzoeker] zijn zakelijke telefoon met de bijbehorende pincode (diezelfde dag) en laptop (een dag later) ingeleverd bij [verweerster] Een en ander heeft [betrokkene 1] in een brief op 4 augustus 2020 schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd.

2.6.

Op 4 augustus 2020 heeft [betrokkene 1] collega’s en relaties van de [naam bedrijf] het volgende bericht:

“(…) Please be informed that in the course of [naam bedrijf] ’s organizational and corporate compliance review [verzoeker] has agreed to take a temporarily garden leave until further notice. (…)”

2.7.

Op 5 augustus 2020 heeft [verzoeker] onder meer aan [verweerster] meegedeeld dat hij uitsluitend akkoord ging met een controle van “business related only data” en niet met het doorzoeken van “private and personal communications or data in any form”.

2.8.

Bij e-mail van 11 augustus 2020 heeft [verweerster] aan [verzoeker] laten weten dat het door haar ingeschakelde externe onderzoeksbureau binnen een week duidelijkheid zou verschaffen over de verwachte duur van het onderzoek. Daarna heeft [verweerster] op 25 augustus 2020 per e-mail aan [verzoeker] meegedeeld dat het onderzoek nog enkele weken zou duren vanwege de grote hoeveelheid te onderzoeken data.

2.9.

Op 18 augustus 2020 zijn [betrokkene 1] en zijn personal holding Ever Rich International B.V. per 3 augustus 2020 als bestuurders van [verweerster] ingeschreven in het handelsregister.

2.10.

In een e-mail op 29 augustus 2020 heeft Integis, het door [verweerster] ingeschakelde externe onderzoeksbureau, [verzoeker] geïnformeerd dat zij een forensisch accountantsonderzoek zou uitvoeren, dat nog onduidelijk was hoe lang dat onderzoek zou duren en dat zij [verzoeker] op korte termijn zou uitnodigen voor een gesprek.

2.11.

Op 31 augustus 2020 heeft Integis aan [verweerster] een status- en voortgangsbrief gestuurd, waarbij zij de op dat moment door haar onderzochte data aan [verweerster] heeft verstrekt. Vanwege de grote hoeveelheid beschikbare data heeft Integis [verweerster] gevraagd of vervolgwerkzaamheden gewenst zijn.

2.12.

Naar aanleiding van de door Integis verstrekte data heeft [verweerster] diezelfde dag [verzoeker] per brief uitgenodigd voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: BAVA) op 8 september 2020. Op de meegezonden agenda van de BAVA stond de bespreking van de onderzoeksresultaten van Integis en het voorgenomen ontslag op staande voet van [verzoeker] als statutair bestuurder van [verweerster] gaf, voor zover hier relevant, de volgende reden voor het voorgenomen ontslag:

“(…) we found evidence of harmful side-business and willful non-compliance with [naam B.V.] ’s desires in this matter, in which this other person acted in consort with you. Apparently you were promised a percentage of the profit of this illicit actions. (…) this business chat contains ominous material of other nature as well. Other whatsapp chats (…) are evidence of various other kinds of improper and disloyal behaviour. (…)”

2.13.

In aanvulling op de eerdere communicatie hebben [betrokken B.V.] B.V. en [betrokken B.V. 2] B.V. – die eveneens deel uitmaken van de [naam bedrijf] – bij brief van 4 september 2020, voor zover hier relevant, als volgt aan [verzoeker] bericht:

“(…) We received documents (appchats) from Integis in which you play an active part in unacceptable behavior and communications. This was all done while you held a most senior and trusted position at the very heart of the Group. And by doing so, you have gravely misused your trust. This is not acceptable for any employee, let alone for a statutory director, who should lead by example.

- communications relating to side business in mouth masks and other medical supplies (COVID business). In these communications you and others divide the profit thereof, deliberately and secretly deriving the Group of this business opportunity – culpably acting against a project supported by the Board investigating this line of business, in violation of the exclusivity of service, non-compete etc. etc. you are bound to;

- evidence suggesting that you, together with others, deliberately conducted, allowed or supported unprofitable transactions for the Group;

- evidence that you acted or plotted in consort with (former) employees against the Group and its shareholders and other behaviour disloyal to the Group and its business;

- evidence that you tried to make a pact against the Group / together with an important business relation;

- disturbingly unethical behaviour – an ongoing feast of prostitution (abundantly present in appchats on business transactions);

- a stream of derogatory messages, portraying [betrokkene 1] and [betrokkene 2] in the most unpleasant and unbecoming way;

- toxic anti-Semitic outbursts of the worst possible kind, even glorifying the Holocaust;

- some of this antisemitism targeted directly and personally at important business relations of the Group;

- abundant other racist remarks and behaviour;

- a flutter of highly misogynistic remarks and jokes, aimed at female personnel and others;

- an unsafe work environment and culture, supported by you, undermining the Group and its interests;

- a general display of disrespect for and hatred against Western civil society, and its laws, values and institutions.

(…)”

Daarop heeft [verweerster] per e-mail aan [verzoeker] een grote hoeveelheid whatsappberichten verstrekt waaruit dit gedrag zou blijken. Deze whatsappberichten waren afkomstig uit diverse whatsappgroepen waarin [verzoeker] samen met collega’s actief was en dateerden uit de periode van 5 december 2017 tot en met 23 juni 2020.

2.14.

Op 8 september 2020 heeft [verzoeker] voorafgaand aan de BAVA schriftelijk gereageerd op de brief van 4 september 2020, door de daarin aan hem gemaakte verwijten afzonderlijk te ontkrachten.

2.15.

Tijdens de later die dag gehouden BAVA heeft [verweerster] na een schorsing mondeling op de brief van [verzoeker] gereageerd. Vervolgens heeft [verzoeker] zijn raadgevende stem uitgebracht en negatief geadviseerd inzake het voorgenomen besluit tot zijn ontslag als statutair bestuurder van [verweerster] Daarna heeft [verweerster] met onmiddellijke ingang ontslagen als statutair bestuurder van [verweerster] [naam voormalig bestuurder] , die op dat moment geschorst was als statutair bestuurder, was niet voor de BAVA uitgenodigd.

2.16.

Eind september 2020 heeft [verweerster] de concept-notulen van de BAVA aan [verzoeker] toegezonden. Daarop heeft [verzoeker] op 12 en 22 oktober 2020 gereageerd dat de concept-notulen geen juiste weergave zijn van wat er tijdens de BAVA is besproken.

3 Het verzoek en het verweer

in de zaak 20-311

Verzoeken [verzoeker]

3.1.

[verzoeker] verzoekt – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een gefixeerde schadevergoeding van € 106.537,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente daarover vanaf 8 september 2020;

II. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding van € 108.843,94 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2020;

III. een verklaring voor recht dat [verweerster] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, als gevolg waarvan de rechtsbetrekkingen van [verzoeker] ten einde zijn gekomen;

IV. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 1.579.840,88 bruto;

V. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 34.609,68 netto aan pensioenschade, € 10.00,-- netto aan schade wegens inbreuk op persoonlijke levenssfeer en € 33.275,-- aan voorlopige advocaatkosten;

VI. een verklaring voor recht dat [verweerster] geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding, althans dat beding geheel te vernietigen, dan wel hoofdelijke veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 460.243,67 bruto voor de looptijd van die bedingen;

VII. een verklaring voor recht dat [verweerster] , althans [betrokken B.V.] , een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover [verzoeker] door de indruk die is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer/privacy;

VIII. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] om alle persoonlijke data die [verzoeker] op zijn telefoon en laptop had staan aan hem te retourneren, onder verstrekking van de schriftelijke garantie dat dit het enige exemplaar van deze data is en zij deze data dan ook heeft laten vernietigen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- per dag;

IX. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] om de volgende schriftelijke rectificatie binnen [betrokken B.V.] rond te sturen:

“Dear all,

Earlier, [betrokkene 1] informed some of you that [verzoeker] – our statutory director for both [verweerster 1] B.V. and [verweerster 2] B.V. – was suspended due to integrity issues. He also qualified Mr. [verzoeker] as both a racist and sexist.

The court of Amsterdam has obliged us to send this rectification throughout the whole [naam bedrijf] , in order to inform all of you that it ruled the instant dismissals of Mr. [verzoeker] were both unjustified and the result of serious misconduct (ernstige verwijtbaarheid) by us.”

op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag;

X. hoofdelijke veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken – kort weergeven – ten grondslag dat hij op 8 september 2020 onrechtmatig op staande voet is ontslagen. Het besluit tot ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder is genomen in strijd met de daarvoor geldende wettelijke regels. Ook ontbrak een dringende reden voor de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [verzoeker] en [verweerster 1] . Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan het opzetten of faciliteren van een side business. Ook het verwijt dat hij daarin – samengevat – racistische en vrouwonvriendelijke opmerkingen heeft geplaatst en zich negatief over de bedrijfsleiding van [verweerster] heeft uitgelaten is onterecht. De whatsappberichten waar [verweerster] haar verwijten op baseert moeten worden gezien als humor tussen vrienden in de privésfeer. [verweerster] heeft onrechtmatig gehandeld door (privé) whatsappgesprekken en e-mails van [verzoeker] te monitoren en uit te lezen. Daarnaast heeft [verweerster] de reputatie van [verzoeker] beschadigd doordat zij zich negatief over hem heeft uitgelaten tegenover zijn collega’s en zakenrelaties, aldus steeds [verzoeker] .

Tegenverzoeken [verweerster]

3.3.

[verweerster] verzoekt – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te verklaren voor recht dat:

XI. [verzoeker] de artikelen 8.1 tot en met 8.13 uit zijn arbeidsovereenkomst heeft overtreden,

XII. [verzoeker] de bedingen 2, 3 en 6 van de Management Regulations van [betrokken B.V.] en [betrokken B.V. 2] heeft overtreden,

XIII. op 8 september 2020 ten aanzien van [verzoeker] een dringende reden bestond voor ontslag op staande voet door [verweerster 1] ,

en daarnaast [verzoeker] te veroordelen tot vergoeding van onderzoekskosten van € 25.000,-- en de proceskosten.

3.4.

[verweerster] legt aan haar verzoeken – kort weergegeven – ten grondslag dat [verzoeker] in strijd met de hierboven genoemde bepalingen opzettelijk verboden nevenactiviteiten heeft opgezet of gefaciliteerd. Daarmee staat vast dat [verzoeker] opzettelijk schade heeft toegebracht aan [verweerster] , zodat de kosten van het onderzoek naar die nevenactiviteiten op grond van artikel 7:661 BW voor zijn rekening moeten komen, aldus steeds [verweerster]

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer tegen de ingestelde (tegen)verzoeken.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 20-315

3.7.

[verweerster 1] verzoekt – samengevat – dat [verzoeker] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 13.926,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 september 2020 en met de proceskosten.

3.8.

[verweerster 1] legt aan haar verzoek – kort weergegeven – ten grondslag dat [verzoeker] vanwege zijn betrokkenheid bij concurrerende handelsactiviteiten en het door hem vertoonde grensoverschrijdende gedrag door opzet of schuld aan [verweerster 1] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Omdat [verweerster 1] vervolgens van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, is [verzoeker] aan [verweerster 1] de gefixeerde vergoeding verschuldigd op grond van artikel 7:677 lid 2 BW, aldus steeds [verweerster 1] .

3.9.

[verzoeker] voert verweer.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de zaak 20-311

Verzoeken [verzoeker]

4.1.

Als hoofdregel geldt dat – vanwege de verwevenheid van de vennootschapsrechtelijke en de arbeidsrechtelijke betrekking – het vennootschapsrechtelijk ontslag door de vennootschap in beginsel tevens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst impliceert (zie HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS 2713 en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030). In het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is dus ook de arbeidsrechtelijke opzegging begrepen. Pas als geoordeeld is dat een vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit geldig en onaantastbaar is, kan aan de orde komen wat de gevolgen van dat besluit zijn voor de arbeidsrechtelijke opzegging.

4.2.

[verzoeker] stelt dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit gebrekkig tot stand gekomen is, maar hij verbindt daaraan geen verzoek tot vernietiging van het ontslagbesluit. Het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit geldt daarom onverkort. De vraag die centraal staat is of aan het arbeidsrechtelijke ontslag op staande voet door [verweerster 1] een dringende reden ten grondslag lag en dus of [verzoeker] rechtsgeldig op staande voet is ontslagen.

Dringende reden

4.3.

Artikel 7:677 lid 1 BW bepaalt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.4.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te worden genomen. Het gaat daarbij onder meer om de aard en de ernst van wat de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.

4.5.

De door [verweerster 1] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende redenen zijn kortweg in te delen in twee categorieën:

- betrokkenheid bij concurrerende nevenactiviteiten met betrekking tot COVID-producten (te weten: de eerste vier punten in de brief van 4 september 2020), en

- grensoverschrijdend gedrag, dat zich uit in racistische en vrouwonvriendelijke uitlatingen, negatieve uitlatingen over collega’s en leidinggevenden en prostitueebezoek tijdens werktijd (te weten: de overige in de brief van 4 september 2020 genoemde punten).

Zoals hierna wordt toegelicht is de rechtbank van oordeel dat van een dringende reden voor [verweerster 1] niet is gebleken.

Concurrerende nevenactiviteiten

4.6.

Over de concurrerende nevenactiviteiten met betrekking tot COVID-producten heeft [verweerster] onvoldoende gesteld op welke wijze [verzoeker] daarbij betrokken was. Uit de door [verweerster] overgelegde transactieoverzicht en inkoopoverzichten kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] bij die transacties een rol heeft gespeeld. Dat geldt ook voor de (in dit kader) overgelegde whatsappberichten. Die whatsappberichten bestaan deels uit een gesprek tussen [naam voormalig bestuurder] en een derde, waaraan [verzoeker] geen deelnam. Over de overige, in dit kader overgelegde, whatsappgesprekken waaraan [verzoeker] wel actief meedeed heeft [verzoeker] aangevoerd dat dit slechts als grap tussen vrienden was bedoeld, wat zou blijken uit onrealistische winstafspraken en betalingstermijnen en het feit dat werd gesproken over ‘virtual money’. Daarop heeft [verweerster] nagelaten om nader en concreet toe te lichten uit welke specifieke whatsappberichten moet worden afgeleid dat [verzoeker] zich serieus heeft georiënteerd op het opzetten van een eigen handel in COVID-producten of dat hij heeft gefaciliteerd dat derden dergelijke concurrerende handelsactiviteiten konden ontplooien. Evenmin zijn er facturen op naam van [verzoeker] met betrekking tot COVID-producten of bewijzen van overboekingen aan [verzoeker] in het geding gebracht.

4.7.

Voor zover [verweerster 1] heeft beoogd om concurrerende nevenactiviteiten met betrekking tot andere zaken dan COVID-producten aan het ontslag ten grondslag te leggen, heeft zij dat in het gesprek van 3 augustus 2020, de op 31 augustus 2020 verzonden agenda voor de BAVA en de brief van 4 september 2020 niet concreet vermeld. De ter zitting gemaakte verwijzing naar het whatsappgesprek met de naam “Whichone” kan [verweerster] daarom niet baten. Voor zover daaruit al kan worden afgeleid dat [verzoeker] zich bezig hield met concurrerende nevenactiviteiten, wat nog allerminst vaststaat, ziet dat whatsappgesprek op handel in wodka en niet op handel in COVID-producten.

4.8.

Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat [verzoeker] betrokken was bij de door [verweerster] gestelde concurrerende nevenactiviteiten.

Grensoverschrijdend gedrag

4.9.

Over het in 4.5 omschreven grensoverschrijdende gedrag wordt als volgt overwogen. [verweerster] heeft de door haar op 4 september 2020 aan [verzoeker] overgelegde whatsappberichten – die honderden pagina’s beslaan – destijds aan [verzoeker] en nu in het kader van deze procedure alleen in hun algemeenheid aangehaald. Voor zover berichten van [verzoeker] niet concreet door [verweerster] uit die whatsappgesprekken zijn aangehaald en toegelicht worden deze berichten daarom buiten beschouwing gelaten. Ter onderbouwing van het gestelde grensoverschrijdende gedrag van [verzoeker] heeft [verweerster] in de stukken en ter zitting nog enigszins concreet verwezen naar de whatsappberichten die zij in haar producties 30, 31 en 36 tot en met 43 heeft opgenomen. De bijdragen van [verzoeker] in de daarin opgenomen passages moeten worden gekwalificeerd als onbetamelijk en grensoverschrijdend. Zo maakt hij daarin stelselmatig negatieve verwijzingen naar personen van andere nationaliteiten en/of culturele achtergronden, spreekt hij op een respectloze wijze over vrouwen en refereert hij meermalen aan prostituees die hij tijdens zijn dienstreizen zou hebben bezocht. Ook verwijst hij naar zijn leidinggevende [betrokkene 1] als ‘the Dog’. Maar dat is onvoldoende om te rechtvaardigen dat [verweerster 1] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] mocht opzeggen zonder inachtneming van een opzegtermijn. Daarvoor is het volgende van belang.

4.10.

Met uitzondering van een whatsappbericht over ‘corona gambling’ dateren de door [verweerster] aangehaalde whatsappberichten van vóór de benoeming van [verzoeker] tot statutair bestuurder. Van een voorbeeldfunctie van [verzoeker] als statutair bestuurder, waar [verweerster] juist de nadruk op legt, was op het moment dat hij die berichten stuurde dus nog geen sprake. Dat [verzoeker] in 2020 – en dus na zijn benoemingen tot statutair bestuurder – participeerde in een poule tussen collega’s inzake het dagelijkse aantal COVID-besmettingen in Nederland kan wellicht minder gelukkig worden genoemd, maar is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om te kunnen gelden als dringende reden. Voor het overige heeft [verweerster] niet concreet verwezen naar whatsappberichten die [verzoeker] heeft verstuurd nadat hij tot statutair bestuurder was benoemd, zodat niet is gebleken dat hij in die functie dergelijke berichten heeft verzonden. Daar komt bij dat de voorafgaand aan zijn benoeming verstuurde berichten kennelijk werden uitgewisseld in een whatsappgesprek tussen vrienden; dat de whatsappberichten op een zakelijke telefoon stonden en dat de deelnemers aan het gesprek collega’s waren maakt dat niet anders. Voor zover [verweerster] zich tevens beroept op feesten die mede door [verzoeker] zouden zijn georganiseerd (wat [verzoeker] betwist) en waarvoor prostituees en strippers waren uitgenodigd, geldt dat die feesten geen nieuwe feiten betroffen waarmee [verweerster] pas omstreeks eind juli/begin augustus 2020 bekend werd, zodat zij alleen al om die reden niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.11.

Daar staat tegenover dat [verzoeker] voldoende heeft onderbouwd dat de inhoud van de aangehaalde whatsappberichten in de kern niet afwijkt van de binnen [verweerster] heersende bedrijfscultuur. Illustrerend is daarvoor onder meer de introductiefilm voor nieuwe medewerkers, die in 2015 door [betrokkene 1] werd geproduceerd. Een dergelijke film geeft immers bij uitstek een visitekaartje af van de sfeer binnen het bedrijf. In de genoemde film worden meerdere opmerkingen gemaakt die vrouwonvriendelijk, van seksuele aard en/of racistisch zijn. Deze opmerkingen zijn op één lijn te stellen met de inhoud van de genoemde whatsappberichten die [verweerster] aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Dat geldt ook voor het op 15 januari 2016 door [betrokkene 1] verzonden bericht met daarin een foto van schaars geklede vrouwen en de tekst “wij hebben helemaal geen last gehad in Keulen”, als verwijzing naar een grootschalige groepsaanranding in Keulen die kort daarvoor plaatsvond. Dergelijke uitspraken stonden blijkbaar niet op zichzelf, want ook in 2010 (en dus voor indiensttreding van [verzoeker] ) deed [betrokkene 1] al de uitspraak “They were a Jewish club, we should bomb them!”. Tegen die achtergrond komt tevens gewicht toe aan de ter zitting gedane verklaring van [verzoeker] dat hij bij indiensttreding in 2011 de bedrijfscultuur dusdanig schokkend vond dat hij dit niet eens durfde te delen met zijn familie. Gelet op deze omstandigheden is onduidelijk waarom de whatsappberichten van [verzoeker] aanleiding waren om hem met onmiddellijke ingang te ontslaan, zonder dat van [verweerster 1] gevergd kon worden dat zij een opzegtermijn in acht nam. Mede in dat licht kunnen de door [verweerster] aangehaalde whatsappberichten niet worden gezien als een (subjectief) dringende reden voor het ontslag op staande voet.

4.12.

Omdat van een dringende reden voor het ontslag niet is gebleken kunnen de overige argumenten van [verzoeker] waarom het ontslag op staande voet geen stand zou houden, onbesproken blijven.

Verwijtbaar handelen [verzoeker]

4.13.

Maar hoewel van een dringende reden voor het ontslag niet is gebleken, volgt uit het voorgaande wel dat [verzoeker] zich door de hiervoor besproken gedragingen in de genoemde whatsappgesprekken schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar handelen en nalaten in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de arbeidsovereenkomst alsnog zou zijn ontbonden wanneer [verweerster 1] daartoe een verzoek had ingediend.

4.14.

Wel heeft [verzoeker] bij die stand van zaken recht op diverse vergoedingen, die hierna afzonderlijk worden besproken. Deze vergoedingen zijn alleen verschuldigd door [verweerster 1] en niet door [verweerster 2] , omdat tussen [verzoeker] en [verweerster 2] geen arbeidsrechtelijke betrekking bestond. Het verzoek om [verweerster 2] (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van dergelijke vergoedingen liggen daarom voor afwijzing gereed.

Transitievergoeding

4.15.

Hoewel [verzoeker] verwijtbaar gehandeld heeft (zoals hiervoor overwogen) brengt dat, tegen de achtergrond van de geschetste bedrijfscultuur binnen [verweerster 1] , niet met zich dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] in de zin van artikel 7:673 aanhef en lid 7 sub c BW. Op grond daarvan, in samenhang met het feit dat [verzoeker] sinds 2011 en dus langer dan 24 maanden in dienst was bij [verweerster 1] , is de verzochte transitievergoeding ten aanzien van [verweerster 1] dus toewijsbaar.

4.16.

Ingevolge artikel 7:673 lid 2 BW is de transitievergoeding in dit geval gelijk aan een zesde van het loon per maand voor ieder half jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd, ofwel een derde van het loon per maand voor ieder jaar dat [verzoeker] in dienst van was van [verweerster 1] . De transitievergoeding bedraagt maximaal € 84.000,– of een bedrag gelijk aan ten hoogste het loon over twaalf maanden indien dat loon hoger is dan dat bedrag. Volgens artikel 3 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding moet bij de berekening van het loon ook het overeengekomen variabele loon in de drie voorgaande kalenderjaren worden meegenomen.

4.17.

[verzoeker] heeft de transitievergoeding bepaald op € 108.843,98 bruto, maar heeft de daaraan ten grondslag liggende berekening niet overgelegd. [verweerster] heeft de transitievergoeding berekend op € 107.138,11 bruto. Zij is daarbij terecht uitgegaan van een vast bruto maandsalaris van € 8.143,33 (inclusief 8% vakantiebijslag en een eindejaarsuitkering), vermeerderd met een bonus van € 27.222,22 bruto per maand die is afgeleid van de gemiddelde bonussen in de drie voorafgaande jaren (welke € 300.000, € 450.000 en € 230.000 bedroegen). De transitievergoeding wordt daarom bepaald op het door [verweerster] berekende bedrag, want niet is gebleken dat dit het door [verzoeker] laatstgenoten jaarloon (inclusief variabele vergoedingen) overstijgt. De wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen zoals verzocht.

Gefixeerde schadevergoeding

4.18.

Omdat [verweerster 1] ten onrechte geen opzegtermijn heeft gehanteerd is zij op grond van artikel 7:672 lid 1 BW aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, die gelijk is aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [verzoeker] was negen jaar in dienst van [verweerster 1] , zodat de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst tegen 1 december 2020 kon worden beëindigd. De gefixeerde schadevergoeding wordt daarom berekend over de periode van 8 september 2020 tot 1 december 2020.

4.19.

Voor toekenning van een gefixeerde schadevergoeding die mede is gebaseerd op variabele looncomponenten is hier geen plaats. In het licht van het verwijtbare handelen van [verzoeker] ligt het immers niet voor de hand dat [verzoeker] over de opzegtermijn een bonus zou krijgen. De gefixeerde schadevergoeding wordt dan ook alleen berekend over het vaste loonbedrag van [verzoeker] (inclusief 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering). [verzoeker] heeft de gefixeerde schadevergoeding vastgesteld op € 106.537,89 bruto, maar deze berekening is zonder toelichting, die ontbreekt, niet te volgen. De door [verweerster 1] overgelegde berekening, die uitkomt op € 22.270,31, komt de rechtbank niet onjuist voor en zal daarom worden gevolgd.

4.20.

Het verzoek van [verzoeker] om de gefixeerde schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is niet toewijsbaar. Een gefixeerde schadevergoeding is namelijk geen loon waarover een wettelijke verhoging verschuldigd is (zie Hof ’s-Hertogenbosch 13 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:53).

4.21.

De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt ingevolge artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten 8 september 2020.

Billijke vergoeding

4.22.

Krachtens artikel 7:682 lid 3 BW kan de rechter aan een statutair bestuurder van een rechtspersoon, van wie herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 BW niet mogelijk is (artikel 7:671 lid 1 sub e BW), op diens verzoek een billijke vergoeding toekennen, indien de opzegging: a. in strijd is met artikel 7:669 BW, of b. het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.23.

De billijke vergoeding is ten aanzien van [verweerster 1] toewijsbaar. Het ontbreken van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW brengt met zich dat [verweerster 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, nu deze ernstige verwijtbaarheid reeds besloten ligt in de schending van de opzeggingsregels (zie het New Hairstyle-arrest van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en de conclusie van de A-G onder 3.15 daarvan). Daarnaast zijn partijen het erover eens dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet gewenst is.

4.24.

De billijke vergoeding dient ter compensatie voor de werknemer; bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen (of nalaten) van de werkgever. Tevens zal rekening mogen worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, dat wil zeggen het verlies van de arbeidsovereenkomst. Voor het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding zal rekening worden gehouden met alle (bijzondere) omstandigheden van het geval (zie het genoemde New Hairstyle-arrest van 30 juni 2017).

4.25.

In dit geval bestaat de ernstige verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van [verweerster 1] er hoofdzakelijk uit dat zij bij opzegging van de arbeidsovereenkomst geen opzegtermijn heeft gehanteerd. In 4.13 is immers overwogen dat voor de hand ligt dat de arbeidsovereenkomst op 1 december 2020 alsnog zou zijn beëindigd wanneer [verweerster 1] de juiste ontslagroute had gevolgd. Bij die stand van zaken bestaat slechts ruimte voor een beperkte billijke vergoeding die, voor zover deze niet begrepen is in de gefixeerde schadevergoeding, samenhangt met het niet in achtnemen van een opzegtermijn. De billijke vergoeding wordt daarom begroot op € 2.252,38 gemiste pensioenopbouw over de periode van 8 september 2020 tot 1 december 2020, uitgaande van de (onbetwiste) door [verzoeker] gestelde pensioenopbouw van € 824,04 per maand.

4.26.

Er bestaat geen aanleiding om bij de billijke vergoeding rekening te houden met de overige door [verzoeker] aangevoerde bezwaren tegen de gang van zaken rondom zijn ontslag. De ontslagbesluiten zijn op de juiste wijze tot stand gekomen. [verzoeker] is tijdig voor de BAVA opgeroepen, onder vermelding van de redenen die [verweerster] aan het ontslag ten grondslag legde. [verzoeker] was dan ook afdoende geïnformeerd over de gronden voor het voorgenomen ontslag. Dat die redenen bij brief van 4 september 2020 nader zijn gespecificeerd en dat geen onderzoeksrapport van Integis is overgelegd maakt dat niet anders, want [verzoeker] was blijkens zijn uitgebreide brief van 8 september 2020 en de concept-notulen van de BAVA (waarover [verzoeker] daarna schriftelijke opmerkingen heeft gemaakt) voldoende in staat om tegen het voorgenomen ontslag verweer te voeren en tijdens de vergadering zijn raadgevende stem uit te brengen. Dat [naam voormalig bestuurder] niet voor de BAVA was uitgenodigd doet evenmin afbreuk aan de geldigheid van het genomen besluit, want [naam voormalig bestuurder] was op dat moment geschorst als statutair bestuurder. Daarnaast bestond voldoende aanleiding voor het onderzoek door Integis, omdat het onderzoek niet alleen werd ingesteld naar aanleiding van een ongebruikelijke factuur op naam van [naam voormalig bestuurder] , maar ook naar aanleiding van (bij [naam voormalig bestuurder] aangetroffen) correspondentie waarin [verzoeker] een rol speelde. Verder vond de inschrijving van [betrokkene 1] en zijn personal holding als bestuurders van [verweerster] plaats op 18 augustus 2020 en niet op 3 augustus 2020, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat [verweerster] al ten tijde van het gesprek op 3 augustus 2020 had besloten om [verzoeker] per direct te ontslaan.

Schadevergoeding wegens inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

4.27.

Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade (zie ook HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851). De schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de duur en intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

4.28.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek hoofdzakelijk ten grondslag gelegd dat [verweerster] heeft gehandeld in strijd met artikel 8 EVRM jo artikel 7:611 BW in samenhang met Barbulescu-arrest (zie EHRM 5 september 2017, NJ 2018,137), en met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank volgt [verzoeker] daarin niet.

4.29.

Dat [verweerster] al in juni (en dus voorafgaand aan de schorsing van [verzoeker] ) whatsappgesprekken monitorde heeft [verzoeker] op geen enkele manier toegelicht, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat [verweerster] pas inzicht verkreeg in [verzoeker] correspondentie na de schorsing op 3 augustus 2020 c.q. na overhandiging van de zakelijke laptop en telefoon door [verzoeker] . Voor het uitlezen van de whatsappgesprekken en e-mails van [verzoeker] bestond op dat moment een voldoende rechtvaardigingsgrond, te weten de onduidelijke factuur op naam van [naam voormalig bestuurder] in samenhang met de op [naam voormalig bestuurder] telefoon gevonden communicatie waarin [verzoeker] een grote rol speelde. Dat naderhand niet is gebleken dat [verzoeker] bij die factuur (en dus bij concurrerende handelsactiviteiten) betrokken was, maakt daarvoor geen verschil.

4.30.

Daarnaast is van belang dat [verzoeker] zijn zakelijke telefoon (inclusief de bijbehorende pincode) en laptop zelf aan [verweerster] heeft overhandigd. [verzoeker] betwist dat hij dat vrijwillig deed, maar vast staat dat hij op 5 augustus 2020 aan [verweerster] meedeelde dat hij akkoord ging met een controle van “business related only data”. Nu het juist zijn zakelijke telefoon (en laptop) betrof en de whatsappberichten waarop [verweerster] zich beroept afkomstig zijn uit whatsappgesprekken tussen collega’s, mocht [verweerster] onderzoek doen naar die genoemde whatsappgesprekken.

4.31.

Voor zover [verzoeker] stelt dat [verweerster] ook zijn overige, persoonlijke data heeft onderzocht, heeft hij dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerster] , onvoldoende onderbouwd. En zou dat al anders zijn, dan is niet gesteld of gebleken dat zijn privégegevens door [verweerster] met derden zijn gedeeld of dat [verweerster] daarvan op enige wijze gebruik heeft gemaakt, laat staan dat [verzoeker] als gevolg daarvan schade heeft geleden. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is daarom voldaan.

4.32.

Bij die stand van zaken is geen sprake van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] door [verweerster] De verzochte schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Vergoeding advocaatkosten

4.33.

Een aanspraak op vergoeding van advocaatkosten die geen verband houden met de onderhavige procedure kan – in samenhang met artikel 6:96 BW – worden ontleend aan een schending door de werkgever van diens verplichting om zich als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW te gedragen. Art. 7:686a lid 3 BW opent de mogelijkheid ook op die basis in deze procedure vergoeding van de gemaakte (buitengerechtelijke) advocaatkosten te verzoeken (zie het New Hairstyle-arrest van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187).

4.34.

[verzoeker] heeft alleen in zijn algemeenheid gesteld dat hij € 33.000 exclusief btw aan advocaatkosten heeft moeten maken als gevolg van het handelen van [verweerster] Hij heeft niet toegelicht op welke wijze dit bedrag is opgebouwd. Wel volgt uit zijn stellingen dat hij zijn verzoek deels baseert op advocaatkosten die ten behoeve van deze procedure zijn gemaakt, zodat de hoogte van de buitengerechtelijke kosten zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet kan worden vastgesteld. Daarom wordt dit verzoek afgewezen.

Concurrentie- en relatiebeding

4.35.

Omdat het ontbreken van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW mee brengt dat [verweerster 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoeker] desondanks op staande voet te ontslaan, kan [verweerster 1] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten meer ontlenen aan het non-concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] was opgenomen. Datzelfde geldt voor het tussen hen overeengekomen relatiebeding, omdat een relatiebeding ook onder de werking van artikel 7:653 BW valt (zie HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364). De verzochte verklaring voor recht dat [verweerster 1] geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding wordt daarom toegewezen. Voor zover de verzochte verklaring voor recht ziet op [verweerster 2] zal deze worden afgewezen, omdat [verweerster 2] en [verzoeker] geen arbeidsovereenkomst (en dus ook geen concurrentie- en relatiebeding) zijn overeengekomen.

Retourneren persoonlijke data

4.36.

[betrokkene 1] heeft ter zitting verklaard dat hij zal zorgen voor teruggave van de persoonlijke data van [verzoeker] op zijn zakelijke telefoon en laptop. Het verzoek tot teruggave van de genoemde data is daarom toewijsbaar. Vanwege de toezegging van [betrokkene 1] wordt daaraan geen dwangsom verbonden.

Rectificatie en verklaring voor recht ernstig verwijtbaar handelen of nalaten

4.37.

Het verzoek om [verweerster] te veroordelen tot het rondsturen van de hiervoor in 3.1 onder IX weergegeven rectificatie wordt toegewezen, met uitzondering van de daarin opgenomen woorden “both … and the result of serious misconduct (ernstige verwijtbaarheid) by us”. Hoewel het ontslag wettelijk gezien kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen, is het ontslag daarvan immers niet het gevolg. Om die reden zal ook de verzochte verklaring voor recht dat [verweerster] zich schuldig hebben gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als gevolg waarvan de rechtsbetrekkingen van [verzoeker] ten einde zijn gekomen, worden afgewezen.

4.38.

[verweerster] zal worden veroordeeld om binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis de resterende tekst van de voorgestelde rectificatie binnen (alle vennootschappen van) [betrokken B.V.] rond te sturen. De verzochte dwangsom zal worden toegewezen voor een bedrag van € 500,00 per dag of per gedeelte daarvan dat [verweerster] niet aan deze verplichting voldoet, met een maximum van € 10.000,00.

Tegenverzoeken [verweerster]

4.39.

Bij haar tegenverzoeken veronderstelt [verweerster] telkens dat [verzoeker] – in strijd met de artikelen 8.1 tot en met 8.13 van zijn arbeidsovereenkomst en de bedingen 2, 3 en 6 van de Management Regulations van [betrokken B.V.] en [betrokken B.V. 2] – betrokken was bij concurrerende nevenactiviteiten. Ten aanzien van de verzochte verklaring voor recht dat voor [verweerster 1] een dringende reden bestond om [verzoeker] op staande voet te ontslaan, baseert zij haar verzoek tevens op grensoverschrijdend gedrag van [verzoeker] .

4.40.

Uit het voorgaande blijkt dat niet in rechte is komen vast te staan dat [verzoeker] betrokken was bij concurrerende nevenactiviteiten. Evenmin is gebleken van een andere dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. De tegenverzoeken van [verweerster] worden daarom afgewezen.

Proceskosten en nakosten

4.41.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:

- griffierecht € 1.639,00

- salaris advocaat 3.540,00 (2 punten × tarief € 1.770,00)

Totaal € 5.179,00

De nakosten worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

4.42.

Dit alles leidt tot de hiernavolgende beslissing.

in de zaak 20-315

4.43.

Bij haar verzoek veronderstelt [verweerster 1] dat [verzoeker] aan haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Daarvan is niet gebleken. [verweerster 1] komt daarom geen beroep toe op schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW. Het verzoek wordt afgewezen.

4.44.

VTCS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat 563,00 (1 punt × tarief € 563,00)

Totaal € 1.500,00

De nakosten worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

4.45.

Dit alles leidt tot de hiernavolgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 20-311

5.1.

veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een gefixeerde schadevergoeding van € 22.270,31 aan [verzoeker] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 8 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een transitievergoeding van € 107.138,11 aan [verzoeker] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 8 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een billijke vergoeding van € 2.252,38 aan [verzoeker] te betalen,

5.4.

verklaart voor recht dat [verweerster 1] geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst d.d. 10 maart 2015,

5.5.

veroordeelt [verweerster] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking alle persoonlijke data die [verzoeker] op zijn (zakelijke) telefoon en laptop had staan aan hem te retourneren, onder verstrekking van de schriftelijke garantie dat dit het enige exemplaar van deze data is en zij deze data dan ook hebben laten vernietigen,

5.6.

veroordeelt [verweerster] hoofdelijk om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking de volgende schriftelijke rectificatie binnen (alle vennootschappen van) [betrokken B.V.] rond te sturen:

“Dear all,

Earlier, [betrokkene 1] informed some of you that [verzoeker] – our statutory director for both [verweerster 1] B.V. and [verweerster 2] B.V. – was suspended due to integrity issues. He also qualified Mr. [verzoeker] as both a racist and sexist.

The court of Amsterdam has obliged us to send this rectification throughout the whole [naam bedrijf] , in order to inform all of you that it ruled the instant dismissals of Mr. [verzoeker] were unjustified.”

op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [verweerster] niet aan deze verplichting voldoet, met een maximum van € 10.000,00,

5.7.

veroordeelt [verweerster] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 5.179,00,

5.8.

veroordeelt [verweerster] hoofdelijk in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.9.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in de zaak 20-315

5.11.

wijst het verzoek af,

5.12.

veroordeelt [verweerster 1] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.500,00,

5.13.

veroordeelt [verweerster 1] in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerster 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.14.

verklaart de kostenveroordelingen onder 5.12 en 5.13 uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2021.

Aanvullende beschikking van 15 maart 2021

zaaknummer / rolnummer: C/13/692504 / HA RK 20-311

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te Amsterdam,

verzoeker,

advocaat mr. B.L.A. van Drunen te Amsterdam,

en

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 1] B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 2] B.V.,

beiden gevestigd te Amsterdam,

verweersters,

advocaat mr. J.M. van der Woude te Haarlem.

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd.

1 Het verzoek tot aanvulling

1.1.

Bij e-mail van 12 maart 2021 heeft mr. Van der Woude namens [verweerster] de rechtbank verzocht om aanvulling van de op 11 maart 2021 in deze zaak gegeven beschikking, in die zin dat de rechtbank alsnog beslist dat de toegewezen transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding bruto moeten worden betaald.

Bij e-mail van 12 maart 2021 heeft mr. Van Drunen namens [verzoeker] aan de rechtbank bericht geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van dat verzoek, voor zover dat verzoek ziet op de bruto betaling van de transitievergoeding.

Voor het overige heeft hij wel bezwaar gemaakt. De gefixeerde schadevergoeding is geen loon, zodat dit bedrag niet als een bruto bedrag kan worden gekwalificeerd. De billijke vergoeding betreft een bedrag dat gebaseerd is op de gemiste pensioenbouw. Ook daarbij past het niet uit te gaan van een bruto bedrag, aldus [verweerster]

2 De beoordeling

2.1.

De rechtbank is van oordeel dat in de beschikking van 11 maart 2021 is verzuimd te beslissen op het door mr. Van der Woude in haar voormelde e-mail aangegeven onderdeel van het verzoek. De genoemde bedragen worden als bruto bedragen toegewezen. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen als volgt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat nrs. 5.1 tot en met nr. 5.3 van de op 11 maart 2021 tussen [verzoeker] en [verweerster] gegeven beschikking worden gewijzigd in:

“5.1 veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een gefixeerde schadevergoeding van € 22.270,31 bruto aan [verzoeker] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 8 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2

veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een transitievergoeding van € 107.138,11 bruto aan [verzoeker] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 8 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3

veroordeelt [verweerster 1] om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een billijke vergoeding van € 2.252,38 bruto aan [verzoeker] te betalen,”,

3.2.

bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum 15 maart 2021 wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 11 maart 2021,

3.3.

gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van de beschikking van 11 maart 2021 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2021.