Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1191

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
C/13/697275 / KG ZA 21-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, artikel 7:904 lid 1 BW, artikel 7:906 lid 1 BW, staat een besluit van bestuur van een vereniging en beslissing op beroep daartegen door CvB ter beoordeling aan civiele rechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/697275 / KG ZA 21-116 MDvH/LO

Vonnis in kort geding van 16 maart 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 12 februari 2021,

advocaat mr. A.J.F. de Jager te Amsterdam,

tegen

de vereniging

VERENIGING VAN LETSELSCHADEADVOCATEN "LSA",

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en LSA worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 2 maart 2021 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. LSA heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.

Ter zitting waren aanwezig [eiseres] en mr. R. Alberts (kantoorgenoot), bijgestaan door mr. De Jager en mr. S.A. Adriaanse. Aan de kant van LSA waren aanwezig mr. [naam voorzitter] (voorzitter) en mr. [naam penningmeester] (penningmeester), bijgestaan door mr. Verduijn.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in 2017 afgestudeerd in de studie Nederlands recht en op 10 januari 2018 beëdigd als advocaat.

2.2.

LSA is een vereniging van letselschadeadvocaten. In de statuten van LSA, laatstelijk gewijzigd op 1 augustus 2018, staat, voor zover van belang, het volgende.

“(…)

Lidmaatschap.

Artikel 4.

1. De Vereniging kent gewone leden, aspirant-leden en leden in buitengewone dienst.

2. Het gewoon lidmaatschap en het aspirant-lidmaatschap van de Vereniging staat uitsluitend open voor advocaten.

3. Tot gewoon lid of aspirant-lid van de Vereniging kunnen worden toegelaten advocaten die door opleiding en ervaring deskundigheid bezitten op het gebied van persoonsschade.

4. Teneinde het gewoon lidmaatschap onderscheidenlijk het aspirant-lidmaatschap te verwerven dient een gegadigde een schriftelijk verzoek in te dienen bij het bestuur.

5. Deskundigheid dient ten genoegen van het bestuur aannemelijk te worden gemaakt; bij huishoudelijk reglement zullen nadere eisen en voorwaarden voor toelating tot en schorsing en beëindiging van het gewoon lidmaatschap en het aspirant-lidmaatschap worden aangegeven.

6. Het bestuur beslist over toelating van een gewoon lid of een aspirant-lid.

7. (…)

8. Tegen een afwijzende beslissing van het bestuur op een verzoek tot toelating als gewoon lid is beroep op de Commissie van Bijstand, als bedoeld in artikel 10 mogelijk (…)

9. (…)

10. Advocaten die nog niet aan de eisen voor toelating als gewoon lid voldoen, kunnen als aspirant-lid van de Vereniging worden toegelaten; bij huishoudelijk reglement wordt aangegeven aan welke voorwaarden zij zullen moeten voldoen en op welke wijze het aspirant-lidmaatschap tot het gewone lidmaatschap kan leiden.

(…)

Bestuur.

Artikel 8.

(…)

2. Het lidmaatschap van het bestuur en dat van de Commissie van Bijstand zijn onverenigbaar.

(…)

Commissie van Bijstand.

Artikel 10.

1. De ledenvergadering benoemt een Commissie van Bijstand, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, die geen leden der Vereniging kunnen zijn. (…)

5. De Commissie van Bijstand fungeert als beroepsorgaan tegen besluiten van het bestuur als bedoeld in artikel 4 lid 8 (…)

6. De Commissie van Bijstand verklaart het beroep gegrond wanneer zij, gehoord het bestuur en de betrokkene te wiens aanzien het bestreden besluit is genomen, vaststelt dat het bestuur niet in redelijkheid tot het aan het besluit ten grondslag liggende oordeel heeft kunnen komen.

(…)

Huishoudelijk reglement.

Artikel 19.

1. De ledenvergadering kan een huishoudelijk reglement vaststellen.

2. Het huishoudelijk reglement mag niet in strijd zijn met de wet en de statuten.

(…)”

2.3.

In het huishoudelijk reglement van de LSA (hierna: HR), zoals te raadplegen op de website van LSA, van 18 april 2018, staat, voor zover van belang, het volgende.

“(…)

1. LIDMAATSCHAP

1.1

Toelating gewoon lidmaatschap

1. Tot lid van de Vereniging kunnen overeenkomstig art. 4 van de statuten advocaten worden toegelaten die:

a. gedurende de acht jaren voorafgaand aan de datum van het verzoek om toelating als lid ten minste vijf jaren als advocaat zijn ingeschreven op het tableau (…).

b. de door het bestuur van de Vereniging erkende opleidingen en/of cursussen hebben gevolgd en de daarop betrekking hebbende toetsen met goed gevolg hebben afgelegd (…).

c. in het jaar voorafgaande aan de datum van het verzoek om toelating als lid ten minste 400 cliëntgebonden uren hebben besteed aan de behandeling van personen-schadezaken, en

d. een schriftelijke verklaring aan de Vereniging hebben afgegeven, waarin de aanvrager verklaart tijdens het lidmaatschap van de Vereniging geen personenschade zaken te behandelen waarbij (…) geen volledige vrijheid bestaat om (…) de mate van tijd- en geldbesteding daaraan vrijelijk vast te stellen. (…)

2. Het bestuur kan ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 sub a van dit artikel, wanneer bijzondere deskundigheid van de betrokkene daartoe aanleiding geeft en hij/zij beschikt over een onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau (…).

(…)

1.2

Toelating aspirant-lidmaatschap

1. Advocaten die niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in art.1.1, kunnen door het bestuur worden toegelaten als aspirant-lid als zij aan het bestuur hebben aangetoond personenschadezaken als bedoeld in art. 3 lid 1 van de statuten in behandeling te hebben.

2. Het aspirant-lidmaatschap gaat van rechtswege over in het gewoon lidmaatschap, op het moment dat binnen vijf jaren na de dag van aanvang van het aspirant-lidmaatschap wordt voldaan aan de vereisten van het gewoon lidmaatschap zoals bedoeld in artikel 1.3 van dit reglement, waaronder afgifte van de verklaring als bedoeld in lid 1 sub e van dat artikel door het betreffende lid.

3. Het aspirant-lidmaatschap vervalt van rechtswege indien niet binnen vijf jaren na de dag van aanvang van het aspirant-lidmaatschap het gewoon lidmaatschap is aangevraagd en verkregen.(…)

1.3

Voorwaarden tijdens het gewoon lidmaatschap

1. Gedurende het lidmaatschap van de Vereniging dient een gewoon lid aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:

a. Als advocaat ingeschreven zijn op het tableau (…)

b. Voldoen aan de statutaire eisen voor het lidmaatschap als onder meer bedoeld in artikel 6 lid 3 van de statuten van de Vereniging. (…)

c. Jaarlijks ten minste 500 zaaksgebonden uren besteden aan personenschade-zaken;

(…)

2 BEHANDELING VAN HET BEROEP

1. Een beroep op de Commissie van Beroep in de gevallen waarin in de statuten of het huishoudelijk reglement is opengesteld, dient schriftelijk te geschieden binnen één maand na de datum van de verzending van de schriftelijke beslissing van het bestuur.

(…)

4. De Commissie van Beroep beslist in hoogste instantie binnen vier maanden na de toezending van de stukken (…).

(…)”.

2.4.

Met ingang van 6 maart 2018 is [eiseres] toegelaten als aspirant-lid van LSA. In eerste instantie was haar verzoek daartoe geweigerd met het argument dat zij nog geen vijf jaar ervaring had als advocaat. LSA was er daarbij vanuit gegaan dat [eiseres] een aanvraag deed voor een gewoon lidmaatschap. Toen bleek dat het om een aspirant-lidmaatschap ging is [eiseres] alsnog toegelaten. In een e-mail van 6 maart 2018 van de adjunct-secretaris van de LSA aan [eiseres] staat onder meer:

“Het aspirant-lidmaatschap vervalt van rechtswege indien niet binnen 5 jaar na aanvang van het aspirant-lidmaatschap het volwaardig lidmaatschap is aangevraagd en verkregen.”

2.5.

Op 14 mei 2020 heeft [eiseres] de Grotius-opleiding personenschade met goed gevolg afgerond. Dit is een van de vereisten voor het lidmaatschap van LSA.

2.6.

Op 2 mei 2020 heeft [eiseres] LSA verzocht om haar aspirant-lidmaatschap om te zetten in een gewoon lidmaatschap. Zij heeft het bestuur daarbij verzocht om ontheffing te verlenen op grond van artikel 1 lid 2 en lid 3 HR, omdat zij nog niet vijf jaren op het tableau staat ingeschreven als advocaat.

2.7.

Bij e-mail van 10 juni 2020 heeft LSA het verzoek om toelating als gewoon lid van [eiseres] afgewezen. In de e-mail staat onder meer het volgende:

“(…)

Conform artikel 1.1, sub a, van het Huishoudelijk Reglement dient u om toelating als lid ten minste vijf jaren als advocaat te zijn ingeschreven overeenkomstig het bepaalde in de Advocatenwet. Het bestuur heeft besloten u geen ontheffing te verlenen.

Wij verzoeken u indien u aan de gestelde eisen voldoet opnieuw een aanvraagformulier indienen. Na ontvangst zal het bestuur zich opnieuw buigen over uw aanvraag.

(…)”.

2.8.

Op 16 juni 2020 heeft [eiseres] beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag bij de Commissie van Beroep (CvB). In het beroepschrift schrijft zij onder meer dat zij sinds 2011 werkzaam is in de letselschadepraktijk en sinds 2014 de verantwoordelijkheid heeft voor een eigen kantoor, en dat zij niet begrijpt waarom het bestuur geen ontheffing wenst te verlenen terwijl dat bij het aspirant-lidmaatschap wel het geval was. Inmiddels heeft zij twee jaar meer ervaring en heeft zij de Grotius-opleiding met goed gevolg afgerond.

2.9.

Na ontvangst van het verweerschrift van LSA heeft de advocaat van [eiseres] op 26 augustus 2020 een brief gezonden aan LSA, waarin hij zich op het standpunt stelt dat het aspirant-lidmaatschap van [eiseres] van rechtswege is omgezet in een gewoon lidmaatschap, nu zij voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 1.3 HR. LSA heeft dit standpunt in een aanvullend verweerschrift bestreden.

2.10.

Op 24 november 2020 heeft de CvB het beroep van [eiseres] ongegrond verklaard. In de beslissing staat onder meer het volgende:

Om privacy redenen zijn de tekststukken verwijderd.

(…)”.

2.11.

Op 25 januari 2021 heeft [eiseres] bij het bestuur opnieuw een aanvraag gedaan om te worden toegelaten tot het gewoon lidmaatschap, nu zij inmiddels over een onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau beschikt (hetgeen bij de aanvraag in mei 2020 nog niet het geval was omdat [eiseres] toen nog niet beschikte over een stageverklaring).

2.12.

Bij brief van 17 februari 2021 heeft het bestuur van LSA de aanvraag van [eiseres] afgewezen.

Tekst

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. het besluit van LSA van 10 juni 2020 tot weigering van [eiseres] als gewoon lid te schorsen tot een beslissing is genomen in een eventuele bodemprocedure;

II. het besluit van de CvB tot ongegrondverklaring van het beroep van [eiseres] van 24 november 2020 te schorsen tot een beslissing is genomen in een eventuele bodemprocedure;

III. de LSA te gebieden om binnen drie dagen na de datum van dit vonnis [eiseres] toe te laten als gewoon lid en haar als zodanig te behandelen, tot een beslissing is genomen in een eventuele bodemprocedure, op straffe van een dwangsom;

subsidiair

IV. een andere passende voorziening te treffen;

primair en subsidiair

de LSA te veroordelen in

V. de buitengerechtelijke incassokosten;

VI. de proceskosten; en

VII. de nakosten.

3.2.

LSA voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Indien zij een bodemprocedure zou moeten afwachten heeft zij nauwelijks meer belang bij een voorlopige voorziening, omdat zij tegen die tijd ook in de visie van LSA voor het gewone lidmaatschap in aanmerking komt.

4.2.

LSA heeft aangevoerd dat [eiseres] geen procesbelang heeft, omdat zij inmiddels een nieuwe aanvraag tot gewoon lidmaatschap heeft gedaan, die door het bestuur is afgewezen. Mocht de voorzieningenrechter oordelen dat de beslissing van de CvB vernietigbaar is, dan is [eiseres] nog steeds gebonden aan het besluit op haar tweede aanvraag, waarop dit kort geding geen betrekking heeft, aldus LSA.

4.3.

Dit wordt verworpen. Het is evident dat voor beide partijen van belang is dat er duidelijkheid komt.

4.4.

In de eerste plaats is dan aan de orde of het besluit van het bestuur en de uitspraak van de CvB ter beoordeling staan van de civiele rechter en zo ja, hoe deze dan moet/mag worden getoetst.

4.5.

In de statuten is de mogelijkheid gecreëerd om in beroep te gaan van een besluit van het bestuur. Dit beroep wordt dan beoordeeld door een onafhankelijk orgaan, de CvB. Artikel 10 lid 1 van de statuten bepaalt dat leden van de CvB geen lid kunnen zijn van LSA. De statuten zijn voor alle leden en aspirant-leden, zoals [eiseres] , bindend. Op de uitspraak van de CvB dienen, zoals LSA terecht heeft aangevoerd, op grond van de schakelbepaling van artikel 7:906 lid 1 BW de wettelijke bepalingen over de vaststellingsovereenkomst overeenkomstig te worden toegepast. Het gaat immers om een vaststelling die haar rechtsgrond vindt in de statuten. Dat betekent dat op grond van artikel 7:904 lid 1 BW de beslissing van de CvB vernietigbaar is als de gebondenheid aan die beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (vgl. Hof Amsterdam, 5 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1862; JOR 2019/98).

4.6.

De toets in kort geding is dus of voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure het besluit van het bestuur zal vernietigen omdat gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Geoordeeld wordt dat dat niet het geval is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.

[eiseres] heeft in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het bestuur dat zij niet voor ontheffing in aanmerking komt, nu zij al jaren ervaring heeft in letselschadezaken als jurist. Om die reden is haar ook het aspirant-lidmaatschap toegekend. Later heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij van rechtswege gewoon lid is geworden omdat artikel 1.2 lid 2 HR dat voorschrijft.

4.8.

De CvB heeft de beslissing uitvoerig gemotiveerd en heeft geoordeeld dat de statuten en het HR sinds jaar en dag twee hoofdroutes kennen, die beide adequate voorervaring vereisen. Binnen dat stelsel is toelating van een aspirant-lid als volwaardig lid dat nog niet aan de voorwaarden voldoet niet logisch. Dit strookt ook met wat in het algemeen geldt voor een aspirant-lidmaatschap; dit is een voorfase die overgaat in een volwaardig lidmaatschap als de betrokkene aan de eisen voldoet, aldus de CvB. Verder heeft de CvB meegewogen dat de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) aan LSA als specialisatievereniging de eis stelt dat zij geen advocaten toelaat met een kortere voorervaring dan vijf jaar.

4.9.

De CvB heeft kortom de vereisten voor omzetting van het aspirant-lidmaatschap beoordeeld in het licht van het systeem dat in de statuten is gehanteerd en concludeert dat artikel 1.2 lid 2 HR zo moet worden uitgelegd dat een aspirant-lid dat aan alle vereisten voor het gewone lidmaatschap voldoet, waaronder de ervaringseis van vijf jaar, na ommekomst van dat vijfde jaar van rechtswege gewoon lid wordt van LSA. Het zou niet in overeenstemming zijn met dat systeem indien een aspirant-lid via de route van artikel 1.2 lid 2 HR gewoon lid zou kunnen worden zonder aan de vijf-jaarseis te voldoen. Daarmee heeft de CVB ook aandacht besteed aan het (later ingenomen) standpunt van [eiseres] dat een besluit van het bestuur eigenlijk niet nodig was omdat zij van rechtswege gewoon lid is geworden. Deze beslissing is zorgvuldig en begrijpelijk.

4.10.

Deze beslissing heeft tot gevolg dat [eiseres] zal moeten wachten tot zij vijf jaar ervaring heeft als advocaat. Dat zij tot die tijd niet zonder hulp van een kantoorgenoot – die wel lid is van LSA – letselschadezaken kan behandelen maakt de beslissing niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit geldt voor alle andere leden van LSA, althans heeft voor hen gegolden voordat zij werden toegelaten als (gewoon) lid van de vereniging. LSA heeft immers onweersproken gesteld dat zij nooit eerder een uitzondering heeft gemaakt op de vijf-jaarseis.

4.11.

Gelet op het voorgaande behoeven de stellingen van partijen over de (on)geldigheid van de onder 2.3 weergegeven versie van artikel 1.2 HR geen verdere bespreking.

4.12.

De conclusie is derhalve dat voorshands niet aannemelijk is dat de beslissing van de CvB in een bodemprocedure vernietigd zal worden, zodat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.13.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van LSA worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.683,00,

te vermeerderen met wettelijke rente als gevorderd, op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.14.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van LSA tot op heden begroot op € 1.683,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.1

1 type: LO coll: MA