Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1141

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
13/107039-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Verdachte heeft meerdere keren met een mes in de borst van het slachtoffer gestoken, waarna het slachtoffer is overleden. De advocaat van verdachte heeft aangevoerd dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer verdachte op enig moment een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Verdachte zat op dat moment echter in zijn auto en is uitgestapt nadat hij die vuistslag kreeg. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich aan de aanval van het slachtoffer had kunnen en moeten onttrekken door weg te rijden. Daarom concludeert de rechtbank dat de verdediging tegen de aanval van het slachtoffer niet noodzakelijk was. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.

Doodslag is één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Bovendien heeft het steekincident plaatsgevonden op een plek waar veel mensen aanwezig waren. In veel gevallen wordt voor doodslag dan ook een gevangenisstraf opgelegd van rond de acht tot tien jaar. In verband met een aantal bijzondere omstandigheden legt de rechtbank een lagere straf op, namelijk een gevangenisstraf van vier jaar. De rechtbank heeft onder andere meegewogen dat verdachte aanvankelijk niet de agressor was. Hij werd aangevallen door het latere slachtoffer, die onder invloed van alcohol verkeerde en steeds de confrontatie met verdachte bleef opzoeken. Verder is van belang dat uit het strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies blijkt dat geen sprake is van een delictpatroon van gewelds- of levensdelicten. Er lijkt sprake te zijn van een incident. Verdachte heeft bovendien spijt betuigd en laten zien dat hij oprecht betrouw heeft van zijn handelen. Zo verklaarde hij op de zitting een aantal keer: “was ik maar dood, in plaats van hij.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/107039-20 (Promis).

Datum uitspraak: 18 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.J.M. den Blanken, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals en/of de oksel en/of de borst, in elk geval in het bovenlichaam, heeft gestoken en/of gesneden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 18 april 2020 omstreeks 19:10 uur kreeg de politie de melding dat er een persoon levenloos op straat zou liggen op de Agatha Christiesingel te Amsterdam. Het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer] , zou zijn neergestoken.

Eenmaal ter plaatse troffen de verbalisanten het slachtoffer liggend op straat aan, met veel bloed om hem heen. Hij werd ter plaatse gereanimeerd en vervolgens naar het ziekenhuis overgebracht. Daar is hij uiteindelijk omstreeks 20:30 uur aan zijn verwondingen overleden.

De politie is verdachte op het spoor gekomen door middel van het kenteken van zijn auto, dat door een getuige was genoteerd. Verdachte is op 19 april 2020 om 01:35 uur in zijn woning te [woonplaats] aangehouden. In zijn verhoor bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Hij zei uit zelfverdediging te hebben gestoken.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte van het onderdeel voorbedachten rade dient te worden vrijgesproken.

4.3.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat hij, met de officier van justitie, van mening is dat er vrijspraak dient te volgen voor het onderdeel voorbedachte rade.

4.4.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van het dossier en het verhandelde op zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De vraag is dan of verdachte voorwaardelijk opzet op zijn dood heeft gehad. Om te kunnen spreken van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – moet vast komen staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zou intreden.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Uit het dossier blijkt dat verdachte met een mes steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] en hem daarbij ook meermalen heeft geraakt. De steekwond in de linkerborst is [slachtoffer] daarbij uiteindelijk fataal geworden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken in het borstgebied – waar zich vitale organen bevinden – dodelijk letsel tot gevolg kan hebben. Dit steken kan bovendien naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer] gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

De vraag is vervolgens of ook kan worden gezegd dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvoor moet komen vast te staan dat verdachte – voordat hij [slachtoffer] met het mes stak – de gelegenheid had om zich op zijn handelen te bezinnen.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet is gebleken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] degene was die de confrontatie opzocht en dat verdachte daar niet op bedacht was. Hij werd overvallen door de situatie. Van een vooropgezet plan was geen sprake. Evenmin kan worden gezegd dat verdachte heeft kunnen nadenken over zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Verdachte zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 18 april 2020 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, doordat hij met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen met een mes in de oksel en in de borst heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

6.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat na het incident in de toko, verdachte bij zijn auto door [slachtoffer] is aangevallen, gestompt en vastgehouden en met de dood is bedreigd. Die aanval kan worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan. Verdachte heeft zich aan de eerste, heftige aanranding in de toko onttrokken doordat hij naar zijn auto is gerend. Toen [slachtoffer] bij de auto was gearriveerd heeft verdachte geprobeerd om in zijn auto te stappen. [slachtoffer] gooide echter de deur dicht, wat een verwonding aan de hand van verdachte tot gevolg had. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] verklaren allemaal dat verdachte probeerde te vluchten, weg te lopen of in zijn auto te komen, maar dat [slachtoffer] hem tegenhield. Alle getuigen beschrijven dat [slachtoffer] de agressor was en dat verdachte vroeg hem met rust te laten. Aan het proportionaliteitsvereiste is ook voldaan. Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden kon niet van verdachte worden gevergd dat hij anders zou handelen door bijvoorbeeld gericht in een been te steken.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging – verdachte bevond zich in een staat van doodsangst en paniek – en dat die hevige gemoedsbeweging volledig werd veroorzaakt door de aanvallen van [slachtoffer] . Verdachte is daarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. De door het slachtoffer gegeven vuistslag leverde weliswaar een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen verdachte op, maar aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is niet voldaan. Verdachte had na de vuistslag van [slachtoffer] in zijn auto kunnen blijven zitten dan wel – als de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 1] worden gevolgd – in zijn auto kunnen stappen en weg kunnen rijden. Verdachte had zich dan ook aan de situatie kunnen en moeten onttrekken. Verder staat het meerdere malen steken met een mes in de borst niet in redelijke verhouding tot het krijgen van een vuistslag in het gezicht.

Gelet op het voorgaande, moet ook het beroep op noodweerexces worden verworpen. Verdachte had zich kunnen onttrekken aan de situatie. Er was geen noodzaak om zich te verdedigen. Ook wanneer hier wel sprake van was geweest, had het beroep op noodweerexces niet kunnen slagen. De reactie van verdachte was dusdanig buitensporig en heftig, dat het niet aannemelijk is dat zijn handelen het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging van een aard en intensiteit die de mate van overschrijding kan verklaren.

6.3.

Beoordeling door de rechtbank

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van een eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat moet zijn voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank ziet zich aldus allereerst voor de vraag gesteld of op één of meerdere momenten sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zoals hiervoor bedoeld. In dit kader overweegt zij als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat toen verdachte in de toko kwam, de deur achter hem op slot werd gedaan, hij door [slachtoffer] bij zijn kleding is vastgegrepen, dat hij is geduwd en dat [slachtoffer] een slaande beweging in de richting van het gezicht van verdachte heeft gemaakt. Op dat moment was er dan ook sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] , waarbij ook [naam 1] en [naam 2] betrokken zijn geweest. Toen de deur van de toko van het slot ging, is verdachte naar buiten gegaan en naar zijn auto gerend. Naar het oordeel van de rechtbank was de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding beëindigd toen verdachte bij zijn auto aankwam.

De rechtbank stelt vast dat enige minuten later ook [slachtoffer] de toko heeft verlaten en dat hij naar verdachte toe is gelopen. [slachtoffer] heeft verdachte bij de auto een vuistslag in het gezicht gegeven. Op dat moment was sprake van een nieuwe ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft zich daartegen verdedigd door een mes uit de kofferbak van zijnauto te pakken en meerdere keren op [slachtoffer] in te steken.

Vervolgens rijst de vraag of is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Deze eis heeft betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet daarnaast van verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.

In het licht van het vorenstaande is het van belang of verdachte zich in de auto bevond toen hij de vuistslag van [slachtoffer] kreeg. Indien hij in de auto zat, had hij zich namelijk mogelijk aan de aanranding kunnen onttrekken door weg te rijden.

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Getuige [getuige 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte in zijn auto achter het stuur zat toen hij de klap van [slachtoffer] kreeg. Getuige [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zag dat verdachte terug kwam rennen uit de richting van de toko en dat hij in zijn auto ging zitten. Vervolgens kwam [slachtoffer] aanlopen. [getuige 3] zag dat verdachte wilde uitstappen en zijn portier openmaakte. [slachtoffer] duwde daarop de deur dicht, zodat verdachte niet kon uitstappen. Dit gebeurde tot twee keer toe. De derde keer lukte het verdachte wel om uit te stappen. Vervolgens begonnen ze met elkaar te praten en is verdachte op een gegeven moment weer in zijn auto gaan zitten, aldus getuige [getuige 3] . Getuige [getuige 6] heeft bij de politie verklaard dat verdachte in zijn auto zat, dat [slachtoffer] slaande bewegingen maakte naar verdachte en dat verdachte uit de auto probeerde te komen. Dit lukte echter niet, omdat [slachtoffer] met twee handen de deur tegenhield. Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte nog in zijn auto zat toen hij een klap kreeg van [slachtoffer] . Verdachte stapte na de klap uit, waarna hij en [slachtoffer] begonnen te vechten.

Op basis van deze getuigenverklaringen in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte in zijn auto zat op het moment dat hij de vuistslag van [slachtoffer] kreeg en dat verdachte na die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zelf uit de auto is gestapt. Dit leidt tot de conclusie dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken door weg te rijden. De rechtbank vindt ook dat dit van verdachte kon worden gevergd. In dat kader overweegt zij het volgende. De aanranding bestond uit een enkele vuistslag, afkomstig van een man van gelijke grootte als verdachte. Verdachte bevond zich daarbij in een auto met draaiende motor en was bovendien in het gezelschap van twee vrienden. Het voorgaande maakt dat verdachte zich niet alleen had kunnen onttrekken, maar dit ook van hem kon worden gevergd. Voor de verdachte bestond een reële en redelijke mogelijkheid om zich te onttrekken. Concluderend verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer. Dit betekent dat het bewezen geachte feit strafbaar is.

Noodweerexces

De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat geen sprake was van een noodweersituatie. Reeds om die reden kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Verder is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Dit betekent dat verdachte strafbaar is.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van voorarrest. Uit een aantal rechterlijke uitspraken blijkt dat voor doodslag straffen tussen de acht en tien jaar worden opgelegd. Rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is een gevangenisstraf van acht jaar gerechtvaardigd.

7.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de strafmaat.

7.3.

Beoordeling door de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft het slachtoffer van zijn leven beroofd en zich daarmee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent: doodslag. Verdachte heeft het meest elementaire recht – het recht op leven – geschonden. De nabestaande van het slachtoffer heeft dit treffend verwoord in haar schriftelijke verklaring: “ [slachtoffer] is uit mijn leven gerukt en niemand, maar dan ook niemand, heeft het recht om het leven van een ander te nemen.” Door zijn handelen heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Daarbij komt dat het steekincident plaatsvond op een plek waar veel mensen aanwezig waren. Deze mensen hebben moeten toezien hoe het slachtoffer werd neergestoken door verdachte, waarna hij hevig bloedend op straat in elkaar zakte. Het kan niet anders dan dat dit voor hen een schokkende gebeurtenis is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat ooggetuigen van een dergelijk steekincident daarvan nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden.

De ernst van het strafbare feit rechtvaardigt in principe een forse gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist. In veel gevallen wordt voor doodslag dan ook een gevangenisstraf van rond de acht tot tien jaar opgelegd. De rechtbank ziet echter aanleiding om een lagere straf op te leggen. In dit kader is het volgende van belang.

Om te beginnen overweegt de rechtbank dat verdachte aanvankelijk niet de agressor was. Hij werd aangevallen door het latere slachtoffer, die onder invloed verkeerde van alcohol. Het slachtoffer bleef steeds de confrontatie met verdachte opzoeken. Hij greep verdachte vast in de toko en gaf hem later bij de auto een vuistslag in het gezicht. Verdachte had zich echter aan de situatie kunnen en moeten onttrekken, wat maakt dat hem geen geslaagd beroep op noodweer toekomt en hij strafbaar is. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank echter wel rekening met voornoemde, bijzondere omstandigheden.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon van verdachte. Zo blijkt uit zijn strafblad dat hij weliswaar eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar dat dit veelal ziet op overtredingen van de Wegenverkeerswet. Hij is niet eerder veroordeeld voor een delict van soortgelijke ernst. Uit het advies van de reclassering van 30 juni 2020 blijkt dat verdachte voorafgaand aan het delict een conventioneel leven leidde. Hij functioneerde goed op zijn werk als elektromonteur en heeft een gezin met drie kinderen. De reclassering concludeert dat geen sprake is van een recent delict patroon van geweld- of levensdelicten en dat het onderhavige delict een impulsief, situationeel gebonden en incidenteel karakter heeft.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de rapportages van 4 juli 2020 en 30 juni 2020, opgesteld door respectievelijk D.J. Vinkers, psychiater, en M.L. de Groot, GZ-psycholoog, waaruit blijkt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychische stoornis bij verdachte. Hij heeft wel dwangmatige en ontwijkende persoonlijkheidstrekken, maar niet in die mate dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Resumerend is verdachte iemand die geen ruzie maakt en conflicten juist vermijdt. Geadviseerd wordt het bewezenverklaarde feit volledig toe te rekenen aan verdachte.

De rechtbank heeft ook de proceshouding van verdachte meegewogen bij het bepalen van de straf. Verdachte heeft vanaf het allereerste verhoor bij de politie tot aan de terechtzitting zijn volledige medewerking en openheid van zaken gegeven. Verder is van belang dat verdachte op de terechtzitting spijt heeft betuigd en heeft laten zien dat hij oprecht berouw heeft van zijn handelen. Zo verklaarde verdachte een aantal keer: “was ik maar dood, in plaats van hij.”

Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen, legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest. De rechtbank realiseert zich dat deze strafoplegging afwijkt van de eis van de officier van justitie en mogelijk gevoelens van teleurstelling of verontwaardiging bij de nabestaanden van het slachtoffer zou kunnen oproepen. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat een hogere straf dan vier jaar – gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en de persoon van verdachte – niet passend zou zijn.

8 Vordering van de benadeelde partij

8.1.

Vordering

De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 1.118,99 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit kosten van lijkbezorging. Daarnaast vordert zij € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade, bestaande uit affectieschade. De benadeelde partij vraagt verder beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en ten aanzien daarvan de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is ter terechtzitting nader toegelicht door de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. F.A. ten Berge.

8.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat is vast komen staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft de gevorderde schadevergoeding onderbouwd met stukken. De vordering is verder ook niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en de vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2020.

Immateriële schade

De rechtbank stelt voorop dat het invoelbaar is dat het overlijden van het slachtoffer bij de benadeelde partij veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Het vorderen van affectieschade is vanaf 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij de levensgezel van het slachtoffer was en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Dat betekent dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als een naaste in de zin van het voorgenoemd artikel. Daarnaast staat vast dat het slachtoffer als gevolg van het bewezen verklaarde feit is overleden. De rechtbank waardeert de schade (conform het Besluit vergoeding affectieschade) op € 20.000,- en zal deze vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 april 2020.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 21.118,99.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 en 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave van de volgende goederen aan [verdachte] :

- ring (goednummer 5909661);

- ketting (goednummer 5909662);

- armband (goednummer 5909663);

- ring (goednummer 5909664);

- ring (goednummer 590665);

- telefoon (goednummer 5909551).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe tot een bedrag van € 21.118,99 (eenentwintigduizend honderdachttien euro en negenennegentig eurocent), bestaande uit een bedrag van € 1.118,99 (duizend honderdachttien euro en negenennegentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 21.118,99 (eenentwintigduizend honderdachttien euro en negenennegentig eurocent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 140 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. E.G.M.M. van Gessel en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2021.