Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1125

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
13/094096-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 43-jarige man is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk omdat hij op 6 april 2020 in Amsterdam-Oost met een hakmes om zich heen sloeg terwijl hij dronken was nadat er een discussie was ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.094096.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/094096-20 (promis)

Datum uitspraak: 16 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1977,

wonende op het adres [adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.S.E. Bruinen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 6 tot en met 7 april 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1:

primair: poging tot doodslag op [slachtoffer 1] ;

subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer 1] ;

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] ;

Feit 2:

bedreiging van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3:

primair: zware mishandeling van [slachtoffer 3] ;

subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] ;

meer subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 3] .

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

Op 6 april 2020 komt er om 23:59 uur bij de politie een melding binnen dat een man met een hakmes slachtoffers zou hebben gemaakt op het adres [adres] . Terwijl verbalisanten op de melding afgaan, krijgen zij door dat het gaat om een man met een groen shirt en een zwarte broek. Rond 00:02 uur zien de verbalisanten ter hoogte van de kruising Middenweg en de Kruislaan twee ruziënde mannen met bebloede kleding op de trambaan lopen, waarvan er één voldoet aan het eerder opgegeven signalement. De andere man, getuige [slachtoffer 5] , roept: “Hem moet je hebben. Hem moet je hebben. Hij heeft meerdere mensen gestoken.” Hierop wordt die man, verdachte, aangehouden. Verdachte roept vervolgens meermaals met luide stem: “Ik ga ze dood maken. Ik steek ze neer. Ik hak hun kop er af. Ik maak ze allemaal dood. Ook iedereen die hier bij staat.”

Omstreeks 00:05 uur komt de politie bij de woning. In het portiek treffen de verbalisanten een aantal personen aan, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Het bovenlichaam van [slachtoffer 1] zit onder het bloed en hij transpireert hevig. Er wordt een theedoek tegen de schouder van [slachtoffer 1] aangehouden en als die eraf wordt gehaald, blijkt dat [slachtoffer 1] een grote snijwond aan de voorzijde van zijn schouder heeft met een lengte van ongeveer tien centimeter. Ook heeft [slachtoffer 1] een verwonding aan de linkerzijde van zijn gezicht ter hoogte van zijn slaap. Tijdens het wachten op de ambulance begint [slachtoffer 1] zijn bewustzijn te verliezen, draaien zijn ogen weg en zakt hij door zijn benen. De verbalisanten constateren ook dat [slachtoffer 3] een verwonding heeft aan haar hand.

Uit de verklaring van verdachte en de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat die avond een feestje werd gevierd bij verdachte thuis. Daarbij waren naast verdachte vijf personen aanwezig: zijn vriendin [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . De sfeer was aanvankelijk goed, maar later op de avond ontstond er een discussie over het feit dat verdachte mogelijk zijn vriendin zou mishandelen. Op enig moment daarna heeft verdachte een hakmes uit de keuken gepakt en daarmee [slachtoffer 1] verwond. Ook [slachtoffer 3] is gewond geraakt.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 2 ten laste gelegde voor zover dat ziet op de bedreiging van [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De officier van justitie heeft zich op dit standpunt gesteld omdat [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zich niet bedreigd voelde, bij [slachtoffer 2] onvoldoende is komen vast te staan dat een redelijke vrees is opgewekt en [slachtoffer 1] de bedreiging niet heeft gehoord. Hij heeft voorts vrijspraak gevorderd van het onder feit 3 primair ten laste gelegde, omdat het letsel van [slachtoffer 3] niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair (poging doodslag), feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (bedreiging) en feit 3 subsidiair (poging zware mishandeling) ten laste gelegde. De officier van justitie baseert zich op de verschillende getuigenverklaringen, in onderlinge samenhang bezien met de medische verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst verzocht de nodige behoedzaamheid te betrachten ten aanzien van de getuigenverklaringen. Van meet af aan is de indruk ontstaan dat de getuigenverklaringen op elkaar zijn afgestemd om de situatie en de volgorde van de geweldshandelingen in de woning te verdraaien. Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij werd aangevallen en zich wilde verdedigen.

Het handelen van verdachte was ten aanzien van feit 1 primair gericht op het verlaten van de woning. Hij probeerde zichzelf te beschermen. Verdachte heeft verklaard dat hij om zich heen heeft geslagen met het hakmes, maar dat hij niet heeft ingestoken op [slachtoffer 1] . Verdachte heeft daarom geen opzet gehad op de dood van [slachtoffer 1] , ook niet in voorwaardelijke zin. Hij dient daarom te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten de poging tot doodslag. Voor het subsidiaire ten laste gelegde geldt dat het door de arts geconstateerde letsel onvoldoende is om te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische stukken blijkt niet dat er daadwerkelijk een zenuw in het gezicht van [slachtoffer 1] beschadigd is en niet ieder litteken in het gezicht kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de (onder feit 2 ten laste gelegde) bedreiging van [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . [slachtoffer 5] heeft aangegeven dat hij zich niet bedreigd voelde en bij [slachtoffer 2] kan de redelijke vrees voor het in te treden gevolg niet zijn ontstaan, omdat zij verdachte niet met het hakmes om zich heen heeft zien slaan. Voor [slachtoffer 1] geldt dat hij de bedreiging niet heeft gehoord.

Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel, omdat de aard van het letsel enkel een schaafwond betreft en het medisch ingrijpen beperkt is gebleven tot een drukverband en een mitella. Het is daarnaast onvoldoende duidelijk of het letsel bij [slachtoffer 3] is ontstaan door toedoen van verdachte. [slachtoffer 4] verklaart immers ter plaatse dat [slachtoffer 3] met haar hand tussen de deur is gekomen. Het opzet van verdachte was bovendien niet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] , omdat verdachte enkel heeft gehandeld met het doel om weg te komen uit zijn woning.
Verdachte heeft daarom ook de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen niet aanvaard. [slachtoffer 3] was eerst niet in de directe omgeving, maar is er uit het niets tussen gesprongen. Dat is iets waar verdachte geen rekening mee hoefde te houden.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij kijkt naar de totale indruk die de getuigenverklaringen maken, in samenhang met het moment waarop en de context waarin deze zijn afgelegd.

Gebleken is dat verdachte eerder op de middag was gaan borrelen in het park, omdat hij de dag daarvoor jarig was geweest. Verdachte wilde vervolgens in zijn woning graag het feestje voortzetten en had de getuigen, die niet allemaal bekenden van elkaar waren, daarom in zijn woning uitgenodigd. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] waren al in de woning aanwezig, omdat zij tijdelijk bij verdachte verbleven. Zoals hiervoor reeds overwogen, was de sfeer aanvankelijk goed, maar ontstond er later op de avond een discussie over het feit dat verdachte mogelijk zijn vriendin zou mishandelen.

De getuigen hebben over het vervolg van de gebeurtenissen in hoofdlijnen eenduidig verklaard. De inhoud van hun verklaringen komt op het volgende neer.

Tijdens de woordenwisseling zou verdachte stevig zijn toegesproken door onder andere [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . De sfeer sloeg daardoor om. Verdachte heeft zich daarna enig moment teruggetrokken in zijn slaapkamer. Alle getuigen verklaren dat verdachte erg dronken was en mogelijk ook onder invloed van drugs. Vier getuigen horen verdachte daarna schreeuwen dat hij hen zal vermoorden. Vervolgens heeft verdachte met een hakmes ingeslagen op [slachtoffer 1] . Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat dit in de hal van de woning gebeurde, op het moment dat [slachtoffer 1] naar het toilet wilde gaan. [slachtoffer 3] is vervolgens tussen verdachte en [slachtoffer 1] gesprongen om het hakmes uit de handen van verdachte te trekken. Verdachte maakte een zwaaiende beweging met het hakmes van onder naar boven. [slachtoffer 3] werd door [slachtoffer 5] naar achteren getrokken en werd met het hakmes in haar hand geraakt. [slachtoffer 5] heeft vervolgens de wond van [slachtoffer 3] verbonden met kussenslopen.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] binnen een half uur na de melding door de politie zijn gehoord. Gelet op het zeer korte tijdsbestek tussen de melding en het arriveren van de verbalisanten én de chaotische situatie ter plaatse, waarin de getuigen ook nog druk bezig waren met de wond van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de getuigen in de gelegenheid zijn geweest hun verklaringen op elkaar af te stemmen, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Bovendien vinden de verklaringen van de getuigen, in tegenstelling tot de verklaring van verdachte, bevestiging in de staat waarin verdachte door de verbalisanten op de trambaan wordt aangetroffen en het sporenbeeld in de woning. Uit het bloedonderzoek van verdachte volgt daarbij dat hij erg veel alcohol had gedronken: om 02.40 uur – dus ruim na de melding – wordt nog 2,06 milligram alcohol per milliliter bloed aangetroffen.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de genoemde getuigenverklaringen. Zij zal deze gebruiken voor het bewijs.

3.4.2

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht tegen de achtergrond van het voorgaande de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] bewezen. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] met een hakmes heeft geraakt in zijn hoofd, schouder en been. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] werd aangevallen, waarbij hij zou zijn geslagen en gestompt, dat hij toen dit mogelijk was naar zijn slaapkamer is gegaan, maar vervolgens door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] aan zijn rasta’s terug naar de woonkamer zou zijn getrokken, waar hij wederom stompen en trappen zou hebben gekregen. Volgens verdachte kon hij uiteindelijk wegkomen en wilde hij zijn spullen verzamelen om de woning te verlaten, maar werd hij in de gang weer aangevallen door [slachtoffer 1] . Verdachte heeft verklaard daarbij op de grond te zijn gevallen, maar uiteindelijk een hakmes van het aanrecht te hebben kunnen grissen, waarna hij zich met slaande bewegingen met het hakmes in zijn hand een weg naar buiten heeft gebaand om weg te komen.

Dit door verdachte geschetste scenario – waarbij hij zich uitsluitend wilde verdedigen en naar buiten wilde – wordt door de rechtbank, gelet op de hiervoor besproken getuigenverklaringen, terzijde geschoven. De rechtbank stelt op basis van die getuigenverklaringen vast dat het juist verdachte was die [slachtoffer 1] (met het hakmes) heeft aangevallen. De zwaaiende bewegingen die verdachte met het hakmes zegt te hebben gemaakt, komen ook overeen met de aangifte van [slachtoffer 1] en het bij hem geconstateerde letsel. De rechtbank zal het opzet op basis van die handelingen beoordelen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer 1] – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Zoals hiervoor uiteengezet, blijkt uit het dossier dat [slachtoffer 1] onder andere een grote snijwond in zijn schouder had en verwondingen in zijn gezicht ter hoogte van zijn slaap. De rechtbank overweegt in dit kader dat (de zijkant van) het hoofd tot aan het gebied tot de schouder bij uitstek kwetsbare en vitale delen van het lichaam betreffen, onder andere door de aanwezigheid van de hals(slag)aders. Daarnaast is de diepe wond in de linkerschouder van [slachtoffer 1] niet ver verwijderd van diens hart en longen. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met het hakmes heeft uitgehaald en ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard - en uitgebeeld - hoe hij meerdere bovenhandse zwaaiende bewegingen met het hakmes heeft gemaakt. De rechtbank neemt de wijze waarop verdachte met kracht op [slachtoffer 1] heeft ingeslagen eveneens bij haar beoordeling in aanmerking.

Verdachte heeft, naar het oordeel van de rechtbank, met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou kunnen verwonden. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Dat wordt nog verder ondersteund door de daarbij door verdachte in de woning en later buiten geuite bedreigingen dat hij iedereen wilde doden. Verdachte heeft daarover ook zelf op zitting gezegd dat hij dat waarschijnlijk heeft gezegd. De rechtbank concludeert dat – minst genomen – sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] . De primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 1] is daarom bewezen.

3.4.3

Ten aanzien van feit 2

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de bedreiging van [slachtoffer 1] , nu uit het dossier niet blijkt dat [slachtoffer 1] de bedreiging heeft gehoord.

De rechtbank stelt op basis van de getuigenverklaringen vast dat zowel [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging zoals geuit door verdachte. Zij hebben allemaal verklaard dat zij verdachte hebben horen roepen dat hij ze allemaal wilde vermoorden of ‘pakken’.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat gelet op de feitelijke situatie, waarbij verdachte erg dronken was en een hakmes had gepakt, de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Dat niet bij alle getuigen daadwerkelijk die vrees is opgewekt is, zoals hiervoor uiteengezet, niet relevant.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de woordelijke bedreiging ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

3.4.4

Ten aanzien van feit 3

Zoals de rechtbank onder 3.4.1 heeft overwogen gaat zij uit van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen.

Zware mishandeling

Primair is het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd. Hoewel de rechtbank bewezen acht dat [slachtoffer 3] door toedoen van verdachte letsel heeft opgelopen, ziet zij zich, gezien de aard van het letsel, voor de vraag gesteld of [slachtoffer 3] letsel kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel kunnen de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, restschade en het uitzicht op volledig herstel van belang zijn. De rechtbank stelt op grond van de medische verklaring van [slachtoffer 3] vast dat de verwonding aan haar hand een schaafwond betreft, dat de sensomotoriek van de hand intact is gebleven en dat het medisch ingrijpen bestond uit een drukverband en een mitella. Tegen deze achtergrond kan niet bewezen worden verklaard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van hetgeen onder feit 3 primair is ten laste gelegd.

Poging zware mishandeling
De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Uit de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte volgt dat verdachte met het hakmes om zich heen zwaaide terwijl verschillende mensen in zijn omgeving stonden. [slachtoffer 3] heeft het hakmes van verdachte proberen af te pakken, waarna verdachte een onderhandse zwaaiende beweging met het hakmes maakte. [slachtoffer 5] kon [slachtoffer 3] op tijd naar achteren trekken, maar het hakmes raakte haar hand. [slachtoffer 5] heeft vervolgens de hand van [slachtoffer 3] verbonden met een kussensloop.

Door aldus in een kleine ruimte, met meerdere personen in zijn directe omgeving, met een hakmes om zich heen te zwaaien en te blijven zwaaien, moet verdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat één of meer aanwezigen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Verdachte had, zonder de reactie van [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] ook elders in haar lichaam kunnen raken met het hakmes, met mogelijk zeer ernstige gevolgen. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, in dit geval, bij [slachtoffer 3] .

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1 primair:

op 6 april 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een hakmes, zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd en de schouder van die [slachtoffer 1] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 2:

op 6 april 2020 te Amsterdam [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door voornoemde personen dreigend de woorden toe te voegen " ik vermoord jullie allemaal " en/of “ik maak

jullie allemaal dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

op 6 april 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hakmes een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben eerst geweld uitgeoefend en verdachte heeft zich daartegen verdedigd. Een andere mogelijkheid om zich aan het geweld te onttrekken was er niet, omdat er op meerdere momenten geweld werd toegepast tegen verdachte en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] zich uiteindelijk bevonden in het smalle gangetje voor de uitgang van de woning. Indien de rechtbank van oordeel is dat het toegepaste geweld de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, dan is dit het gevolg van een hevige gemoedsbeweging.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. Verdachte is op een eerder moment mishandeld door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] in zijn eigen woning. Verdachte is op enig moment naar zijn slaapkamer gegaan. Op een later moment trof hij [slachtoffer 1] in de gang. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat er nog steeds sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, gelet op het eerdere gepleegde geweld. Er is sprake van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van verdachte, omdat hij zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

5.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen geslaagd beroep op noodweer(exces) kan worden gedaan, omdat er – gelet op de getuigenverklaringen – geen sprake is van enige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen.

Ten aanzien van het putatief noodweer(exces) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van verdachte. Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat [slachtoffer 1] naar het toilet liep. Verdachte kon en mocht op basis daarvan niet menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Bovendien was verdachte sterk onder invloed van alcohol, waardoor sprake is van culpa in causa.

5.3

Oordeel van de rechtbank

5.3.1

Noodweer(exces)

De rechtbank acht – met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw – het bestaan van noodweer(exces) niet aannemelijk geworden. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Zoals hiervoor al is uiteengezet, heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] herhaalde malen werd aangevallen, waarbij hij zou zijn geslagen en gestompt, en dat hij het hakmes pakte en hiermee om zich heen ging zwaaien om voornoemde personen te ontvluchten en uit zijn woning te kunnen komen. De rechtbank volgt verdachte echter niet in deze verklaring. Verdachte heeft weliswaar eerder gesproken over het krijgen van onder meer klappen van zijn vriendin en [slachtoffer 4] , maar niet over de (vermeende) noodzaak de woning te moeten ontvluchten. Hij heeft hier aanvankelijk, zowel bij de voorgeleiding als bij de raadkamer gevangenhouding, niet over verklaard. De rechtbank gaat – zoals hiervoor in 3.4.1 overwogen – uit van de verklaringen van de getuigen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het hakmes tijdens een gevecht met [slachtoffer 1] in de keuken met veel moeite van het aanrecht kon pakken en slechts met gebruikmaking van dat hakmes meende weg te kunnen komen uit de woning, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Vaststaat dat verdachte voorafgaand aan het incident een woordenwisseling heeft gehad met (in ieder geval) [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] . Gelet op de verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris is het mogelijk dat verdachte hierbij klappen heeft gehad van zijn vriendin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Verdachte heeft zich na deze confrontatie echter afgezonderd van de rest. Pas toen verdachte op een later moment uit zijn slaapkamer kwam, heeft hij het hakmes gepakt. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 1] aangevallen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met het hakmes verwond. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 3] kan er derhalve op enig moment sprake zijn geweest van een noodzaak voor verdachte om zich te verdedigen, maar deze (noodweer)situatie was – wat daarvan overigens ook zij – in ieder geval al geëindigd op het moment dat verdachte het hakmes pakte. Verdachte komt naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen geslaagd beroep op noodweer toe.

Dat later bij verdachte fors letsel is geconstateerd, onder andere gebroken ribben, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt aan dat dit letsel is ontstaan bij de hevige worsteling die is ontstaan in de strijd om het hakmes af te pakken. Diverse getuigen hebben verklaard dat zij daarbij hebben ‘gevochten voor hun leven’.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt.. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan sprake zijn wanneer op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging een noodweersituatie is beëindigd en daarom de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat.

Daarvoor is wel nodig dat zijn gedragingen het “onmiddellijk gevolg” zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt hieruit dat aannemelijk moet zijn dat de veroorzaakte gemoedsbeweging “van doorslaggevend belang” is geweest voor de verweten gedraging. Hierbij is niet uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan “indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid (…)”. Ook kan bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het “onmiddellijk gevolg” betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreven en aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

In dit geval acht de rechtbank niet gebleken dat van een dergelijk situatie (waarbij de gedragingen het “onmiddellijk gevolg” zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt werd door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding) sprake is.

Uit het dossier blijkt dat verdachte na de woordenwisseling dan wel confrontatie naar zijn slaapkamer is gegaan. Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat verdachte later uit zijn slaapkamer komt en de keuken ingaat. Enkele momenten later constateren getuigen dat verdachte met een hakmes in zijn handen uit de keuken komt en hiermee vervolgens zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] verwondt.

De rechtbank heeft hiervoor al diverse malen overwogen dat zij verdachte niet volgt in de door hem geschetste feitelijke toedracht, dat hij telkens werd aangevallen en zich met het hakmes uitsluitend heeft willen verdedigen en de woning wilde verlaten. Die verklaring biedt ook onvoldoende basis om een hevige gemoedsbeweging te kunnen vaststellen die is veroorzaakt door een (mogelijke) eerdere noodweersituatie, waarbij verdachte (volgens getuige [slachtoffer 3] ) klappen zou hebben gehad van zijn vriendin en [slachtoffer 4] . Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij boos was dat zijn gasten zich tegen hem keerden, terwijl het zo gezellig was geweest. Ook getuigen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hebben verklaard dat verdachte boos was dat hij werd aangesproken op het (mogelijke) mishandelen van zijn vriendin. De rechtbank gaat er tegen deze achtergrond van uit, dat niet angst vanwege de confrontatie met onder meer zijn vriendin en [slachtoffer 4] , maar die boosheid aan zijn handelen ten grondslag heeft gelegen en dat hij om die reden tot de aanval is overgegaan. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de door verdachte getuige bedreigingen en de staat waarin verdachte door de verbalisanten werd aangetroffen, waarop zij hiervoor al is ingegaan.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweerexces. Op basis van deze feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van verdachte het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

5.3.2

Putatief noodweer(exces)

De rechtbank acht ook het bestaan van de schulduitsluitingsgrond putatief noodweerexces tegen de achtergrond van het voorgaande niet aannemelijk geworden.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij een beroep op putatief noodweer(exces) te worden beoordeeld of sprake was van een “verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte”, in die zin dat begrijpelijk moet zijn dat de verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld.

De verklaring van verdachte – die er op neerkomt dat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen – biedt hiervoor geen grond. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank van een andere gang van zaken uit. Ook hierbij is echter niet aannemelijk geworden dat verdachte zich een dreigend gevaar heeft ingebeeld of de aard van een dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De rechtbank neemt aan dat verdachte heeft gehandeld uit boosheid, niet uit angst voor een (verondersteld) gevaar.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

5.3.3

Conclusie

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Ook is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren wordt opgelegd. Daarbij heeft de officier van justitie oplegging gevorderd van de in het reclasseringsrapport van 27 november 2020 geadviseerde bijzondere voorwaarden met de toevoeging van meewerken aan een dagbestedingstraject.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en tot het oordeel dat sprake is van een strafbare dader komt, verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen met een groot voorwaardelijk strafdeel. Verdachte kan dan zo spoedig mogelijk starten met de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hij is gemotiveerd zijn leven weer op rit te krijgen. Verder heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het feit dat de getuigen zich ook niet onbetuigd hebben gelaten en fors letsel bij verdachte hebben toegebracht.

6.3

Oordeel van de rechtbank


De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, bedreiging en een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol, geroepen dat hij iedereen ging pakken of ging vermoorden en om zich heen geslagen met een hakmes. [slachtoffer 1] is daardoor onder meer in zijn schouder en gezicht geraakt en [slachtoffer 3] heeft een verwonding aan haar hand opgelopen. [slachtoffer 1] mag van geluk spreken dat hij nog leeft; en [slachtoffer 3] dat het hakmes door de tussenkomst van [slachtoffer 5] haar niet elders geraakt heeft, met alle gevolgen van dien. Dat verdachtes handelen geen ernstigere gevolgen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gehad, is niet aan verdachte te danken. [slachtoffer 1] wordt nog iedere dag aan het incident herinnerd door de ontsierende littekens in zijn gezicht en het litteken op zijn schouder. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het een angstige situatie is geweest. Vervolgens is verdachte schreeuwend en in bebloede kleding op de trambaan aangetroffen door de verbalisanten. Het feit heeft daarmee ook bij buurtgenoten gevoelens van angst en veiligheid kunnen oproepen. Bij de centrale toegangsdeur van het gebouw werd de volgende ochtend ook veel bloed aangetroffen door een buurtgenoot.

De rechtbank merkt op dat zij acht heeft geslagen op het geweld dat door tegen verdachte is gepleegd, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding de straf te matigen. Uit het dossier volgt namelijk dat dit geweld voornamelijk op de overmeestering en ontwapening van verdachte was gericht.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 juni 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. De laatste veroordeling voor een geweldsdelict dateert uit 2015 met als pleegdatum 13 februari 2015, zodat de rechtbank dit niet in strafverzwarende zin zal meewegen.

In het Pro Justitia rapport van 29 september 2020, opgesteld door gezondheidspsycholoog drs. T. ’t Hoen, wordt geconstateerd dat bij verdachte sprake is van een ADHD-stoornis van het gemengde type. Die diagnose was niet eerder gesteld.. Daarnaast lijkt er bij verdachte sprake te zijn van antisociale trekken met narcistische tendensen en een (lichte) stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis. De stoornis in het gebruik van harddrugs lijkt in langdurige remissie. De deskundige ziet geen reden om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundige is van oordeel dat het risico op herhaling van geweldsdelicten laag is en van verbale agressie (hoogstens) matig. Het risico dat verdachte bij onvoldoende structuur en steun weer wegglijdt in oude gedragspatronen van middelengebruik en criminaliteit is verhoogd aanwezig. Om dat te voorkomen heeft hij volgens de deskundige vooral praktische hulpverlening nodig, met een duidelijke structuur (dagbesteding, huisvesting).

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van de reclassering van 27 november 2020, waarin de reclassering adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling voor zijn agressieproblemen, begeleid wonen, maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole op te leggen. De rechtbank zal het advies van de reclassering overnemen.

De rechtbank heeft tenslotte bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal de geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen met toevoeging van de voorwaarde meewerken aan een dagbestedingstraject.

7 Vordering benadeelde partij

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 385,- aan vergoeding van materiële schade en € 50.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering strekkende tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de schadepost niet is onderbouwd en de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 10.000,-.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft verder bepleit de immateriële schade te matigen, met een verwijzing naar twee uitspraken waarbij sprake was van ontsierende littekens in het gezicht waarin een bedrag van respectievelijk € 3.000,- en € 2.250,- is toegekend.

Materiële schade

De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering op dit punt niet is onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 primair bewezen geachte rechtstreeks immateriële schade – bestaande uit lichamelijk letsel – heeft geleden. Ook is aannemelijk geworden dat het incident psychische gevolgen voor [slachtoffer 1] heeft gehad. Uit het dossier blijkt daarnaast dat [slachtoffer 1] onder meer twee ontsierende littekens in zijn gezicht heeft. Op grond van de door benadeelde gestelde en uit het dossier gebleken omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank de immateriële schade voor een bedrag van € 10.000,- toewijsbaar. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat het gevoelsverlies in het gezicht blijvend is. In zoverre is sprake van mogelijk toekomstige schade. Het overige deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie

De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk en wijst toe € 10.000,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor het onder feit 1 primair bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 10.000,- (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 679,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en € 248,- aan vergoeding van proceskosten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade dient te worden gematigd tot € 250,- en voor het overige niet-ontvankelijk niet te worden verklaard. De proceskosten kunnen in zijn geheel worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft verzocht de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet blijkt dat sprake is van geestelijk letsel. De raadsvrouw heeft tevens verzocht de proceskosten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet aan de schadebeperkingsplicht is voldaan door geen gebruik te maken van bijstand door Slachtofferhulp voor deze relatief eenvoudige vordering.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin een benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Van een aantasting in de persoon is onder andere sprake indien een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Uit de vordering blijkt hier niet van. De aard en de ernst van de normschending brengen evenmin met zich dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat daarvan geen nadere onderbouwing vereist is. Nu enige onderbouwing ontbreekt zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten

Gelet op voorgaande zal de rechtbank de proceskosten afwijzen.

Conclusie

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert – zoals gewijzigd ter terechtzitting – € 710,28 aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiele schade in zijn geheel kan worden toegewezen en de immateriële schade te matigen tot € 750,- en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft verzocht de immateriële schade te matigen.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks materiële schade, te weten € 354,32 ten aanzien van het eigen risico en € 248,10 ten aanzien van de kleding, heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade ten aanzien van voornoemde posten toewijsbaar.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten geldt dat deze zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent ingevolge het bepaalde in artikel 592a Wetboek van Strafvordering in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te worden genomen.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, begroot op € 107,86.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks immateriële schade – bestaande uit lichamelijk letsel – heeft geleden. Tevens is voldoende komen vast te staan dat het incident psychische gevolgen voor [slachtoffer 3] heeft gehad. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde en uit het dossier gebleken omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank de immateriële schade voor een bedrag van € 300,- toewijsbaar. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat op dit moment nog sprake is van klachten aan de hand van [slachtoffer 3] . Het overige deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd en wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

De rechtbank wijst toe € 902,42, bestaande uit € 602,42 aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor het onder feit 3 subsidiair bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 902,42 (negenhonderdentwee euro en tweeënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de proceskosten zoals gemaakt door de benadeelde partij, begroot op € 107,86.

8 Beslag

8.1

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd de Samsung Galaxy te bewaren ten behoeve van de rechthebbende, het hakmes en het verpakkingsmateriaal dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De sokken en het shirt mogen aan verdachte worden teruggegeven. .

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het beslag geen opmerkingen gemaakt. Verdachte heeft aangegeven het hakmes en het verpakkingsmateriaal niet terug te willen.

8.2

Oordeel van de rechtbank

De Samsung Galaxy dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Het in beslag genomen hakmes en het verpakkingsmateriaal worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder de feiten 1 en 3 bewezen verklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de sokken en het shirt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd voor de duur van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde:

1. zich meldt na het maken van een afspraak bij Reclassering Inforsa te Amsterdam en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Binnen dit toezicht werkt veroordeelde aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe volgt veroordeelde de begeleidingsmodule Stap voor Stap;

2. zich voor zijn agressieproblemen laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start nadat veroordeelde door zijn toezichthouder van reclassering Inforsa hiervoor is aangemeld. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

3. verblijft bij Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

4. meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol, cannabis, cocaïne en amfetamine om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

5. meewerkt aan een dagbestedingstraject.

Geeft opdracht aan Reclassering Inforsa om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 10.000,-(zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het deel van de vordering tot materiële schadevergoeding en het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 10.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 85 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 902,42 euro (zegge: negenhonderdentwee euro en tweeënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 602,42 materiële schade, bestaande uit € 354,32 (eigen risico) en € 248,10,- (kleding), en € 300,- immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 107,86.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] van een bedrag van € 902,42, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 6 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor 18 dagen gijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslag

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1 STK Samsung Galaxy, goednummer 5905053.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    1 STK Hakmes, goednummer 5905057;

  • -

    1 STK Verpakkingsmaterieel, goednummer 5905059.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van:

  • -

    2 STK Sok, goednummer 5905058;

  • -

    1 STK Shirt, goednummer 5905403.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok–Nijensteen en R.J. Bartels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Kanters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2021.