Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
AMS 20/302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbaarmaking vertrekregelingen gemeente Amsterdam en ex-topambtenaren. In hoofdzaak integrale weigering op rond van de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder e en g en 11, eerste lid van de Wob.

Niet duidelijk is op welke concrete passages de weigeringsgronden al dan niet betrekking hebben. Alle vertrekregelingen waarvan de rechtbank kennis heeft genomen bevatten passages die zo algemeen van aard zijn dat zij openbaar kunnen worden gemaakt zonder dat de betrokken ex-ambtenaar in zijn of haar persoonlijke levenssfeer wordt geschaad. Ook geen sprake van verwevenheid met de overige inhoud. Openbaarmaking mocht niet integraal worden geweigerd. Beroep op artikel 10 EVRM leidt niet tot gunstiger uitkomst voor TMG. Ook sprake van zeer uitgebreid en kritisch onderzoeksrapport, dat reeds integraal is openbaargemaakt.

B&W moet opnieuw beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/302

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap TMG Landelijke Media B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: B.J.S.A.A.F. de Winter),

en

het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Klugkist).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 5 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met een besluit van 9 december 2020 heeft verweerder een aanvullende beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens eiseres was [naam 1] ook aanwezig. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens hem zijn verder verschenen mr. C. Strengers en [naam 2] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 25 september 2018 een Wob-verzoek bij verweerder ingediend. Het verzoek betreft het beleid vanaf 1 januari 2014 tot aan de datum van het verzoek (25 september 2018) omtrent het vroegtijdig vertrekken van medewerkers en/of bestuurders bij de gemeente Amsterdam. Meer specifiek ziet het verzoek op:

  • -

    de financiële regelingen die bij het vertrek worden getroffen (zoals, maar niet beperkt tot, de afvloeiingsregelingen);

  • -

    alle documenten (uit personeelsdossiers bijvoorbeeld) waarin wordt gerept over dergelijke vroegtijdige vertrekken van medewerkers en/of bestuurders en de reden daarvan;

  • -

    alle documenten (uit personeelsdossiers bijvoorbeeld) waarin op enigerlei wijze bedragen zijn opgenomen die verband houden met een vroegtijdig vertrek en/of afvloeiingsregelingen van medewerkers en/of bestuurders van welke aard dan ook;

  • -

    alle in- en uitgaande correspondentie tussen verweerder en gewezen ambtenaren en/of hun gemachtigden waarin op enige wijze wordt gesproken over het vroegtijdig vertrek en/of financiële regelingen daaromtrent.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder beslist op het Wob-verzoek van eiseres. Daarin heeft verweerder verwezen naar het reeds openbare beleid rondom vertrekregelingen. Daarnaast heeft verweerder de openbaarmaking van alle documenten omtrent overeengekomen vertrekregelingen of andere financiële regelingen met vertrokken ambtenaren integraal geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g van de Wob. Openbaarmaking van deze documenten zal de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene onevenredig raken, aldus verweerder. Omdat het in de gestelde periode slechts om zes vertrekregelingen gaat, is verweerder van mening dat verdere informatie in combinatie met het tijdstip van het vertrek maakt dat de betreffende regeling herleidbaar is tot de persoon van de betreffende topfunctionaris. Verweerder heeft wel de bedragen van de aanwezige vertrekregelingen en een deel van de gemaakte afspraken kenbaar gemaakt.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

4. Na het bestreden besluit heeft verweerder kennisgenomen van het onderzoeksrapport van 11 december 2019 van het – gedurende de bezwaarprocedure reeds lopende – onafhankelijk onderzoek naar vertrekregelingen binnen de gemeente Amsterdam. Uit het rapport is gebleken dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 12 december 2018 negen vertrekregelingen zijn getroffen. Verweerder heeft daarom een aanvullende beslissing op bezwaar genomen, waarin de documenten rondom de drie andere vertrekregelingen zijn geïnventariseerd en beoordeeld. In die aanvullende beslissing op bezwaar is het verzoek om openbaarmaking – net als in het bestreden besluit – afgewezen op grond van vier weigeringsgronden, te weten:

- artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wob;

- artikel 10, tweede lid, onder e van de Wob;

- artikel 10, tweede lid, onder g van de Wob;

- artikel 11, eerste lid van de Wob.

Wettelijk kader

5. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:19 van de Awb 1

6.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende beslissing op bezwaar is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. De rechtbank leidt hieruit af dat het bestreden besluit volgens verweerder onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu het niet volledig is gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep reeds om die reden gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

6.2.

De rechtbank zal vervolgens het bestreden besluit en het besluit op grond van artikel 6:19 van de Awb verder beoordelen in het licht van de beroepsgronden.

Ontbreken inventarislijst

7.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar in het primaire besluit niet inzichtelijk is gemaakt over welke documenten verweerder heeft beslist doordat een inventarislijst ontbreekt.

7.2.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in beroep niet het primaire besluit, maar de beslissing op bezwaar ter beoordeling voorligt. In die beslissing is een inventarislijst opgenomen, waaruit blijkt over welke documenten is beslist onder weergave van de toegepaste weigeringsgrond. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Artikel 8:29 van de Awb

8. Eiseres heeft de rechtbank toestemming gegeven om de documenten waar zij geen kennis van heeft mogen nemen, te gebruiken bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte gegevens.

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wob

9.1.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is waarom er sprake is van persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Zij twijfelt daarom of de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wob correct is toegepast.

9.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegevens zien op de gezondheid van de betrokken ex-ambtenaren.

9.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de (delen van) documenten waarvan openbaarheid is geweigerd met toepassing van artikel 10, eerste lid, onder d van de Wob. Deze (delen van) documenten zien op ziekmeldingen en/of het doorgeven van updates met betrekking tot de gezondheidstoestand van de betrokkenen. Nu het daarmee duidelijk de gezondheidstoestand van (ex-)ambtenaren betreft, is hier inderdaad sprake van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de AVG. De openbaarmaking van die documenten is daarom terecht geweigerd. Eiseres heeft overigens te kennen gegeven ook niet geïnteresseerd te zijn in dergelijke gegevens.

Artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, en 11, eerste lid van de Wob

10.1.

Tegen de weigeringen op basis van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g van de Wob voert eiseres allereerst aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in een vergelijkbaar geval van een vertrekregeling van een voormalig ambtenaar2 heeft beslist dat per categorie van gegevens moet worden beslist of het belang van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Dat is in dit geval niet gebeurd, aldus eiseres.

10.2.

Over de weigering op grond van artikel 11, eerste lid van de Wob voert eiseres aan dat het haar niet duidelijk is of de feiten zo onafscheidelijk zijn van de persoonlijke meningen in de documenten – zoals door verweerder is betoogd – dat een scheiding van informatie of gedeeltelijke openbaarmaking onmogelijk is. Voorts is niet gemotiveerd waarom een mindere vorm van openbaarmaking, zoals het maken van een samenvatting per document, niet mogelijk is.

10.3.

Anders dan verweerder stelt eiseres zich op het standpunt dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g bedoeld is voor uitzonderlijke situaties waarin onbedoeld onevenredige schade ontstaat. Uit het bestreden besluit wordt niet duidelijk waaruit de schade bestaat en waarom deze onevenredig zou zijn. Volgens eiseres zal een topambtenaar gelet op zijn vaak publieke positie enige schade voor lief moeten nemen.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alle documenten op alineaniveau zijn beoordeeld. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder verwezen naar de motivering in de besluitvorming en de overgelegde inventarislijst.

12. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen3 moet in beginsel per zelfstandig onderdeel van een document, zoals een alinea, worden beoordeeld of het belang van openbaarmaking opweegt tegen het belang van – in dit geval – de belangen van de gemeentelijke organisatie en het voorkomen van onevenredige benadeling van zowel haar als de betrokken ex-ambtenaar. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel per zin of zinsdeel te bepalen of de weigeringsgrond zich voordoet indien aan de zin of het zinsdeel alleen betekenis toekomt in samenhang met de overige inhoud van dit zelfstandige onderdeel.4

13.1.

Gezien de omvang van de documenten waar het in deze procedure om gaat heeft de rechtbank ervoor gekozen om die steekproefsgewijs te beoordelen. De rechtbank constateert dat verweerder het verzoek om openbaarmaking van de documenten met het bestreden besluit alsmede de aanvullende beslissing op bezwaar, in hoofdzaak integraal heeft geweigerd. Per vertrekregeling is op de eerste pagina rechtsboven vermeld welke weigeringsgrond daarop is toegepast. Niet duidelijk is echter op welke concrete passages de weigeringsgronden al dan niet betrekking hebben.

13.2.

Ook constateert de rechtbank dat alle vertrekregelingen waarvan zij kennis heeft genomen passages bevatten die naar het oordeel van de rechtbank zo algemeen van aard zijn dat zij openbaar kunnen worden gemaakt zonder dat de betrokken ex-ambtenaar in zijn of haar persoonlijke levenssfeer wordt geschaad. Deze passages zijn ook niet zo nauw met de overige informatie in het document verweven dat aan de zin of het zinsdeel alleen betekenis toekomt in samenhang met de overige inhoud van het betreffende document, zodat de openbaarmaking daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet integraal mocht worden geweigerd. Het beroep op dit punt slaagt.

Artikel 10, derde lid van de Wob

14. Eiseres voert ook aan dat artikel 10, derde lid van de Wob eraan in de weg staat dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob wordt gebruikt indien de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. Uit de notulen van een gemeenteraadvergadering van de gemeente Rotterdam volgt dat de betreffende voormalig ambtenaar geen bezwaar tegen openbaarmaking van zijn vertrekregeling had. De geheimhouding is op initiatief van verweerder, en omdat hij zich daartoe verplicht voelde, in de vertrekregeling van de betreffende ambtenaar opgenomen.

15. Hoewel eiseres terecht betoogt dat artikel 10, derde lid van de Wob eraan in de weg staat dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob wordt gebruikt indien de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking, baat dat haar niet. Uit de notulen van de gemeenteraadvergadering kan niet worden afgeleid dat de betrokken ambtenaar geen bezwaar tegen openbaarmaking van zijn vertrekregeling had. Er is geen sprake van een expliciete instemming met openbaarmaking van de vertrekregeling. Uit de notulen volgt namelijk dat de ambtenaar heeft verklaard dat hij “niet [heeft] gevraagd om de geheimhouding, maar [heeft] geconstateerd dat die er wel op gelegd was en daarvan deel uitmaakte.” Dat de ambtenaar (achteraf) geen bezwaar had tegen openbaarmaking van zijn vertrekregeling staat niet gelijk aan het uitdrukkelijk hebben ingestemd met de openbaarmaking daarvan.

De volledigheid van het besluit

16. In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat hij niet over alle documenten heeft beslist in het bestreden besluit. Ook dat vormt grond voor vernietiging van dat besluit.

17.1.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerders mededeling dat zich, naast de reeds op de inventarislijst bij het bestreden besluit en de aanvullende beslissing op bezwaar genoemde documenten, geen andere documenten met betrekking tot de vertrekregelingen onder hem berusten, niet ongeloofwaardig voorkomt. Die vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.

17.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.5

17.3.

Met de aanvullende beslissing op bezwaar heeft verweerder beslist over een drietal andere vertrekregelingen. Voorts heeft verweerder het onderzoeksrapport van 29 november 2019 overgelegd.6 Uit dat rapport volgt dat gedurende de onderzoeksperiode van januari 2014 tot en met juni 2019 ruim 100 directeuren in dienst van de gemeente Amsterdam zijn geweest. Het aantal directeuren dat uit dienst is gegaan tijdens de onderzoeksperiode is op basis van de informatie van verweerder niet onomstotelijk vast te stellen. Volgens de reconstructie van de onderzoekers gaat het om 35 directeuren. Mogelijk betreft het nog meer personen. Niet met alle personen is volgens de onderzoekers een vertrekregeling overeengekomen. Er bestaan namelijk drie mogelijke routes naar het einde van een directeursfunctie, waaronder de vertrekregeling.7 De onderzoekers hebben geconcludeerd dat in de periode van januari 2014 tot en met juni 2019 in totaal tien vertrekregelingen zijn gesloten.

17.4.

De rechtbank stelt vast dat het rapport een onderzoeksperiode bestrijkt die ruimer is dan de periode waarop het Wob-verzoek van eiseres ziet. Dat verweerder niet alle tien vertrekregelingen bij zijn beslissing heeft betrokken heeft te maken met het feit dat het verzoek van eiseres de periode van 1 januari 2014 tot en 25 september 2018 beslaat. In die periode zijn er negen vertrekregelingen getroffen. Uit de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen blijkt dat de tiende vertrekregeling pas na die periode is getroffen.

17.5.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat er buiten deze procedure om meer stukken zijn gevonden. Ter zitting heeft zij meerdere stukken overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat verweerder niet voldoende heeft gezocht.

17.6.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ter zitting overgelegde documenten en constateert dat deze zien op – onder meer – de vertrekregeling van eerdergenoemde ambtenaar. Ter zitting is toegelicht dat eiseres een apart Wob-verzoek heeft ingediend dat ziet op de vertrekregeling van die ambtenaar. Dat verzoek is ook breder geformuleerd dan het verzoek dat aan deze procedure ten grondslag ligt. Het is daarom niet opmerkelijk dat bij dat verzoek meer stukken boven water zijn gekomen dan bij de vertrekregelingen waar het in deze procedure om gaat.

17.7.

Verweerders mededeling dat zich binnen de scope van het Wob-verzoek geen andere documenten met betrekking tot de vertrekregelingen onder hem berusten, komt de rechtbank dan niet ongeloofwaardig voor.

Artikel 10 van het EVRM

18.1.

Eiseres beroept zich op artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat volgens haar met het bestreden besluit is geschonden. Meer specifiek beroept eiseres zich op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)8, waaruit volgens haar duidelijk wordt dat bij onterechte weigering van openbaarmaking van informatie sprake is van indirecte censuur. Doordat verweerder stappen onderneemt om vertrekregelingen buiten het publieke debat te houden, is in dit geval sprake van een parallel met het [partij] -arrest en ook sprake van indirecte censuur, aldus eiseres.

18.2.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat iedere weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wob, blijkens vaste rechtspraak van het EHRM als een relatieve weigeringsgrond had moeten worden behandeld.9 De belangen van openbaarheid en de belangen met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer hadden tegen elkaar moeten worden afgewogen. Eiseres stelt bovendien te voldoen aan de vier cumulatieve verplichtingen die het EHRM in het [partij] -arrest heeft gesteld.

19.1.

Naar vaste rechtspraak van de Afdeling biedt artikel 10 van het EVRM staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten, bijvoorbeeld zoals in deze zaak ter bescherming van het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van voorkoming van onevenredig benadeling.10 Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De Afdeling stelt voorop dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken.

19.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in haar concrete situatie sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat, naar eiseres stelt, het maatschappelijke belang bij openbaarmaking groot is, is daarvoor onvoldoende nu dat reeds een plaats heeft gekregen in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

19.3.

De rechtbank kan er in het kader van de afweging onder artikel 10 van het EVRM verder niet aan voorbijzien dat een onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar het beleid van verweerder rondom vertrekregelingen van directeuren, waaronder ook naar de omstreden vertrekregelingen waar het in deze procedure om gaat. Dat onderzoek heeft geleid tot een zeer uitgebreid en kritisch onderzoeksrapport, dat reeds integraal is openbaargemaakt. Dat rapport heeft daarmee niet alleen bijgedragen aan de belangen die artikel 10 van het EVRM beoogt te beschermen, maar ook aan het doel van openbaarheid en publieke controle dat de Wob wil dienen.

Conclusie

20. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep. Het is aan verweerder om toepassing van de weigeringsgronden genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e en g, en artikel 11 van de Wob nader te bezien.

21. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en de aanvulling daarop;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
    € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. M. Greebe en
mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden,in aanwezigheid van mr. L.N. Linzey, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage:

Wettelijk kader

WOB

In artikel 10 van de Wob is het volgende bepaald:

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

(…)

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(...);

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

(...);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. (…)

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

Artikel 11, eerste lid, van de Wob bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Awb

In artikel 8:29 van de Awb is het volgende bepaald:

(…)

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

EVRM

In artikel 10 eerste lid van het EVRM is het volgende bepaald:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

AVG

In artikel 9 van de AVG is, voor zover van belang, bepaald dat:

1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.

Artikel 10 van de AVG luidt:

Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.

1 Algemene wet bestuursrecht.

2 Uitspraak Afdeling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3559

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:715.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2308.

6 ‘Beleid en werkwijze rondom vertrekkende directeuren en bij AWA geplaatste directeuren.’

7 Zie Beleid en werkwijze rondom vertrekkende directeuren en bij AWA geplaatste directeuren, p.5.

8 Uitspraak van 14 april 2009 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:2009:0414JUD003737405 ( [partij] -arrest).

9 Verwezen wordt naar de uitspraak van het EHRM van 14 december 2017 ( [partij] tegen Hongarije), ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011.

10 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2043.