Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:107

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
13-994015-20 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een overtreding begaan door in strijd met de omgevingsvergunning een afvalstof te accepteren. De afvalstof is onder een onjuiste code aan verdachte afgegeven. Verdachte heeft als professionele partij onvoldoende zelfstandig onderzocht of de afvalstof onder zijn vergunning viel.

Verdachte heeft ook een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen terwijl hij daarvoor nog geen vergunning had.

Verdachte is veroordeeld voor het feitelijke leiding geven aan deze feiten.

Beroep op overmacht/noodtoestand en ontbreken van materiële wederrechtelijkheid wordt verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2021/31 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-[jw.sys.1.verdachte_parketnummer] [jw.sys.1.verdachte_voornamen] [jw.sys.1.verdachte_voorv_naam]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-994015-20 (promis)

Datum uitspraak: 7 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.C.A. Plantenga en mr. L. van Haeringen (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E. Benhaim naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte gaf in 2016 leiding aan [medeverdachte 1] Hij wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij in die tijd in strijd met de omgevingsvergunning heeft gehandeld door de afvalstof MONG te accepteren en aanwezig te hebben. Daarnaast zou verdachte in strijd met diezelfde vergunning metingen van afvalwatermonsters hebben uitgevoerd en een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie zonder vergunning in gebruik hebben gehad.

Een korte weergave van de tenlastelegging is hier onder weergegeven. De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gevoegd.

Feit 1

[medeverdachte 1] heeft in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 december 2016, tezamen en in vereniging met een ander of anderen in strijd met de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning

  • -

    een afvalstof (MONG) geaccepteerd die niet in de voorschriften vermeld was;

  • -

    MONG, althans afvalstoffen afkomstig van [medeverdachte 2] in de inrichting aanwezig gehad en

  • -

    metingen van (afval)watermonsters niet uitgevoerd volgens de methoden en/of eisen vermeld in bijlage 4 van de omgevingsvergunning.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij hiertoe opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven dan wel dat hij dit feit zelf samen met anderen heeft begaan.

Feit 2

[medeverdachte 1] heeft in de periode van 1 maart 2017 tot en met 25 april 2017 tezamen en in vereniging met een ander of anderen een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen zonder daarvoor een vergunning te hebben. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij hiertoe opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven dan wel dat hij dit feit zelf samen met anderen heeft begaan.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

In deze inleiding gaat de rechtbank wat nader in op de beschuldigingen die aan verdachte gemaakt worden.

3.1

Accepteren en aanwezig hebben van de afvalstof MONG (feit 1, eerste twee gedachtestreepjes)

[medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ) uit [plaats] heeft vergunning en erkenning om met een industriële vergister dierlijke bijproducten te vergisten. Het product van deze vergisting is biogas. In 2015 is naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem-melding een onderzoek gestart naar [medeverdachte 1] . Tijdens het onderzoek is onderzocht welke stoffen als inputstoffen werden gebruikt voor de vergister. Eén van de stoffen bleek een afvalstroom uit de biodiesel/glycerineproductie genaamd MONG (Matter Organic Non Glycerine) te zijn, afkomstig van het bedrijf [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 2] heeft MONG aangeboden onder de code 07.01.99 van de Europese afvalstoffenlijst, de zogenoemde Euralcode.

Het Openbaar Ministerie verwijt [medeverdachte 2] dat zij de MONG ten onrechte Euralcode 07.01.99 heeft gegeven. [medeverdachte 1] wordt verweten de MONG in strijd met de omgevingsvergunning te hebben geaccepteerd van [medeverdachte 2] omdat er een verkeerde code aan was gegeven. Verdachte zou zich daar schuldig aan hebben gemaakt als feitelijke leidinggever van [medeverdachte 1] .

3.2

Het niet volgens voorschrift 4.4.8 van de omgevingsvergunning uitvoeren van metingen van afvalwatermonsters (feit 1, derde gedachtestreepje)

In 2016 zijn door het Waterschap Vallei en Veluwe 24 steekmonsters uit de rioolpijp van de inrichting van [medeverdachte 1] de [adres 1] gehouden. Van 20 controles werd de volgende dag het corresponderende etmaalmonster opgevraagd bij [medeverdachte 1] . Uit analyse van de steekmonsters bleek dat op vijf avonden het afvalwater sterk vervuild was. Juist op die dagen was het door het bedrijf zelf verplicht te nemen etmaalmonster opvallend schoon, terwijl de sterke vervuiling zichtbaar zou moeten zijn. Hieruit ontstond het vermoeden dat er door [medeverdachte 1] buiten het monsterpunt om werd geloosd dan wel dat het etmaalmonster was gemanipuleerd.

3.3

Het zonder vergunning in gebruik nemen van een oude rioolwaterzuiverings-installatie (RWZI) (feit 2)

Op 8 maart 2017 heeft inspecteur [naam inspecteur] van Waterschap Vallei en Veluwe gezien dat een tankwagen van [medeverdachte 1] op het terrein van de voormalige RWZI aan de [adres 2] stond en met een slang verbonden was aan een van de aanwezige tanks. Nadat de vrachtwagen was losgekoppeld en weggereden bleek er een lichtbruine, naar vis ruikende substantie te liggen. Het verwijt is dat [medeverdachte 1] deze installatie gebruikt heeft terwijl zij hiervoor geen vergunning bezat.

Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte dat hij feitelijke leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan [medeverdachte 1] , terwijl deze zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3.1, 3.2 en 3.3. genoemde overtredingen.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.1.1

Accepteren en aanwezig hebben van de afvalstof MONG

Onjuiste Euralcode voor MONG

Dat [medeverdachte 1] de afvalstof MONG heeft ontvangen en aanwezig heeft gehad staat niet ter discussie. Deze afvalstof is door [medeverdachte 2] geleverd onder de Euralcode 07.01.99. De vraag is of [medeverdachte 2] aan de MONG de juiste afvalcode heeft toegekend. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat dit niet het geval is en baseert zich op het volgende.

Na een strafrechtelijk onderzoek in 2014 is [medeverdachte 2] de Euralcode 07.01.99 gaan gebruiken voor MONG. [naam 1] heeft namens [medeverdachte 2] verklaard dat MONG geen gevaarlijke afvalstof is. Het Openbaar Ministerie stelt zich echter op het standpunt dat MONG wel een gevaarlijke afvalstof betreft.

Niet ter discussie staat dat het NFI in 2014 MONG heeft aangemerkt als gevaarlijke afvalstof waarvoor Euralcode 07.05.08* van toepassing is. In 2016 heeft de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) gesteld dat de door [medeverdachte 2] gebruikte code 07.01.99 voor MONG vragen oproept, omdat [medeverdachte 2] in de aanvraag omgevingsvergunning van 2006 heeft aangegeven dat MONG een destillatieresidu is. Code 07.01.08* lijkt daarom het meest passend, aldus de ITL. Vervolgens heeft het NFI in 2017 opnieuw onderzoek gedaan en weer geconcludeerd dat MONG een gevaarlijke afvalstof is, waarop codes 07.01.08*, 07.05.08* of 07.08.08* van toepassing zijn afhankelijk van hoe men het productieproces interpreteert. Maar in alle gevallen valt MONG onder “overige destillatieresiduen en reactieresiduen”, waarbij een code met een asterisk hoort en dus een gevaarlijke stof is.

Naar aanleiding van aanvullende vragen geeft het NFI aan dat artikel 3 lid 2 van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (KRA) “gevaarlijke afvalstof” definieert als “een afvalstof die een of meer van de in bijlage III genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit”. Er is, zo stelt het NFI, geen reden te suggereren dat de eigenschappen van de gebruikte grondstoffen voor de classificatie van belang zijn. Uit de systematiek van de Eural volgt dat elk reactie- of destillatieresidu afkomstig van een organisch chemisch proces automatisch geclassificeerd moet worden als gevaarlijk afval.

MONG is, anders dan de verdediging in een later stadium heeft gesteld, geen dierlijk bijproduct, maar een afvalstof. Dit is niet alleen door [naam 1] zelf verklaard, maar zowel [medeverdachte 2] als verdachte zien het als afval. Dit blijkt onder meer uit de begeleidingsbrieven, de verhoren en de overeenkomsten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Ook geeft [medeverdachte 1] dit door aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA).

Volgens artikel 5.1 van de KRA geldt voor een bijproduct een aantal criteria, waaronder dat ‘c. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces’. MONG is een mengsel van restresiduen volgend op het destilleren naar gewenste producten zoals biodiesel en farmaceutische glycerine. MONG wordt dus niet bewust geproduceerd en voldoet daarmee niet aan het criterium c van artikel 5.1 van de KRA.

Door de verdediging zijn twee rapporten ingebracht met betrekking tot de vraag wat de juiste Euralcode voor MONG is.

Het rapport van [naam 2] van 17 november 2020 stelt onder meer dat [medeverdachte 2] mocht vertrouwen op het advies van het Kenniscentrum Afval Circulair bij de keuze van Euralcode 07.01.99 voor MONG. Ook stelt het dat het NFI (en de ILT) de starre formulering van de Europese Afvalstoffenlijst heeft gevolgd en geen rekening heeft gehouden met ontwikkelingen in de afvalstoffenregelgeving nadien. Het gaat om de vraag

welk aanwijzingscriterium prevaleert: aanwijzing op basis van eigenschappen van de stof of aanwijzing op basis van vermelding in de Eurallijst. [naam 2] gaat uit van het eerste en meent zich daarin gesteund door het begrip gevaarlijke afvalstof in de Wet milieubeheer, dat verwijst naar bijlage III van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.

[naam 2] gaat hiermee voorbij aan de systematiek die is voorgeschreven door de Eural, aldus de officier van justitie.

In de notitie van TAUW van 27 november 2020, opgesteld door [naam 3] , wordt aanvankelijk de systematiek van de Eural gevolgd en komt men uit bij hoofdstuk 07.01. Vervolgens gaat ook TAUW uit van de stof en niet van het proces, waarbij het rapport stelt dat MONG geen gevaarlijke stof betreft en dat als uitgangspunt neemt voor de bepaling van de Euralcode.

De officier van justitie komt al met al tot de conclusie dat [medeverdachte 2] een onjuiste code aan MONG heeft gekoppeld en dat MONG moet worden geclassificeerd als gevaarlijke afvalstof en dus niet de code 07.01.99 kan hebben.

Vergunning [medeverdachte 1]

heeft sinds 22 oktober 2013 een vergunning om afvalstromen met Euralcode 07.01.99 te accepteren. In Voorschrift 3.1.1 bij de vergunning is een lijst opgenomen met toegestane afvalstoffen. Andere afvalstoffen dan deze vergunde stoffen mogen niet in de inrichting aanwezig zijn. Afvalstoffen met code 07.01.08*, 07.05.08* en 07.08.08* worden niet genoemd in deze lijst.

In de aanvraag om Euralcode 07.01.99 te mogen accepteren wordt omschreven dat het de volgende stoffen betreft:

  1. Polymeer, monomeer en bleekaarde

  2. Dierlijk en plantaardig vet

  3. (glycerine)water met vet

Het NFI concludeert in haar rapport van 5 juli 2017 dat deze stoffen, evenals MONG, niet onder afvalcode 07.01.99 vallen.

Opzet

Verdachte had als leidinggevende van [medeverdachte 1] vanuit de milieuwetgeving de plicht te onderzoeken welke stoffen er in zijn bedrijf binnen komen. Hij moet zich als ontvanger van bedrijfs- en gevaarlijke stoffen vergewissen van de aard van de stof die het bedrijf inneemt. Afgaan op wat hem door [medeverdachte 2] is verteld is niet voldoende. Dan neemt hij de aanmerkelijke kans op de koop toe dat het wel eens een stof is die [medeverdachte 1] volgens de omgevingsvergunning niet mag hebben. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist van het eerdere politieonderzoek bij [medeverdachte 2] en van het in 2014 opgestelde rapport van het NFI.

Verdachte wist of had moeten weten en onderzoeken of inname en het bezit van MONG wel vergund was. Door dit niet sluitend te verifiëren kan de gedraging hem ook verweten worden.

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] opzettelijk de vergunningsvoorwaarden heeft overtreden door MONG in te nemen en aanwezig te hebben en dat verdachte hieraan feitelijke leiding heeft gegeven.

4.1.2

Het niet volgens voorschrift 4.4.8 van de omgevingsvergunning uitvoeren van metingen van afvalwatermonsters

[medeverdachte 1] is volgens voorschrift 4.4.4 van de omgevingsvergunning van 17 mei 2011 verplicht zelf representatieve etmaalmonsters van het geloosde afvalwater te nemen. Voorschrift 4.4.8 bepaalt dat de meting, bemonstering, conservering en analysering van (afval)watermonsters dienen te worden uitgevoerd volgens de methoden/eisen vermeld in bijlage 4. Hier wordt bepaald dat de monsterneming geschiedt volgens NEN 6600-1.

In 2016 zijn 24 steekmonsters genomen door het Waterschap Vallei en Veluwe (hierna: het Waterschap) uit de rioleringspijp afkomstig van de richting van de [adres 1] . Van 20 monsters zijn bijbehorende etmaalmonsters van [medeverdachte 1] opgevraagd en onderzocht. In vijf gevallen bleek in de steekmonsters veel meer vervuilingsvracht te zitten dan in de veiliggestelde etmaalmonsters van [medeverdachte 1] , hetgeen niet mogelijk is bij een goed genomen etmaalmonster. De steekmonsters die bij deze vijf geconstateerde gevallen hoorden, lieten in verhouding erg hoge waarden zien in vergelijking met andere steekmonsters, terwijl de etmaalmonsters op die dagen in verhouding erg lage waarden gaven. Deze etmaalmonsters zijn kennelijk niet representatief genomen. Opvallend is dat de tussenliggende bemonsteringen tussen de vijf genoemde gevallen wel representatieve uitslagen gaven.

Namens de verdediging is een rapport van Royal Haskoning ingebracht. Naar aanleiding van dit rapport is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt dat ingaat op de opmerkingen van Royal Haskoning. Hieruit volgt dat

  • -

    de steekmonsters uit de rioolpijp afkomstig van verdachte volgens de NEN-normen zijn genomen;

  • -

    een medewerker van [medeverdachte 1] aan verbalisant heeft verklaard dat [medeverdachte 1] vaak in de avond/nachtelijke uren loost, omdat overdag het water afkomstig van de biologische zuivering wordt gebruikt om vaste grondstoffen voor de vergister verpompbaar te maken;

  • -

    verder is bekend dat [medeverdachte 1] donker water loost. Op het industrie is een aantal bedrijven dat donkerkleurig water loost, maar die werken niet ‘s nachts. De overige bedrijven lozen geen donker water.

Dat sprake is van opzet volgt uit de verklaring van verdachte dat de samenstelling van het afvalwater en de lozingswaarden in deze periode sterk fluctueerden. Door de afwateringssituatie niet op orde te hebben, en hiervan op de hoogte te zijn, overtreedt [medeverdachte 1] opzettelijk de vergunningsvoorwaarden. Verdachte heeft hiertoe opdracht dan wel hieraan feitelijke leiding gegeven.

4.1.3

Het zonder vergunning in gebruik nemen van een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie

Op 8 maart 2017 constateert een verbalisant van het waterschap dat bij de voormalige RWZI vanuit een tankwagen van verdachte stoffen worden overgepompt in een daar staande vaste groene tank. Hieraan zit een vrij nieuwe koppeling. Verbalisant wist dat [medeverdachte 1] de RWZI in gebruik wilde nemen, maar dat de vergunning hiervoor nog niet was afgegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich er van bewust was dat hij zich in een grijs gebied bevond door de tanks in gebruik te nemen maar “dat hij geen andere optie zag vanwege de last onder dwangsom op de afvalwaterlozing”.

Gelet hierop kan bewezen worden dat [medeverdachte 1] opzettelijk de RWZI in gebruik heeft genomen en daarmee de inrichting heeft veranderd zonder dat daarvoor een vergunning was afgegeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

4.2.1

Accepteren en voorhanden hebben van de afvalstof MONG

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte in strijd met de vergunningvoorschriften 3.1.1 en 3.1.2 de MONG heeft geaccepteerd en aanwezig heeft gehad en dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De verdediging voert hiervoor onder meer het volgende aan.

MONG is een bijproduct, geen afvalstof

MONG voldoet aan de criteria voor een bijproduct in de zin van artikel 5 van de KRA.:

  1. MONG wordt direct gebruikt in het productieproces van verdachte

  2. Het heeft voor gebruik geen verdere behandeling nodig

  3. Het wordt geproduceerd als integraal onderdeel van het productieproces

  4. Verder gebruik is rechtmatig.

Daar komt bij dat verdachte voor de MONG betaalt en er is sprake van een nuttige toepassing.

Deskundige [naam 2] heeft in zijn rapport van 17 november 2020 aangegeven dat in de hernieuwde Kaderrichtlijn de procesgerichte aanpak van risicobeoordeling van afvalstoffen meer en meer is losgelaten en vervangen door een meer op herkomst en gevaar-eigenschappen gerichte aanpak. Ook is toen het begrip bijproduct geïntroduceerd om onderscheid te kunnen maken tussen afvalstoffen en herbruikbare reststoffen, waardoor meer en meer ruimte werd geboden voor nuttige toepassingen en hergebruik. Het NFI heeft, zo stelt [naam 2] , geen oog gehad voor de ontwikkelingen rond de mogelijkheden van hergebruik van nuttig aanwendbare afvalstoffen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de stof MONG een bijproduct is. Omdat geen sprake is van een (gevaarlijke) afvalstof moet verdachte worden vrijgesproken.

[medeverdachte 1] mocht MONG accepteren onder Euralcode 07.01.99

De verdediging betwist dat de MONG slechts gerubriceerd kan worden onder code 07.01.08*.

a. MONG is geen destillatieresidu, omdat het na destillatie nog verder wordt bewerkt. Aan de MONG wordt ruwe glycerine toegevoegd en de zouten worden er via een decanter uit gescheiden. Ook de heer [naam 3] van TAUW geeft aan dat het geen gevaarlijke afvalstof is en dat code 07.01.99 daarom de juiste is. Verdachte ontving niet een puur destillatieresidu.

b. MONG mist gevaareigenschappen en kan daarom geen gevaarlijke stof zijn. In de Wet milieubeheer staat dat een gevaarlijke afvalstof een afvalstof is die een of meer van de in bijlage III bij de Kaderrichtlijn Afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit. MONG bezit geen van deze gevaarlijke eigenschappen. In de Handreiking Eural 2019 wordt voor vragen verwezen naar de Helpdesk Afvalbeheer van Rijkswaterstaat; deze heeft [medeverdachte 2] medegedeeld dat code 07.01.99 de juiste code is. Dat de gevaareigenschappen dienen te prevaleren wordt ook door [naam 2] gesteld. De verdediging neemt dit over en stelt dat voor het bepalen of een stof een gevaarlijke afvalstof is, bepalend is of de stof gevaareigenschappen bezit.

c. de code 07.01.99 is voor MONG gebruikelijk.

[medeverdachte 2] heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de Euralcodes en heeft deskundigenadvies ingeschakeld van Royal Haskoning en de deskundigen van Afval Circulair. Hieruit heeft [medeverdachte 2] afgeleid dat code 07.01.99 de juiste moest zijn. De deskundigen zijn van mening dat geen sprake is van een gevaarlijke stof, omdat MONG geen gevaareigenschappen bezit.

Daar komt nog bij dat ook het bevoegd gezag, zowel in Nederland als in België, voor MONG steeds vaker de code 07.01.99 toepast.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de code 07.01.99 de juiste code is en [medeverdachte 1] niet heeft gehandeld in strijd met de voorschriften uit de omgevingsvergunning. Dit moet dan ook leiden tot vrijspraak van verdachte.

Voor het geval de rechtbank een ander oordeel overweegt verzoekt de verdediging een deskundige te benoemen om zich uit te laten over de toe te passen Euralcode.

Meer subsidiair meent de verdediging dat geen sprake is van opzet. [medeverdachte 1] noch verdachte hebben de bewuste kans aanvaard dat zij stof zouden accepteren die hen niet vergund was. [medeverdachte 1] ging uit van de juistheid van de toegepaste Euralcode.

Ten aanzien van verdachte geldt het volgende

Omdat niet bewezen kan worden dat de rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan, kan ook geen sprake zijn van feitelijke leiding geven. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Afwezigheid van alle schuld

Uiterst subsidiair beroept de verdediging zich op afwezigheid van alle schuld, omdat verdachte gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de juistheid van de door [medeverdachte 2] gehanteerde code. Verdachte heeft voldaan aan zijn informatieverplichting die uit de Wet milieubeheer voortvloeit. Hij heeft informatie opgevraagd bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] heeft bij de helpdesk van het bevoegd gezag verzocht te controleren of de opgegeven code de juiste was. Verdachte had geen reden te twijfelen aan de code, omdat hij wist dat [medeverdachte 2] hier zorgvuldig eigen onderzoek naar had gedaan en de toegepaste code werd ondersteund door deskundigen van de overheid. Uit niets bleek dat de door [medeverdachte 2] toegepaste code onjuist zou zijn. Daar komt bij dat MONG regelmatig de code 07.01.99 krijgt, zowel in Nederland als in België.

Mocht de rechtbank het feit bewezen verklaren, dan is er sprake van een verontschuldigbare dwaling en moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.2.2

Het niet volgens voorschrift 4.4.8 van de omgevingsvergunning uitvoeren van metingen van afvalwatermonsters

Verdachte stelt zich op het standpunt dat de etmaalmonsters op onafhankelijke wijze tot stand komen en dat deze een representatieve afspiegeling vormen van de te bemonsteren afvalstroom.

Strijd met het Una via-beginsel, Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging

Aan [medeverdachte 1] is over het jaar 2016 een vergrijpboete opgelegd door het Gemeenschappelijk Belastingkantoor [naam kantoor] . Dit is een fiscale boete. Op grond van artikel 243 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging wegens schending van het una-via beginsel. Het gaat immers om hetzelfde feit. Dit geldt ook voor verdachte, omdat hij wordt verdacht van feitelijke leiding geven dan wel medeverdachte.

Het waterschap heeft een andere stroom bemonsterd dan [medeverdachte 1]

neemt op een volumeproportionele wijze etmaalmonsters van het bedrijfsafvalwater. Dit waarborgt een getrouw beeld van de afvoer gedurende 24 uur van het bedrijfsafvalwater.

Het Openbaar Ministerie stelt dat het etmaalmonster niet representatief is, omdat een steekmonster te zeer afwijkt van het door verdachte genomen etmaalmonster. Echter, een steekmonster is een eenmalig monster en zegt veel minder dan een etmaalmonster, temeer daar bij [medeverdachte 1] geen sprake is van een constante afvalstroom.

Daar komt bij dat de steekmonsters op een ander punt zijn genomen dan de etmaalmonsters van [medeverdachte 1] . Op het punt waar de steekmonsters zijn genomen komen meerdere afvalstromen van het terrein van [medeverdachte 1] samen. Het bevat naast het bedrijfsafvalwater ook afvalwater afkomstig van de tankplaats waar tankwagens worden gereinigd en afvalwater van de sanitaire voorzieningen. Het kan niet zo zijn dat steekmonsters uit meerdere afvalstromen worden vergeleken met etmaalmonsters van een enkele afvalstroom, namelijk het bedrijfsafvalwater.

Werkwijze Waterschap niet conform NEN 6600

De wijze waarop het Waterschap de steekmonsters heeft genomen maakt dat deze niet betrouwbaar zijn. Niet alleen was er geen monsterstrategie opgesteld, ook zijn de monsters niet willekeurig genomen. Na een afwijkend monster aan de [adres 3] is afgereisd naar de [adres 1] in de veronderstelling daar vervuilde steekmonsters aan te treffen. Daar is gewacht op een lozing om de monsters te nemen. In deze strafzaak zijn alleen de monsters van donker gekleurd water meegenomen. Er zijn echter meer steekmonsters genomen waarbij het afvalwater lichtgekleurd was en waarvan niet kon worden geconstateerd dat de etmaalmonsters niet klopten. Hiermee is bij de beoordeling of sprake is van niet-representatieve etmaalmonsters geen rekening gehouden.

Nu geen sprake is van vergelijkbare monsters en het waterschap de monsters niet heeft genomen volgens de NEN 6600-normen, kan niet worden bewezen dat de etmaalmonsters van [medeverdachte 1] niet representatief zijn, zodat verdachte als leidinggever van dit feit moet worden vrijgesproken.

4.2.3

Het zonder vergunning in gebruik nemen van een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Primair betoogt de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Vervolging van dit feit is niet opportuun, omdat er een concreet zicht was op legalisatie. Namens [medeverdachte 1] is een ontvankelijke vergunningsaanvraag ingediend op 11 juli 2016 en er was geen reden aan te nemen dat de vergunning niet zou worden verleend. Inmiddels is de vergunning ook verleend.

Overmacht/noodtoestand

Er was een conflict van plichten: enerzijds moest [medeverdachte 1] zich houden aan de vergunningsvoorschriften en anderzijds moest zij voldoen aan de plichten voortvloeiend uit de milieuvoorschriften, te weten het op peil houden van de waterkwaliteit. Dit zijn twee botsende belangen. De vergunningverlening werd vanwege het BIBOB-traject vertraagd, waardoor [medeverdachte 1] en verdachte in een noodtoestand kwamen te verkeren. [medeverdachte 1] heeft ervoor gekozen de RWZI tank al vast in gebruik te nemen. Zij vond het belang om de milieuvoorschriften en daarmee de waterkwaliteit op orde te houden zwaarder wegen dan het belang zich te houden aan haar omgevingsvergunning. Hierbij heeft zij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Maar daarmee heeft zij tevens de voorschriften uit de omgevingsvergunning overtreden. [medeverdachte 1] heeft bij haar keuze ook gekeken naar het feit dat er concreet zicht was op legalisatie.

[medeverdachte 1] heeft de noodsituatie niet zelf gecreëerd. Er was immers een volledige vergunning aangevraagd. Dat deze op zich liet wachten, was het gevolg van de BIBOB-procedure, dat niet was te voorzien.

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte als leidinggever te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Meer subsidiair is er sprake van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Hiervan is sprake als met de gedraging de belangen die de overtreden bepaling geacht wordt te beschermen, beter gediend zijn dan bij het volgen van de wet. Door de RWZI tank vast in gebruik te nemen, zonder de vergunning af te wachten, werden de belangen in het kader van het milieu beter gediend en was het gerechtvaardigd de installatie vast in gebruik te nemen. Verdachte dient ook in dit geval te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Omdat verdachte wordt verweten leiding te hebben gegeven aan [medeverdachte 1] , die als rechtspersoon wordt beschuldigd van een tweetal overtredingen, zal de rechtbank eerst deze beschuldigingen bespreken om daarna te beslissen of verdachte aan die handelingen feitelijke leiding heeft gegeven. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Accepteren en voorhanden hebben van de afvalstof MONG

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] de afvalstof MONG heeft geaccepteerd en in de inrichting aanwezig heeft gehad. Dit wordt niet betwist.

Is MONG een bijproduct?

In artikel 5 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen is bepaald aan welke voorwaarden een stof moet voldoen om te worden aangemerkt als bijproduct. Deze voorwaarden zijn ook opgenomen in artikel 1.1 lid 6 van de Wet milieubeheer. Dit artikel is weliswaar pas op 1 juli 2020 inwerking getreden, maar de criteria worden al genoemd in de zogenoemde [naam uitspraak] uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:3219) onder verwijzing naar de "Guidance on the interpretation of key provisions of Directive 2008/98/EC on waste" van juni 2012.

De vraag is of MONG aan deze voorwaarden voldoet. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat MONG niet aan de derde voorwaarde (c. de stoffen, mengsels of voorwerpen worden geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces) voldoet. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[naam 1] , logistiek verantwoordelijke bij [medeverdachte 2] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] biodiesel maakt, waarbij ruwe glycerine vrijkomt. Deze ruwe glycerine wordt opgewerkt naar pharmaglycerine.2 Bij de rechter-commissaris verklaart hij dat uit de ruwe glycerine eerst het water grotendeels wordt verwijderd. Vervolgens wordt in een destillatiekolom de glycerine gescheiden van de MONG en het zout. Aansluitend wordt de MONG van het zout gescheiden.3 Ook ter terechtzitting is door verdachte verklaard dat na het destillatieproces nog meerdere stappen volgen.4

MONG is dus een mengsel van restresiduen volgend op het destilleren naar gewenste producten zoals biodiesel en farmaceutische glycerine. Daarom gaat de vergelijking met de uitspraak van de bestuursrechter waar glycerinewater als bijproduct werd gezien niet op. Ook het NFI komt tot die conclusie in haar rapport van 5 juli 2017 en in de beantwoording van de vragen daarvan bij de rechter-commissaris.5

De rechtbank maakt daaruit op dat de MONG geen integraal onderdeel/product is dat ontstaat bij de productie van dieselolie en dat er nog diverse bewerkingen aan vooraf gaan.

MONG is om die reden geen bijproduct, maar een afvalstof.

Heeft [medeverdachte 1] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 december 2016 opzettelijk een afvalstof (MONG) geaccepteerd die niet is vermeld in voorschrift 3.1.1 bij de omgevingsvergunning van 22 oktober 2013 en heeft hij deze stof in de inrichting aanwezig gehad?

[medeverdachte 1] heeft op 1 februari 2013 een aanvraag ingediend waarin zij verzoekt om uitbreiding van de in te nemen grondstoffen, met name de grondstof met Euralcode 07.01.99.6 Op 22 oktober 2013 wordt vergunning verleend voor de inname van de afvalstroom onder Euralcode 07.01.99. Hierbij wordt voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning aangevuld met deze code.7

[medeverdachte 1] heeft met [medeverdachte 2] afvalverwijderingsovereenkomsten gesloten waarbij [medeverdachte 1] de afvalstroom MONG inzamelt dan wel koopt van [medeverdachte 2] . De MONG wordt, zo staat in deze overeenkomsten, afgegeven onder de vergunde Euralcode 07.01.99.8 In de begeleidingsbrieven bij de transporten is eveneens opgenomen dat de MONG afval betreft met Euralcode 07.01.99.9 [medeverdachte 2] is als ontdoener van het afval verantwoordelijk voor het bepalen van de juiste Euralcode.

[medeverdachte 1] is op grond van artikel 10.40 van de Wet Milieubeheer verplicht de ontvangst van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen te melden bij het LMA. Uit informatie van het LMA blijkt dat [medeverdachte 1] zowel in 2015 als in 2016 MONG heeft ontvangen met Euralcode 07.01.99.10

De rechtbank overweegt dat het [medeverdachte 1] op grond van de omgevingsvergunning vergund was afvalstoffen onder de Euralcode 07.01.99 in te nemen. Verdachte heeft verklaard dat hij bij [medeverdachte 2] navraag heeft gedaan of de code klopt. De uitleg kwam hem heel plausibel voor: de leverancier had bij de overheid navraag gedaan over de code en dat gaf hem geen reden te twijfelen aan de uitleg van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had als professionele partij wel meer onderzoek kunnen doen. Echter, het is het niet zo dat door dat niet te doen hij opzettelijk een gevaarlijke afvalstof accepteerde dat onder een verkeerde code geleverd werd. De rechtbank kan niet vaststellen dat [medeverdachte 1] wist of redelijkerwijs moest weten dat de MONG onder een onjuiste code werd aangeboden. Daarom is er geen sprake van opzet.

Vrijspraak van het opzettelijk in strijd met artikel 3.1.1 en 3.1.2 van de omgevingsvergunning handelen

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat [medeverdachte 1] opzettelijk in strijd heeft gehandeld met de voorschriften 3.1.1 en 3.1.2 verbonden aan de omgevingsvergunning, en zal verdachte om die reden vrijspreken van het in dit verband primair en subsidiair tenlastegelegde misdrijf.

Subsidiair; is er sprake van een overtreding?

Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van overtreding van het voorschrift 3.1.1 en 3.1.2 van de omgevingsvergunning speelt de opzet geen rol. Voor die vraag is van belang of [medeverdachte 1] alles heeft gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om te voorkomen dat zij MONG met een onjuiste code binnen het bedrijf zou toelaten. De rechtbank is van oordeel dat van [medeverdachte 1] als producent van biogas, waarbij zij gebruikt maakt van MONG en waarvoor vele milieuvoorschriften gelden, en waarbij zij bij de productie afhankelijk is van een vergunning met voorwaarden, mag worden verwacht dat zij zelfstandig onderzoek doet naar MONG. Het enkel afgaan op de mededeling van de leverancier [medeverdachte 2] dat zij onderzoek heeft laten verrichten en dat de code 07.11.09 juist zou zijn, is ontoereikend. Dit temeer nu zij wist dat [medeverdachte 2] al eerder onderworpen is geweest aan een onderzoek omtrent MONG. Nu [medeverdachte 1] zelfstandig onderzoek achterwege heeft gelaten, betekent dat zij hier tekort is geschoten. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek voor het horen van deskundigen

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en geïnformeerd. Zij acht het niet noodzakelijk dat – zoals door de verdediging voorwaardelijk is verzocht – een of meer deskundigen te horen. Dit voorwaardelijke verzoek wordt afgewezen.

4.3.2

Het niet volgens voorschrift 4.4.8 van de omgevingsvergunning uitvoeren van metingen van afvalwatermonsters

Strijd met het una via-beginsel

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat sprake is van strijd met het una via-beginsel zoals verwoord in artikel 243 lid 2 Sv. Aan [medeverdachte 1] is een vergrijpboete opgelegd voor hetzelfde feit. Daarmee is via het bestuursrecht al een boete opgelegd en kan niet ook via het strafrecht vervolgd worden voor hetzelfde feit. Er mag maar één weg (una via) bewandeld worden. Tevens stelt de verdediging dat sprake is van ‘een zelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 243 lid 2 Sv luidt als volgt:

Indien terzake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging’. Het una via-beginsel heeft ten doel te voorkomen dat voor hetzelfde feit zowel een bestuursrechtelijke als een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd.

Artikel 68, eerst lid Sr luidt:

Behoudends de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland (…..) onherroepelijk is beslist’.

De vraag is of aan [medeverdachte 1] ‘hetzelfde feit’ wordt ten laste gelegd als waarvoor [medeverdachte 1] de eerder genoemde vergrijpboete is opgelegd. De rechtbank toetst dit aan de hand van de criteria zoals deze zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102) en meer recent in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:2120). Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ moet worden gekeken naar de juridische aard van de feiten en de feitelijke gedragingen. Vuistregel is dat als er een aanzienlijk verschil is in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen van de verdachte er geen sprake is van hetzelfde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak sprake van een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en in de gedragingen.

Verschil in juridische aard

Aan [medeverdachte 1] is op 14 december 2018 een kennisgeving vergrijpboete 2015 en 2016 opgelegd voor het onjuist en onvolledig doen van aangifte in 2015 en 2016. [medeverdachte 1] wordt thans vervolgd voor overtreding artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en in het bijzonder voor overtreding van de voorschriften van zijn omgevingsvergunning, namelijk het niet volgens de eisen van de milieuvergunning nemen van etmaalmonsters van het bedrijfsafvalwater. Deze wetsartikelen beschermen een verschillend (rechts)belang. Het gaat bij het opleggen van de bestuurlijke boete om het doen van een juiste aangifte waardoor de fiscale verplichtingen kunnen worden vastgesteld. Artikel 2.3 Wabo betreft de bescherming van het milieu.

Verschil in de gedragingen

In deze zaak zijn de feitelijke gedragingen van de [medeverdachte 1] niet dezelfde gedragingen als de gedragingen die tot de oplegging van de vergrijpboete hebben geleid. Deze boete is opgelegd omdat verdachte geen juiste aangifte heeft gedaan. Het tenlastegelegde feit ziet op overtreding van voorschriften die aan zijn omgevingsvergunning zijn verbonden.

Voorgaande betekent dat het tenlastegelegde feit niet hetzelfde feit is als waarvoor de vergrijpboete is opgelegd. Er is dan ook geen sprake van strijd met het una-via beginsel. Het verweer wordt verworpen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat tegen de vergrijpboete nog een beroepsprocedure loopt, zoals de verdediging heeft gesteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste dat op het feit onherroepelijk is beslist.

Vrijspraak van handelen in strijd met voorschrift 4.4.8 van de omgevingsvergunning

De rechtbank zal [medeverdachte 1] vrijspreken het van overtreding van handelen in strijd met voorschrift 4.4.8, verbonden aan de omgevingsvergunning. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Vastgesteld is dat de steekmonsters van het afvalwater afkomstig van [medeverdachte 1] een hoge vuillast bevatten. Vergelijking van de analyseresultaten van de steekmonsters met de analyseresultaten van de etmaalmonsters van het bedrijfsafvalwater van dezelfde dag laten grote verschillen in de vuilvracht zien.

Namens [medeverdachte 1] is onder meer aangevoerd dat steekmonsters minder zeggen dan het etmaalmonster en dat de steekmonsters zijn genomen van een andere afvalstroom dan de etmaalmonsters van [medeverdachte 1] .

De rechtbank merkt op dat de procedure voor het onderzoek naar de kwaliteit van het rioolafvalwater goed gewaarborgd moet zijn en dat de wijze van meting van de afvalstromen gelijkwaardig moet zijn om vergelijkingen te rechtvaardigen. Gebleken is dat de etmaalmonsters van [medeverdachte 1] zijn genomen op één meetpunt op het terrein van [medeverdachte 1] . Vanuit dit meetpunt wordt het bedrijfsafvalwater naar het riool geleid. Het Waterschap heeft bij de inspectieput, gelegen buiten het terrein van verdachte, de steekmonsters genomen. Op dit punt wordt niet alleen het bedrijfsafvalwater geloosd, maar ook het afvalwater van de tankplaats waar de tanks worden gereinigd en het afvalwater van de sanitaire voorzieningen.

In zijn aanvullend proces-verbaal van 15 december 2020 verklaart verbalisant [naam inspecteur] dat de steekmonsters zijn genomen van de afvalwaterstroom in de inspectieput bij [adres 1] . Dit afvalwater, zo verklaart verbalisant, ‘bestaat voornamelijk uit bedrijfsafvalwater, maar kan ook huishoudelijk afvalwater, hemelwater en afvalwater afkomstig van de tankplaats bevatten’.

De rechtbank overweegt dat in deze inspectieput meerdere afvalstromen samenkomen en dat daarmee het steekmonster een andere afvalwaterstroom bemonstert dan het etmaalmonster.

De rechtbank is van oordeel dat deze verschillende afvalwaterstromen om die reden in redelijkheid niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De rechtbank kan dan ook geen gegrond oordeel vormen over de (on)juistheid van de etmaalmonsters. [medeverdachte 1] wordt dan ook vrijgesproken van dit feit. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het opdracht geven tot dan wel het feitelijke leiding geven aan deze overtreding en ook van het subsidiair tenlastegelegde verwijt.

4.3.3

Het zonder vergunning in gebruik nemen van een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat het in redelijkheid niet tot vervolging had mogen overgaan.

De rechtbank overweegt dat het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich hier niet voor.

Uit de stukken blijkt immers dat [medeverdachte 1] de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) tank in gebruik heeft genomen terwijl hiervoor nog geen vergunning was afgegeven. [medeverdachte 1] wist dat de vergunning nog niet was afgegeven. Deze beslissing tot uiteindelijke vervolging van de [medeverdachte 1] kon door het openbaar ministerie in redelijkheid worden genomen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Bespreking van het tenlastegelegde feit

Op 8 maart 2017 is door verbalisant [naam inspecteur] gezien dat een tankwagen van [medeverdachte 1] op het terrein van de (voormalige)RWZI aan de [adres 2] -Spakenburg stond en met een slang verbonden was aan een van de aanwezige tanks. Verbalisant vermoedde dat er stoffen in de tank werden gepompt. Verbalisant wist dat verdachte voornemens was deze voormalige RWZI tank in bedrijf te nemen, maar dat de omgevingsvergunning hiervoor nog niet was afgegeven.11

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] op 11 juli 2016 online een aanvraag “uitbreiding met a.w.z.i. aan de [adres 2] ” heeft ingediend. Uit de administratie van de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht bleek voorts dat voor de locatie [adres 2] geen vergunning is verleend voor het inwerking hebben van een inrichting.12

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er een uitbreidingsvergunning voor de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) was aangevraagd, maar dat de vergunning nog niet was verleend. Hij heeft desondanks de AWZI in gebruik genomen om te kunnen voldoen aan voorschrift 4.2.7 van de omgevingsvergunning.13 Naar de rechtbank begrijpt bedoelt verdachte met AWZI hetzelfde als de hiervoor genoemde RWZI.

In zijn verhoor op 13 april 2017 heeft verdachte onder meer verklaard dat de eigen AWZI niet altijd aan de voorschriften van de omgevingsvergunning kon voldoen. Daarom wilde [medeverdachte 1] een rioolzuiveringsinstallatie plaatsen op [adres 2] . Nadat [medeverdachte 1] een bestuurlijke waarschuwing heeft ontvangen met een voornemen last onder dwangsom voor het lozen van afvalwater, heeft verdachte de tankopslag aan de [adres 2] in gebruik genomen om de piekmomenten van het afvalwater uit de waterzuivering op de [adres 1] weg te nemen. Verdachte was zich ervan bewust dat het een grijs gebied was om de tanks in gebruik te nemen. Hij vermoedde dat de tanks in december 2016 in gebruik zijn genomen.14

Op 25 april 2017 is aan [medeverdachte 1] een last onder dwangsom opgelegd om alle vergunningsplichtige bedrijfsmatige activiteiten op de locatie [adres 2] te beëindigen.15

Toerekening, geen medeplegen

Naar oordeel van de rechtbank geldt voor alle bewezen verboden gedragingen dat deze redelijkerwijs aan de [medeverdachte 1] worden toegerekend. Het betreft gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon. Het gaat om handelen van werknemers van [medeverdachte 1] dat in de normale bedrijfsvoering past. De rechtbank vindt niet bewezen dat [medeverdachte 1] het feit heeft begaan met een ander.

Feitelijke leiding en opdracht geven

De rechtbank is van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de bewezen verboden gedragingen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de directeur was [medeverdachte 1] en dat hij de dagelijkse leiding had over het bedrijf. Hij ging over de bedrijfsvoering en kon “beschikken en aanvaarden” wat door de BV werd gedaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

Feit 1

[medeverdachte 1] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 december 2016 te Bunschoten, heeft gehandeld

-in strijd met voorschrift 3.1.1 verbonden aan de omgevingsvergunning, verleend door de provincie Utrecht met kenmerk 8091FAE9/Z-CONV-000322 d.d. 17 mei 2011 juncto de omgevingsvergunning van 22 oktober 2013 met zaakkenmerk Z-HZ_WABO-2013-1048/80EDADD9 door een afvalstof (MONG) te accepteren die niet in dit voorschrift was vermeld,

en

-in strijd met voorschrift 3.1.2 verbonden aan de omgevingsvergunning, verleend door de provincie Utrecht met kenmerk 8091FAE9/Z-CONV-000322 d.d. 17 mei 2011 heeft zij MONG afkomstig van [medeverdachte 2] in de inrichting aanwezig gehad.

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar telkens tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven en aan die verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 2

[medeverdachte 1] in de periode van 1 maart 2017 tot en met 25 april 2017 te Bunschoten, opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat bestond uit het in werking hebben van een inrichting,

immers heeft [medeverdachte 1] de oude rioolwaterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen voor de opslag van digestaat, terwijl hiervoor nog geen vergunning was verleend,

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Overmacht/Noodtoestand

Verdachte heeft ten aanzien van het in gebruik nemen van de AWZI (feit 2) een beroep gedaan op overmacht in de vorm van noodtoestand.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood (bestaande uit een belangenconflict) en die geëigend is om daaraan een eind te maken.

[medeverdachte 1] is een onderneming waarbij door vergisting biogas wordt gevormd. Bij dit proces komt afvalwater vrij. Op haar terrein heeft [medeverdachte 1] een eigen waterzuiveringsinstallatie. Deze waterzuiveringsinstallatie kon de afvalwaterstroom niet altijd zo verwerken dat het afvalwater voldeed aan de eisen van voorschrift 4.2.7 van de omgevingsvergunning, zo heeft verdachte verklaard.

[medeverdachte 1] heeft een aanvraag ingediend voor het in bedrijf mogen nemen van de voormalige AWZI gelegen aan de [adres 2] . Deze vergunning was echter nog niet verleend. Doordat [medeverdachte 1] met een grote hoeveelheid afvalwater zat die zij zelf niet kon opslaan, heeft verdachte de tankopslag van de voormalige AWZI aan de [adres 2] in gebruik genomen terwijl hij wist dat de vergunning hiervoor nog niet was verleend.

[medeverdachte 1] heeft de aanvraag voor de vergunning in juli 2016 ingediend. Verdachte was zich er kennelijk van bewust dat hij deze extra AWZI nodig had. Door geen tijdige maatregelen te nemen voor de opslag van het overschot aan afvalwater heeft verdachte zelf een nijpende situatie doen ontstaan en het er op aan laten komen dat hij de opslagtanks van de voormalige AWZI in gebruik moest nemen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een actuele en concrete nood als gevolg waarvan verdachte uit overmacht heeft kunnen en mogen menen dat hij de voormalige AWZI in gebruik kon nemen zonder dat de vergunning was afgegeven. Het beroep op overmacht wordt verworpen.

7.2

Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Voor een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid zal sprake moeten zijn van een situatie waarin door handelen in strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling(en) het doel dat met deze bepaling wordt beoogd beter is gediend.

Namens verdachte is gesteld dat het milieu beter gediend was met het in gebruik nemen van de AWZI dan bij het wachten op de vergunning. De rechtbank kan deze redenering niet volgen, nu aan de hand van gemaakte foto’s gebleken is dat rondom de tanks een grote hoeveelheid bruine substantie lag en er geen registratie heeft plaatsgevonden van de ritten van verdachte naar de voormalige AWZI. Het bevoegd gezag had ook nog geen voorwaarden kunnen stellen aan het gebruik van de tanks ter bescherming van het milieu. Daarbij was verdachte als gezegd debet aan het ontstaan van de nijpende situatie en had verdachte ook andere oplossingen voor het overschot aan afvalwater kunnen zoeken.

Het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid wordt eveneens verworpen.

Er zijn ook verder geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 dagen, waarvan € 2.500,- (subsidiair 30 dagen hechtenis) voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt dat mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als bestuurder van zijn bedrijf een overtreding begaan door in strijd met de omgevingsvergunning MONG toe te laten in zijn bedrijf. MONG is een gevaarlijke afvalstof. Hij heeft dit niet opzettelijk gedaan want de code waar het onder werd geleverd stond in zijn vergunning vermeld. Hij had echter wel meer onderzoek moeten doen naar de vraag of hij MONG wel mocht accepteren. Daarom is er sprake van een overtreding. Dat de opzet ontbreekt werkt strafverminderend voor verdachte.

Daarnaast heeft verdachte heeft feitelijke leiding gegeven aan het door zijn bedrijf in gebruik nemen van een oude rioolwaterzuiveringsinstallatie zonder dat hiervoor een vergunning was afgegeven. Verdachte heeft dit gedaan omdat de waterzuiveringsinstallatie van het bedrijf niet altijd goed werkte en het afvalwater dat op dat moment niet kon worden verwerkt, elders moest worden opgeslagen. Hiervoor zijn de tanks op het terrein van de oude rioolwaterzuiveringsinstallatie in gebruik genomen. Verdachte meende dat hij dit kon doen, omdat een vergunningsaanvraag liep.

Door zo te handelen heeft verdachte mogelijke aan de vergunning te verbinden voorwaarden omzeild en mogelijke controle bemoeilijkt. Dergelijke controle is voor de bescherming van het milieu noodzakelijk.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 december 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, omdat verdachte deels van feiten wordt vrijgesproken, aanleiding bestaat bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Het feit dat verdachte in zijn bedrijf de nodige maatregelen heeft getroffen om overtredingen in de toekomst te voorkomen weegt ook mee. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan verdachte een geldboete van € 2.500,- passend is en dat hiermee kan worden volstaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 51 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en

de artikel 2.1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart ten aanzien van het onder feit 1 eerste en tweede gedachtestreepje tenlastegelegde gedeeltelijk bewezen en spreekt verdachte voor wat betreft de opzet daarvan vrij.

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 derde gedachtestreepje tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in onder het kopje ‘bewezenverklaring’ is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 35 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J. Knol en M.J.E. Geradts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2021.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Daar waar de code ‘bijl.’ is gebruikt, gaat het steeds om geschriften.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , VE.09.01, doorgenummerde pag. 1374 e.v.

3 Proces-verbaal van verhoor getuigen, afgelegd bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, op 26 oktober 2020.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 december 2020.

5 Bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, PVB.09.07 (geen paginanummering).

6 Bijl. 62A, doorgenummerde pag. 6456.

7 Bijl. 62B, doorgenummerde pag. 6466.

8 Bijl. 63, doorgenummerde pag. 6481 e.v.

9 Proces-verbaal van bevindingen afgifte en inname MONG, PVB.01.26, doorgenummerde pag. 2397 en Bijl. 68, doorgenummerde pag. 6546.

10 Proces-verbaal van bevindingen afgifte en inname MONG, PVB.01.26, doorgenummerde pag. 2394

11 Proces-verbaal van bevindingen van 8 maart 2017, opgemaakt door [naam inspecteur] , opgenomen als bijlage 1 bij het verkort milieu proces-verbaal van 9 mei 2017.

12 Verkort milieu proces-verbaal van 9 mei 2017, opgemaakt door [naam 4] , pag. 4

13 Verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 17 december 2020.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 24 april 2017, opgemaakt door [naam 4] , opgenomen als bijlage 10 bij het verkort milieu proces-verbaal van 9 mei 2017.

15 Een geschrift, zijnde een beschikking Last onder dwangsom [adres 2] , opgenomen als bijlage 8 bij het verkort milieu proces-verbaal van 9 mei 2017.