Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
13-994042-18 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 5.000 euro voor het opzettelijk afgeven van een gevaarlijke afvalstof aan een ander.

De afvalstof is geen bijproduct omdat de stof niet als integraal product ontstaat bij de productie van biodiesel. Verdachte is bij het bepalen of sprake is van een gevaarlijke afvalstof uitgegaan van de gevaarseigenschappen van de stof, maar is hierbij voorbij gegaan aan de prioriteit die moet worden gegeven aan de Europese afvalstoffenlijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/99
JAF 2021/2
JM 2021/29 met annotatie van Meulen, T. van der, Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-994042-18 [verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-994042-18 (promis)

Datum uitspraak: 7 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

Gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [vestigingsplaats]

Bovengenoemde rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door

[naam vertegenwoordiger]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

[woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 december 2020. De vertegenwoordiger van verdachte (hierna: [naam vertegenwoordiger] ) was bij de behandeling van de strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.C.A. Plantenga en mr. L. van Haeringen (in het vervolg wordt gesproken over de officier van justitie) en van wat [naam vertegenwoordiger] en de raadsman van verdachte mr. J. Barensen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 augustus 2016 te Rotterdam en/of Bunschoten, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander heeft ontdaan van 193, althans één of meer vracht(en) MONG, althans een gevaarlijke afvalstof aan [medeverdachte 1] .

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

3.1.1

Aanleiding tot het onderzoek tegen verdachte

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Uit een strafrechtelijk onderzoek tegen [medeverdachte 1] . (hierna: [medeverdachte 1] ) is gebleken dat deze onderneming een afvalstof genaamd MONG (Matter Organic Non Glycerine) van verdachte ontvangt voor de verwerking in haar vergister. Dit blijkt onder meer uit gegevens van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) waaruit naar voren komt dat vanaf januari 2015 tot en met augustus 2016 193 vrachten met MONG, afkomstig van verdachte, door [medeverdachte 1] zijn ontvangen. Deze MONG had de Euralcode 07.01.99 gekregen.2 Het was verbalisanten ambtshalve bekend dat de MONG uit het bedrijfsproces van verdachte vermoedelijk betiteld kan worden als gevaarlijk afval (Euralcode gevolgd door *).3

3.1.2

Productieproces biodiesel

Verdachte is een producent van biodiesel. Bij het productie proces komt ruwe glycerine vrij. De ruwe glycerine bestaat uit glycerine, zouten, water en MONG.

Uit de ruwe glycerine wordt eerst het water grotendeels verwijderd. Vervolgens wordt in een destillatiekolom de glycerine gescheiden van het MONG en aansluitend is er een proces waarin MONG en de zouten gescheiden worden met een decanter.4

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Onjuiste Euralcode/gevaarlijke afvalstof

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor de MONG die aan [medeverdachte 1] is geleverd, een onjuiste Euralcode werd gebruikt. De officier van justitie voert hiertoe het volgende aan.

Verdachte heeft voor de MONG aanvankelijk een Euralcode beginnend met 02 gebruikt. Na een strafrechtelijk onderzoek in 2014 werd door de milieupolitie aangeraden om een code beginnend met 07 te gebruiken, waarna [verdachte] de Euralcode 07.01.99 is gaan gebruiken voor MONG.

[naam 1] , logistiek manager bij [verdachte] , heeft namens verdachte steeds verklaard dat MONG geen gevaarlijke afvalstof is, omdat MONG niet voldoet aan een van de omschrijvingen die in de handleiding voor de Euralcode (par. 2.3 Handreiking bij de Euralcode) daarvoor worden gegeven. Verdachte baseert dit standpunt ook op emailcorrespondentie met de helpdesk afvalstoffen van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat adviseert in de e-mail van 22 april 2014 tot het gebruik van Euralcode 02.03.99. Later (e-mail 31 mei 2018) wordt door Rijkswaterstaat medegedeeld dat “omdat MONG nog door een decanter gaat om de zouten af te scheiden (…) hebben we gekozen voor 07.01.99”.

De officier van justitie stelt dat Rijkswaterstaat zich bij haar advies vooral baseert op de weergave van het bedrijfsproces zoals opgegeven door verdachte en daarbij uitgaat van het eetbare product glycerine. Hieraan koppelt zij de Euralcode. Maar bij classificatie gaat het volgens de officier van justitie om welke Euralcode aan MONG als afvalstof moet worden toegekend.

In de vergunningaanvraag van 2006 heeft [verdachte] de afvalstroom MONG omschreven als destillatieresidu met Euralcode 07.01.08. In 2015 is het verzoek toegewezen om deze Euralcode voor MONG uit de vergunning te halen.

Niet ter discussie staat dat het NFI in 2014 MONG heeft aangemerkt als gevaarlijke afvalstof waarvoor Euralcode 07.05.08* van toepassing is. In 2016 heeft de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) gesteld dat de door [verdachte] gebruikte code 07.01.99 voor MONG vragen oproept, omdat [verdachte] in de aanvraag omgevingsvergunning van 2006 heeft aangegeven dat MONG een destillatieresidu is. Code 07.01.08* lijkt daarom het meest passend, aldus de ILT. Vervolgens heeft het NFI in 2017 opnieuw onderzoek gedaan en weer geconcludeerd dat MONG een gevaarlijke afvalstof is waarop code 07.01.08*, 07.05.08* of 07.08.08* van toepassing is, afhankelijk van hoe men het productieproces interpreteert. Maar in alle gevallen valt MONG onder “overige destillatieresiduen en reactieresiduen”, waarbij een code met een asterisk hoort en dus een gevaarlijke stof is. Naar aanleiding van aanvullende vragen geeft het NFI aan dat artikel 3 lid 2 van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (KRA) “gevaarlijke afvalstof” definieert als “een afvalstof die een of meer van de in bijlage III genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit”. Er is, zo stelt het NFI, geen reden te suggereren dat de eigenschappen van de gebruikte grondstoffen voor de classificatie van belang zijn. Uit de systematiek van de Eural volgt dat elk reactie- of destillatieresidu afkomstig van een organisch chemisch proces automatisch geclassificeerd moet worden als gevaarlijk afval.

Dierlijke bijproduct

MONG is, anders dan de verdediging in een later stadium heeft gesteld, geen dierlijk bijproduct, maar een afvalstof. Dit is niet alleen door [naam 1] zelf verklaard, maar zowel verdachte als [medeverdachte 1] zien het als afval. Dit blijkt onder meer uit de begeleidingsbrieven, de verhoren en de overeenkomsten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Ook geeft [medeverdachte 1] dit door aan het LMA.

Volgens artikel 5.1 van de KRA geldt voor een bijproduct een aantal criteria, waaronder dat ‘c. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces’. MONG is een mengsel van restresiduen volgend op het destilleren naar gewenste producten zoals biodiesel en farmaceutische glycerine. MONG wordt dus niet bewust geproduceerd en voldoet daarmee niet aan het criterium c van artikel 5.1 van de KRA.

Door de verdediging nieuw ingebracht stuk met betrekking tot MONG

De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft twee rapporten ingebracht met betrekking tot de vraag wat de juiste Euralcode voor MONG is. Dit betreft een rapport van [naam rapporteur] en een van TAUW. [verdachte] heeft verzocht het rapport van [naam rapporteur] in haar zaak te voegen.

Het rapport van [naam rapporteur] van 17 november 2020 stelt onder meer dat [verdachte] mocht vertrouwen op het advies van het Kenniscentrum Afval Circulair bij de keuze van Euralcode 07.01.99 voor MONG. Ook stelt het dat het NFI (en de ILT) de starre formulering van de Europese Afvalstoffenlijst heeft gevolgd en geen rekening heeft gehouden met ontwikkelingen in de afvalstoffenregelgeving nadien.

Het NFI en de ILT volgen volgens de officier van justitie het wettelijk systeem. Dit is nog steeds het standpunt van de wetgever. Ook in een recente bestuursrechtelijke procedure tegen [medeverdachte 1] heeft het bevoegd gezag zich op het standpunt gesteld dat de Eural-systematiek moet worden gevolgd, ook omdat afvalstoffen vaak mengsels zijn van verschillende samenstellingen.

[naam rapporteur] stelt vervolgens dat het gaat om de vraag welk aanwijzingscriterium prevaleert: aanwijzing op basis van eigenschappen van de stof of aanwijzing op basis van vermelding in de Euralcode lijst. [naam rapporteur] gaat uit van het eerste en meent zich daarin gesteund door het begrip gevaarlijke afvalstof in de Wet milieubeheer (Wmb), dat verwijst naar bijlage III van de KRA.

[naam rapporteur] gaat hiermee voorbij aan de systematiek die is voorgeschreven door de Eural, aldus de officier van justitie.

[naam rapporteur] stelt vervolgens dat verdachte aan het bevoegd gezag heeft voorgesteld de Euralcode voor MONG uit de vergunningsaanvraag te verwijderen. Het voorstel is door het bevoegd gezag (GS Zuid-Holland) akkoord bevonden en Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: DCMR), als direct betrokken bevoegde instantie, heeft hier mee ingestemd en was dus van oordeel dat MONG als niet gevaarlijke afvalstof (bijproduct) mocht worden geclassificeerd.

De officier van justitie stelt dat in de oude vergunning MONG niet werd genoemd en dat zij de conclusie dat DCRM dus heeft ingestemd dat MONG als geen gevaarlijke afvalstof mocht worden geclassificeerd niet kan volgen. Kennelijk is niet specifiek aan DCMR gevraagd of de juiste Euralcode voor MONG werd gebruikt. Bovendien ligt de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de juiste code bij verdachte.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de conclusies van de opstellers van het rapport niet moeten worden gevolgd. Zij komt op basis van het dossier en bovenstaande tot de conclusie dat verdachte een onjuiste code aan MONG heeft gekoppeld, dat MONG moet worden geclassificeerd als gevaarlijke afvalstof en dus niet de code 07.01.99 kan hebben.

Toerekening aan de rechtspersoon

De gedragingen (afleveren van MONG aan [medeverdachte 1] ) passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Verdachte heeft hiermee kosten bespaard. Daarmee zijn de gedragingen dienstig geweest aan verdachte en verdachte heeft over de gedragingen kunnen beschikken en heeft deze aanvaard.

Op grond hiervan kunnen de gedragingen aan verdachte worden toegerekend.

Opzet

Verdachte is er in het verleden op gewezen dat het NFI, de milieupolitie en de ILT van mening waren dat MONG een gevaarlijke stof was en dat verdachte de verkeerde Euralcode gebruikte. Hier had verdachte rekening mee moeten houden. Verdachte is toch door gegaan met het gebruik van de verkeerde Euralcode 07.01.99, zonder zich af te vragen of het nu echt geen gevaarlijke afvalstof was. Verdachte wist of had moeten weten en onderzoeken dat MONG een gevaarlijke afvalstof was of kon zijn. Door dit niet te verifiëren kan de gedraging volgens het openbaar ministerie verdachte verweten worden.

3.3

Het standpunt van de verdediging

3.3.1

MONG is een bijproduct

De raadsman heeft kort samengevat aangevoerd dat MONG geen afvalstof is maar een bijproduct. MONG zit in ruwe glycerine dat ontstaat in een chemisch proces bij de productie van biodiesel. MONG voldoet aan de voorwaarden die in artikel 1.1 lid 6 Wmb zijn gesteld aan een bijproduct:

  • -

    het gebruik van MONG is verzekerd en contractueel vastgelegd; dit blijkt uit bijlage 63 en verder bij het dossier Canard03 (eerste criterium);

  • -

    dit gebruik door [medeverdachte 1] vindt plaats zonder dat MONG nader hoeft te worden bewerkt (tweede criterium). [medeverdachte 1] betaalt er een prijs voor; het is voor [verdachte] dus economisch interessant om het te verkopen in plaats van er op andere wijze "vanaf te komen". Er is derhalve geen risico dat MONG wordt geloosd of iets dergelijks; het feit dat [medeverdachte 1] ervoor betaalt, duidt evenzeer aan dat men de stof zal gaan gebruiken;

  • -

    het ontstaan van MONG is verder een integraal onderdeel (productresidu) van het productieproces van biodiesel (derde criterium);

  • -

    de toepassing vindt voorts op rechtmatige wijze in de vergisters plaats (vierde criterium); MONG dient in feite als grondstof voor de productie van biogas.

[naam rapporteur] stelt in zijn rapport ook dat MONG voldoet aan de criteria om als bijproduct te kunnen worden aangemerkt.

3.3.2

MONG is geen gevaarlijke afvalstof

In de Wmb wordt een gevaarlijke afvalstof omschreven als ‘een afvalstof die een of meer van de in de bijlage III bij de KRA genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit’. Hier wordt niet verwezen naar de Euralcodelijst. Er moet gekeken worden naar de gevaarseigenschappen van de afvalstof. In de bijlage staan zogenoemde H-eigenschappen. Als een stof een van die eigenschappen bezit, is het een gevaarlijke afvalstof. MONG heeft geen van deze gevaarseigenschappen.

- MONG is geen destillatieresidu

Het NFI heeft gesteld dat de wijze waarop een afvalstof ontstaat bepalend is voor de classificatie van afvalstof. Indien achter de code een * staat, is het een gevaarlijke stof. Volgens het NFI ontstaat MONG in een organisch chemisch proces en is het een destillatieresidu. Om die reden kom je altijd bij een Euralcode met een *.

Verdachte ontkent dat MONG een destillatieresidu is. Destillatie is slechts een deel van het proces. De MONG gaat uiteindelijk nog door een decanter. Om die reden heeft de Helpdesk van het Kenniscentrum Afval Circulair dan ook geconcludeerd dat MONG geen destillatieresidu is.

- De Kaderrichtlijn Afvalstoffen en de Wet milieubeheer prevaleren

Het NFI verwijst in haar rapport van 24 januari 2019 ook naar artikel 3 van de KRA, waar, zoals gezegd, geen verwijzing staat naar de Euralcodelijst. Ook in het Besluit 2014/955/EU wordt verwezen naar bijlage III van de KRA. In deze bijlage staan de eigenschappen die bepalen of een afvalstof wel of niet gevaarlijk is. De asterisk is niet doorslaggevend. In verband met het ontbreken van gevaarseigenschappen kun je niet uitkomen bij een code met een asterisk.

Het NFI heeft in dit rapport erkend dat als het systeem van de Eural wordt gevolgd en je komt uit bij een code met een *, het niet kan worden uitgesloten dat een specifieke afvalstof geen gevaarlijke eigenschappen bezit. Artikel 7 van de KRA en artikel 1.1 lid 13 Wmb geven dan de mogelijkheid dat een afvalstof alsnog als niet gevaarlijk kan worden aangemerkt.

- Helpdesk Afvalbeheer van Rijkswaterstaat

Deze helpdesk is bedoeld voor particulieren en het bedrijfsleven als zij vragen hebben over de afvalstoffenwetgeving. Verdachte heeft tot drie keer toe de Helpdesk Afvalbeheer benaderd. In geen van deze gevallen is geconstateerd dat MONG mogelijk een gevaarlijke afvalstof was.

- Advies [naam 2] 2015

In het kader van een eerder strafrechtelijk onderzoek heeft verdachte [naam 2] benaderd. Die is van mening dat Euralcode 02.03.99 of 07.01.99 de beste code was voor de MONG.

- Advies [naam rapporteur]

stelt in zijn rapport dat het NFI te star is en haar benaderwijze achterhaald. Ook zegt hij dat in de herziening van de Eural-beschikking in 2014 meer gewicht wordt toegekend aan de vaststelling van de gevaarseigenschappen van afvalstoffen. Er zijn meer mogelijkheden om stoffen als bijproducten aan te merken. Ook zijn er voorbeelden waarbij het bevoegde gezag de code 07.01.99 voor MONG goedkeurt.

- Aanvullend

[verdachte] kan haar MONG naar België brengen onder Euralcode 07.07.99.

Tauw heeft ook bevestigd dat [verdachte] de juiste code heeft gebruikt.

Concluderend kan gezegd worden dat MONG geen gevaarlijke afvalstof is, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Voor het geval de rechtbank een ander oordeel overweegt verzoekt de verdediging een deskundige te benoemen om zich uit te laten over de toe te passen Euralcode.

3.3.3

Afwezigheid van alle schuld (AVAS)

Verdachte heeft nooit van het bevoegd gezag vernomen dat zij de verkeerde Euralcode gebruikte. Eigen onderzoek, zowel bij de Helpdesk Afvalbeheer (3x) als bij [naam 2] leidde tot de conclusie dat zij de juiste code hanteerde. Verdachte heeft de zorgvuldigheid betracht die van haar mocht worden verwacht. Daar komt bij dat het afvalstoffenrecht een gecompliceerd rechtsgebied is, wat ook blijkt uit alle rapporten en adviezen en het feit dat ander bevoegd gezag wel hun fiat geven aan het gebruik van code 07.01.99, of aan een andere code zonder *. Op grond hiervan moet geoordeeld worden dat sprake is van afwezigheid van alle schuld in de zin van verontschuldigbare rechtsdwaling.

Bij AVAS kan het impliciet subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen. Het impliciet primair tenlastegelegde mogelijk wel, maar dan dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3.4

Geen opzet

Verdachte had geen opzet op het afgeven van gevaarlijke afvalstoffen aan [medeverdachte 1] . De MONG is opzettelijk afgegeven, maar verdachte had geen opzet op het afgeven van een gevaarlijke afvalstof.

In dit geval is er dus geen sprake van een economisch misdrijf, maar van een overtreding. Dit betekent dat alle feiten van vóór mei 2016 verjaard zijn en de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor dit deel van de tenlastelegging.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Is MONG een bijproduct?

In artikel 5 van de KRA is bepaald aan welke voorwaarden een stof moet voldoen om te worden aangemerkt als bijproduct. Deze voorwaarden zijn ook opgenomen in artikel 1.1 lid 6 Wmb. Dit artikel is weliswaar pas inwerking getreden op 1 juli 2020 maar de criteria worden al genoemd in de zogenoemde Sunoil uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:3219) onder verwijzing naar de "Guidance on the interpretation of key provisions of Directive 2008/98/EC on waste" van juni 2012.

De vraag is of MONG aan deze voorwaarden voldoet. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat MONG niet aan de derde voorwaarde (c. de stoffen, mengsels of voorwerpen worden geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces) voldoet. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[naam 1] , logistiek verantwoordelijke bij [verdachte] , heeft verklaard dat [verdachte] biodiesel maakt, waarbij ruwe glycerine vrijkomt. Deze ruwe glycerine wordt opgewerkt naar pharmaglycerine.5 Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat uit de ruwe glycerine eerst het water grotendeels wordt verwijderd. Vervolgens wordt in een destillatiekolom de glycerine gescheiden van de MONG en het zout. Aansluitend wordt de MONG van het zout gescheiden.6 Ook ter terechtzitting wordt door [naam vertegenwoordiger] verklaard dat na het destillatieproces nog meerdere stappen volgen.7

MONG is dus een mengsel van restresiduen volgend op het destilleren naar gewenste producten zoals biodiesel en farmaceutische glycerine. Daarom gaat de vergelijking met de uitspraak van de bestuursrechter waar glycerinewater als bijproduct werd gezien niet op. Ook het NFI komt tot die conclusie in haar rapport van 7 juni 2017 en in de beantwoording van de vragen daarover bij de rechter-commissaris.

De rechtbank maakt daaruit op dat de MONG geen integraal onderdeel/product is dat ontstaat bij de productie van dieselolie en dat er nog diverse bewerkingen aan de levering aan [medeverdachte 1] vooraf gaan.

MONG is om die reden geen bijproduct, maar een afvalstof.

Is MONG een gevaarlijke afvalstof?

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij artikel 10.37 Wmb heeft overtreden.

Dit artikel luidt als volgt: Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

Om te bepalen of MONG een gevaarlijke afvalstof is zal de rechtbank eerst het juridisch kader schetsen.

Juridisch kader

Centraal staan de Wet milieubeheer en de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.

In overweging 14 bij de KRA is het volgende te lezen:

Bij de indeling van een afvalstof als gevaarlijke afvalstof moet onder meer worden uitgegaan van de communautaire wetgeving inzake chemische stoffen, meer bepaald met betrekking tot de indeling van preparaten als gevaarlijk, inclusief de daartoe gehanteerde grenswaarden. Gevaarlijke afvalstoffen moeten onder regelgeving met strikte specificaties vallen, teneinde de mogelijke nadelige gevolgen van onjuist beheer die het milieu en de menselijke gezondheid kunnen beïnvloeden, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voorts moet het systeem waarbij afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn ingedeeld conform de laatstelijk bij Beschikking 2000/532/EG van de Commissie opgestelde lijst van afvalstoffen worden gehandhaafd, teneinde een geharmoniseerde indeling van afvalstoffen aan te moedigen en te komen tot een geharmoniseerde definitie van gevaarlijke afvalstoffen binnen de Gemeenschap.

Artikel 3 onder 2 van de KRA definieert ‘gevaarlijk afval’ als ‘een afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de KRA genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit”.

Artikel 1.1 Wmb hanteert dezelfde definitie voor gevaarlijk afval.

Naast artikel 3 KRA en artikel 1.1 Wmb is ook artikel 7 lid 1 KRA van belang.

Artikel 7 lid 1 van de KRA: De maatregelen tot wijziging van niet-essentiële elementen van deze richtlijn ter actualisering van de bij Beschikking 2000/532/EG opgestelde lijst van afvalstoffen, worden volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld. In de lijst van afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen opgenomen en wordt rekening gehouden met de oorsprong en samenstelling van de afvalstoffen en, waar nodig, de concentratiegrenswaarden voor gevaarlijke stoffen. De lijst van afvalstoffen is bindend waar het erom gaat te bepalen welke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen moeten worden aangemerkt. De opneming van een stof of een voorwerp in de lijst betekent niet dat die stof of dat voorwerp in alle omstandigheden een afvalstof is. Een stof of een voorwerp wordt alleen als afvalstof aangemerkt indien het gaat om een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1).

De lijst met afvalstoffen is opgenomen als bijlage in Beschikking 2000/532/EG van 3 mei 2000 en gewijzigd bij Besluit 2014/955/EU van 18 december 2014. Het gaat hierbij om een geharmoniseerde lijst waarin zowel niet-gevaarlijke als gevaarlijke afvalstoffen zijn opgenomen.

De lijst van afvalstoffen, opgenomen als bijlage in Beschikking 2000/532, wordt voorafgegaan door een inleiding. Onderdeel 3 geeft aan dat de verschillende soorten afvalstoffen in de lijst volledig worden gedefinieerd door de code van zes cijfers voor de afvalstoffen en de code van twee en vier cijfers boven de hoofdstukken. 3.1 tot en met 3.4 geven aan hoe de code bepaald wordt. Onderdeel 4 van deze inleiding bepaalt vervolgens dat “een afvalstof die op de lijst voorkomt en met een * is aangeduid, een gevaarlijke stof is …”. Dit wordt herhaald in het Besluit 2014/955/EU.

Naast de wettelijke regelingen is door de Rijkswaterstaat een Handreiking Eural opgesteld die ontdoeners van afval moet helpen de juiste Euralcode voor het afval vast te stellen. Hiervoor is een stappenplan ontwikkeld waarmee de juiste code kan worden gevonden. In hoofdstuk 3 staan de eerste twee stappen. “In veel gevallen is het direct duidelijk welke code u moet toekennen. In sommige gevallen is een keuze alleen te maken als er meer bekend is over de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstof. Aan de hand van de bovenstaande stappen kan dus één van de volgende conclusies worden getrokken:

I. De afvalstof is absoluut gevaarlijk: dit wordt weergegeven met een * achter de code. De regelgeving voor gevaarlijk afval is van toepassing.

II. De afvalstof is absoluut niet gevaarlijk: alle codes waarbij geen * staat. De regelgeving voor gevaarlijk afval is op deze afvalstof niet van toepassing.

Als de stof absoluut gevaarlijk (AG) of absoluut niet gevaarlijk (ANG) is, hoeft het stappenplan niet verder doorlopen te worden. Er is echter nog een optie III.

III. De afvalstof behoort tot een complementaire categorie of spiegelcategorie (‘mirror entry’). Deze codes zijn in bijlage 4 gemarkeerd met een ‘c’ van complementair. Dit betekent dat altijd bepaald moet worden of het gaat om een gevaarlijke (met *) dan wel een niet‑gevaarlijke afvalstof (zonder *). Met het doorlopen van het stappenplan in hoofdstuk 4 kan worden bepaald of een afvalstof gevaarlijk is.”, aldus de Handreiking Eural.

Beoordeling van de vraag of sprake is van een gevaarlijke afvalstof

De rechtbank overweegt als volgt.

In 2000 is een Europese afvalstoffenlijst opgesteld. Deze lijst is opgenomen in Beschikking 2000/532/EG. In deze beschikking is tevens beschreven hoe de verschillende afvalstoffen worden gedefinieerd. Vervolgens is in 2008 de Kaderrichtlijn Afvalstoffen van kracht geworden. In deze richtlijn is in overweging 14 opgenomen dat het systeem waarbij afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn ingedeeld conform de bij voornoemde beschikking van de Commissie opgestelde lijst van afvalstoffen worden gehandhaafd. Deze lijst is in gewijzigde vorm overgenomen in het Besluit 2014/955/EU. Hier wordt ook herhaald dat afvalstoffen met een asterisk (*) beschouwd worden als gevaarlijk afval overeenkomstig richtlijn 2008/98/EG (zijnde de Kaderrichtlijn Afvalstoffen).

Artikel 7 van de KRA betreft de lijst van afvalstoffen. Hierin wordt onder meer gesteld dat de lijst van afvalstoffen bindend is waar het erom gaat te bepalen welke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen moeten worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit in dat voor het bepalen of een afvalstof een gevaarlijke afvalstof is of niet, eerst moet worden gekeken of een afvalstof voorkomt op de afvalstoffenlijst (Eural). Om dit te bepalen dient het stappenplan uit de handreiking Eural te worden gevolgd. Daarbij wordt aan de hand van het proces waarin het afval is ontstaan gekeken bij welk hoofdstuk het afval hoort. Vervolgens wordt gekeken welk sub-hoofdstuk van toepassing is. Hierna wordt in het subhoofdstuk gekeken naar de juiste afvalstofcategorie.

Het NFI heeft aan de hand van haar beschikbaar gestelde documenten geoordeeld dat de afvalstof MONG is ontstaan uit een organisch chemisch proces, en daarmee in hoofdstuk 07 ondergebracht kan worden. Aan de hand van dezelfde overgelegde documenten heeft het NFI vastgesteld dat MONG een reactieresidu dan wel een destillatieresidu is. Het NFI concludeert dat reactie- en destillatieresiduen altijd onder “overige destillatieresiduen en reactieresiduen” vallen en dus altijd een Euralcode met een asterisk krijgen en daarmee gevaarlijk afval is.8

De verdediging heeft, kort samengevat, betoogd dat MONG geen gevaarlijke stof is omdat het geen gevaarseigenschappen bezit die vermeld zijn in bijlage III van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.

Hiermee gaat de verdediging voorbij aan de prioriteit die moet worden gegeven aan de Europese afvalstoffenlijst, de daarin opgenomen Euralcodes en het stappenplan zoals dat is vastgelegd in de Handreiking Eural. Uit die regelgeving volgt dat alleen onderzoek noodzakelijk is naar de gevaarseigenschappen van een afvalstof als die afvalstof behoort tot een complementaire categorie. MONG valt niet in die categorie.

Dit oordeel maakt dat de rechtbank geen noodzaak ziet tot het benoemen van een deskundige zoals voorwaardelijk verzocht door de verdediging.

Is MONG een destillatieresidu?

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van een destillatieresidu en dat MONG daarmee niet onder de Euralcodes eindigend op 08* valt.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In de aanvraag Wet milieubeheervergunning van verdachte van 24 juli 2006 wordt in het overzicht prognose afvalstoffen MONG omschreven als destillatieresidu.9 Op 13 maart 2015 heeft verdachte een wijziging van de omgevingsvergunning aangevraagd inhoudende dat de in de tabel prognose afvalstoffen de Euralcodes niet meer zouden worden genoemd, welke aanvraag is goedgekeurd. Echter, ook na die wijziging staat in het overzicht prognose afvalstoffen MONG nog steeds genoemd als “destillatieresidu”.10 Ook de ILT constateert in zijn rapport van 22 juli 2016: ‘tijdens het inspectierapport is ook niet gebleken dat het productieproces in die zin zou zijn gewijzigd dat thans geen sprake meer zou zijn van een destillatieresidu’.11

Op grond van bovenstaande en het eerder aangehaalde rapport van het NFI is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een destillatieresidu waaraan dus de Euralcode 07.01.08* had moeten worden toegekend

Is er sprake van opzet?

In het economisch strafrecht moet ‘opzet’ worden gezien als kleurloos opzet. Dit houdt in dat niet is vereist dat opzettelijk is gehandeld in strijd met de wettelijke bepaling. De opzet van verdachte moet zijn gericht op de handelingen, te weten het zich ontdoen van een gevaarlijke afvalstof door dit af te geven aan [medeverdachte 1] .

Namens verdachte is betoogd dat zij niet de opzet had om gevaarlijk afval af te geven.

De rechtbank overweegt hierover dat [verdachte] in 2013/2014 betrokken was bij een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot de levering van MONG aan een ander bedrijf. Die zaak tegen verdachte (parketnummer 02.997507-14) is geseponeerd, “wegens gering aandeel”. Verdachte heeft hiervoor een schriftelijke waarschuwing gekregen. In het kader van dit onderzoek is door het NFI gerapporteerd dat MONG een gevaarlijke stof was. Verdachte kende dit rapport en dit is ook besproken met [medeverdachte 2] . Ook het ILT heeft verdachte in haar rapport erop gewezen dat er een andere code voor MONG, nl. code 07.01.08*, passender was. [naam vertegenwoordiger] heeft op dit rapport gereageerd met de opmerking dat tot er nieuwe informatie of nieuwe inzichten ontstaan, de huidige Euralcodes blijven gehandhaafd.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Zij heeft bewust de als niet te verwaarlozen kans aanvaard dat zij een gevaarlijke afvalstof aan [medeverdachte 1] heeft afgegeven.

Nu het een misdrijf (en geen overtreding) betreft, verwerpt de rechtbank het verweer dat de feiten van voor mei 2016 zijn verjaard.

Toerekening, geen medeplegen

Naar oordeel van de rechtbank kan deze verboden opzettelijke gedraging redelijkerwijs aan [verdachte] worden toegerekend. Het betreft een gedraging van werknemers van [verdachte] die binnen de normale bedrijfsvoering valt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten bij rubriek 3.1 en 3.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 augustus 2016 te Rotterdam opzettelijk, zich door afgifte aan een ander heeft ontdaan van 193 vrachten MONG, zijnde een gevaarlijke afvalstof aan [medeverdachte 1] .

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Afwezigheid van alle schuld?

Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, komt zij niet toe aan de vraag of er sprake is van afwezigheid van alle schuld in de zin van verontschuldigbare rechtsdwaling.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,- .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte er alles aan heeft gedaan om de regels na te leven. Sinds 2018 heeft de verdediging geprobeerd om er anders dan via een strafzaak met het Openbaar Ministerie uit te komen. Verdachte verdient geen straf meer. De raadsman pleit dan ook, indien er geen vrijspraak volgt, voor schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel en verzoekt hierbij rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 8 december 2020. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen wegens milieudelicten. Verdachte heeft op 20 april 2015 een schriftelijke waarschuwing gekregen voor overtreding van artikel 10.37 Wet milieubeheer.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende ongeveer anderhalf jaar een gevaarlijke afvalstof afgegeven aan [medeverdachte 1] . Dit heeft verdachte gedaan terwijl hij wist dat deze afvalstof gevaarlijk was. Hij was hier immers op gewezen door de milieupolitie, door het NFI en door de ILT. Desondanks heeft verdachte de afvalstof verkocht aan [medeverdachte 1] en de afvalstof de Euralcode 07.01.99 meegegeven. Hiermee heeft hij de ware aard van de afvalstof aan het zicht onttrokken, waardoor controle door de overheid bemoeilijkt werd. Hierdoor kunnen risico’s voor de volksgezondheid en kans op milieuschade zijn ontstaan.

De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk, temeer daar ook de samenleving veel waarde hecht aan de bescherming van het milieu en handhaving van regels op dat gebied. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van het feit. Daar tegenover staat het volgende.

Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Als uitgangspunt voor het bepalen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop jegens verdachte een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar een strafzaak aanhangig zal worden gemaakt. De rechtbank gaat hierbij uit van de datum waarop de eerste dagvaarding is uitgebracht. De inleidende dagvaarding is op 7 mei 2019 aan verdachte betekend. Vonnis in deze zaak wordt gewezen op 7 januari 2021, 20 maanden na uitbrengen van de eerste dagvaarding. Hieruit volgt dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Tijdsverloop

De rechtbank heeft wel rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek en de huidige strafzaak. Dit heeft lang geduurd omdat de zaak tegen verdachte meegenomen is in een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek. Deze periode kan niet aan verdachte worden tegengeworpen. Gelet echter op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de ernst van het feit, ziet de rechtbank geen aanleiding van de eis van de officier van justitie af te wijken.

De rechtbank zal verdachte een geldboete opleggen van € 10.000,- euro.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek bewezenverklaring is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J. Knol en M.J.E. Geradts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 januari 2021

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Daar waar de code ‘bijl.’ is gebruikt, gaat het steeds om geschriften.

2 Proces-verbaal van bevindingen afgifte en inname MONG, PVB.01.26, doorgenummerde pag. 2394.

3 Proces-verbaal van bevindingen afgifte en inname MONG, PVB.01.26, doorgenummerde pag. 2393.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 26 oktober 2020, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , VE.09.01, doorgenummerde pag. 1374 e.v.

6 Proces-verbaal van verhoor getuigen, afgelegd bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, op 26 oktober 2020.

7 Verklaring van [naam vertegenwoordiger] , afgelegd ter terechtzitting van 17 december 2020.

8 NFI rapport 5 juli 2017, zaaknummer 2017.01.13.027, Bijl. 169, doorgenummerde pag. 9055.

9 WM-aanvraag [verdachte] , bijl. 59, doorgenummerde pag. 6415.

10 Proces-verbaal bevindingen afgifte en inname MONG, PVB.01.26, doorgenummerde pag. 2395.

11 Inspectierapport ILT 2016, bijl. 60, doorgenummerde pag.