Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1001

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
13-845104-18 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen en hennepteelt. Aftrek kosten, ook stroom ivm afbetalingsregelen, en bedrag eerder ontnomen bedrag ivm mogelijke dubbeltelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-845104-18 (ontneming, Promis)

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.845104.18, tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende op het adres [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2021.

2 De vordering

Onderzoek van de zaak

De vordering van de officier van justitie van 14 juli 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 232.621,-.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2021 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.

Feit 1 :

Gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2012 tot 9 juli 2018.

Feit 2:

Eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3:

Diefstal van stroom.

Het openbaar ministerie heeft een berekening gemaakt van het wederrechtelijk door [veroordeelde] verkregen voordeel. Deze berekening bestaat enerzijds uit een kasopstelling die ziet op de periode van 1 januari 2012 tot 1 februari 2018, en anderzijds uit een berekening van de winst die veroordeelde heeft verkregen door middel van hennepteelt in de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 juli 2018.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Verweren van de raadsman met betrekking tot de winst uit hennepteelt

De raadsman heeft de volgende verweren gevoerd.

Met betrekking tot de opbrengst van de hennepkwekerij merkt de raadsman op dat bij de berekening geen rekening is gehouden met de aanschaf van de goederen voor de kwekerij. Die benodigdheden zijn voorgefinancierd door een [naam coffeeshop]. De [naam coffeeshop] is met de opbrengst van de eerste oogst terugbetaald. Ook is de kelder onder de schuur speciaal gebouwd voor de kwekerij. Deze kosten moeten op het eventuele wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht. De totale kosten voor het realiseren van de kwekerij zijn € 60.000,-. [veroordeelde] heeft verklaard dat hij uiteindelijk geen dan wel maximaal € 1.000,- voordeel heeft gehad van de kwekerij.

Daarnaast voert de raadsman aan dat zijn cliënt een betalingsregeling heeft getroffen met Liander voor in totaal € 9.816,02. Ook deze kosten moeten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 februari 2021 arrest gewezen in een andere ontnemingszaak jegens [veroordeelde]. Hierbij is hij veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag van € 10.212,36, wat hij in 2016 met hennepteelt zou hebben verdiend. Deze verdiensten vallen binnen de huidige tenlastegelegde periode. Omdat [veroordeelde] voor deze periode al is veroordeeld tot het terugbetalen van dit bedrag, dient ook dit bedrag in mindering te worden gebracht om dubbeltelling te voorkomen.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt het redelijk om de kosten van Liander van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te trekken, nu [veroordeelde] heeft aangetoond hier een betalingsregeling voor te hebben getroffen met Liander en de betalingsregeling tot op heden nakomt.

De officier van justitie is ook van mening dat het ontnemingsbedrag, opgelegd in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zijnde € 10.212,36, van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden afgetrokken, zodat een te ontnemen bedrag resteert van € 212.592,62.

4.3

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank

4.3.1

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen

De rechtbank gaat bij de vaststelling van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de kasopstelling over de periode 1 januari 2012 tot 1 februari 2018, zoals weergegeven op pagina 10 en verder van het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ van 15 oktober 2019 (FIN-003)1. Daarbij neemt zij mede in aanmerking hetgeen in het vonnis van de inhoudelijke strafzaak is bepaald.2 Dit houdt onder meer in dat het beginsaldo van de contante middelen is gehandhaafd op € 512,-.
De gevoerde verweren met betrekking tot de contante uitgaven zijn afgewezen met uitzondering van het verweer betreffende de Harley Davidson. Hiervan heeft de rechtbank bepaald dat deze voor de helft wordt meegerekend in het vermogen van [veroordeelde], omdat aannemelijk is dat dhr. [persoon] mee zou delen in de winst bij de verkoop van de motor. Nu deze motor is getaxeerd op € 21.500,-, heeft de rechtbank de helft van de waarde van deze motor in de berekening meegenomen. Daarmee wordt het bedrag van de contante aankopen verminderd met € 10.750,-.

Dit leidt tot de volgende berekening:

Beginsaldo contant geld € 512

+/+ legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 8.100

-/- eindsaldo contant geld € 0

Beschikbaar voor doen van uitgaven € 8.612

Werkelijke contante uitgaven

-bankstortingen € 66.340

-contante luxe aankopen € 88.700

-overige contante aankopen € 11.823

-voeding (NIBUD-norm) € 11.412

-/- totaal contante uitgaven € 178.275

Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel) € 169.663

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van witwassen een voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 169.663,-.

4.3.2

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij is gebruik gemaakt van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 (hierna: het BOOM-rapport).

Opbrengsten

De ontnemingsperiode strekt zich uit over de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 juli 2018 en behelst een periode van 27 weken. Bij de ontdekking van de kwekerij op 9 juli 2018 waren de planten ongeveer zeven weken oud. In de periode daarvoor kunnen normaliter twee oogsten zijn geweest. Dat sluit ook aan bij verklaring van [veroordeelde] dat de in beslag genomen hennepplanten de derde oogst zouden worden. In de berekening wordt dan ook uitgegaan van twee eerdere oogsten.

Uit het proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij blijkt dat in kweekruimte A vijf hennepplanten stonden en in kweekruimte B 362 planten.3 Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van 362 planten.4 Deze stonden in een ruimte van 19,4 m2 (19 planten per m2) en volgens het BOOM-rapport levert dit doorgaans een opbrengst van 26,2 gram hennep per plant op (en dus 9,484 kilogram per oogst). [veroordeelde] heeft verklaard dat de aangetroffen planten zijn derde oogst zouden vormen en dat hij twee keer eerder heeft geoogst. De eerste oogst was 8 kilogram en de tweede oogst 9 kilogram.5 Daarom wordt bij de berekening uitgegaan van 8,5 kg per oogst. [veroordeelde] heeft voorts verklaard dat hij € 3.500,- per kilogram hennep heeft ontvangen. Dit levert een opbrengst op van 8,5 kilogram x € 3.500,- = € 29.750,- per oogst.6 Voor de twee oogsten tezamen levert dit een totaalopbrengst van € 59.500,- op.

Kosten

De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn, op basis van het rapport BOOM en de verklaring van de [veroordeelde], als volgt:

Afschrijvingskosten (waardedaling van duurzame productiemiddelen zoals lampen, kweekbakken, ventilatoren, afzuiginstallaties etc.)

€ 250,-

Boom-rapport, p. 21: bij 300-400 planten zijn de afschrijvingskosten € 250,- per oogst.

Hennepstekken

€ 1.991,-

€ 5,50 per stek/plant (op basis van verklaring [veroordeelde])

Variabele kosten

€ 1.404,56

€ 3,88 per stek/plant (op basis van het Boom-rapport)

Elektriciteitskosten

€ 0

Kosten knippers

€ 0

Huisvestingskosten

€ 0

Totaal kosten per oogst

€ 3.645,56

De rechtbank gaat bij de bepaling van de op de opbrengst in mindering te brengen kosten uit van de normbedragen zoals die zijn berekend in het rapport BOOM. De rechtbank ziet geen aanleiding uit te gaan van de verklaring van [veroordeelde] dat de kosten voor de kwekerij en de bouw van de kelder € 60.000,- zijn, nu deze kosten door hem niet zijn onderbouwd. [veroordeelde] heeft de naam van de [naam coffeeshop] niet willen noemen en heeft ook niet met bonnen of afschrijvingen onderbouwd welke kosten hij heeft gemaakt. Bovendien maakt de kelder nu onderdeel uit van zijn onroerend goed en heeft daarom een zekere waarde.

De rechtbank gaat daarom uit van totale kosten per oogst van € 3.645,56. Voor twee oogsten komt dat neer op € 7.291,12.

De rechtbank ziet aanleiding ook een deel van de elektriciteitskosten bij de kosten op te tellen. [veroordeelde] heeft met Liander een betalingsregeling getroffen van € 9.816,02, bestaande uit € 904,12 incassokosten en € 8.911,90 aan elektriciteitskosten. Administratiekosten (waaronder de incassokosten) kunnen niet als kosten worden afgetrokken (zie het BOOM-rapport van 1 juni 2016). De rechtbank zal uitsluitend de elektriciteitskosten van € 8.911,90 als af te trekken kosten aanmerken.

Dit houdt in dat in totaal een bedrag van € 16.203,02 in mindering wordt gebracht op de opbrengst van de hennepkwekerij.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de hennepkwekerij bedraagt hiermee € 59.500,- minus € 16.203,02 = € 43.296,98.

4.3.3

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit de kasopstelling kan worden afgeleid dat [veroordeelde] een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 169.663,-.

Uit de hennepkwekerij heeft hij een voordeel genoten van € 43.296,98.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 212.959,98.

De rechtbank ontleent deze schattingen aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De verplichting tot betaling

De raadsman heeft ten aanzien van de verplichting tot betaling geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt dat het Hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 16 februari 2021 aan [veroordeelde] een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak met parketnummer 21-005882-18 heeft opgelegd. Dit houdt verband met een hennepkwekerij in 2016. Deze periode overlapt de periode waarop de kasopstelling ziet (zie hiervoor onder 4.3.1). De rechtbank ziet aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op de betalingsverplichting in onderhavige zaak.

De rechtbank bepaalt op grond van voorgaande het te ontnemen bedrag op € 202,747,62.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 212.959,98 (tweehonderdtwaalfduizend negenhonderdnegenenvijftig duizend euro en achtennegentig cent).

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 202.747,62 (tweehonderdtweeduizend zevenhonderdzevenenveertig euro en tweeënzestig cent) aan de Staat.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 3 jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2021.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling (FIN-003), doorgenummerde pag. 364

2 Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2021

3 PV aantreffen hennepkwekerij, p. 12, uit: PV [naam] (Hennep PV politie Midden Nederland)

4 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, doorgenummerde pag. 78

5 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 9 juli 2018, doorgenummerde pag. 35

6 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, doorgenummerde pag. 80