Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:925

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
7998547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst wegens niet goed huurderschap, niet houden hoofdverblijf in gehuurde woning en gedeeltelijk in gebruik geven van de woning. boete op gedeeltelijk in gebruik geven woning oneerlijk beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7998547 CV EXPL 19-18358

vonnis van: 18 februari 2020

fno.: 42146

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Woningstichting Eigen Haard

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen: Eigen Haard

gemachtigde: mr. M.G. Blokziel

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- de dagvaarding van 20 augustus 2019, met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het instructievonnis;
- de dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Voor Eigen Haard zijn verschenen mevrouw [medewerkster eiseres] en de heer [medewerker eiseres] , vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[gedaagde] is van 1996 tot en met 2000 getrouwd geweest met mevrouw [betrokkene 1] . Zij hebben samen twee kinderen gekregen, een dochter [dochter] (geboren in 1999) en een zoon [zoon] (geboren in 2000).

1.2.

[gedaagde] huurt sinds 15 mei 2017 van Eigen Haard de woning (met berging/zolder) aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) tegen een maandelijkse huurprijs van laatstelijk € 718,37. De woning betreft een sociale huurwoning. Van de schriftelijke huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) maken algemene voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) deel uit.

1.3.

In de huurovereenkomst is bepaald dat de woning uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte ten behoeve van [gedaagde] (en leden van zijn gezin). In de algemene voorwaarden is onder meer bepaald dat [gedaagde] zich als een goed huurder zal gedragen (7.2) en de woning gedurende de huurtijd feitelijk zal bewonen en daadwerkelijk voor hem zelf en de leden van zijn huishouden zal gebruiken (7.4). Ook is daarin bepaald dat [gedaagde] de woning niet geheel (7.14) of gedeeltelijk (7.17) mag onderverhuren of in gebruik mag geven aan derden op straffe van verbeurte van een boete van € 5.000,00 respectievelijk € 1.000,00. Als Eigen Haard gegronde redenen heeft om aan te nemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft behouden in de woning, dient [gedaagde] volgens de algemene voorwaarden bewijs te leveren dat dat wel het geval is (7.4).

1.4.

Op 23 mei 2017 heeft Eigen Haard een bedrag van € 2.024,06 op de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt.

1.5.

De huidige (derde) echtgenote van [gedaagde] en hun twee kinderen van (in september 2018) acht en vijf jaar wonen in Algerije.

1.6.

Op 4 mei 2018 heeft de gemeente Amsterdam van de vader van [betrokkene 1] (de ex-schoonvader van [gedaagde] ) een melding binnen gekregen dat [gedaagde] in Algerije woont en de woning onderverhuurt.

1.7.

Eigen Haard is daarna in bezit gesteld van schriftelijke verklaringen van andere familieleden van de familie [betrokkene 1] , waaronder de zoon [zoon] , en een tweetal anonieme bronnen die de inhoud van de melding bevestigen.

1.8.

Op 2 juli 2018 heeft Eigen Haard een onaangekondigd huisbezoek verricht aan de woning. Eigen Haard heeft toen niemand in de woning aangetroffen.

1.9.

[gedaagde] heeft op de uitnodigingen van Eigen Haard voor een gesprek in juli 2018 niet gereageerd en is niet verschenen op de voor de besprekingen geplande tijdstippen.

1.10.

Op 31 juli 2018 heeft Eigen Haard opnieuw een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan de woning. Ook toen heeft Eigen Haard niemand aangetroffen in de woning. Eigen Haard heeft geconstateerd dat de brievenbus van [gedaagde] helemaal vol was.

1.11.

Op 2 augustus 2018 heeft Eigen Haard [gedaagde] opnieuw uitgenodigd voor een bespreking op 6 september 2018. Bij de bespreking was dochter [dochter] aanwezig.

1.12.

[gedaagde] heeft aan Eigen Haard bankafschriften van april 2017 tot en met juni 2019 verschaft. Uit deze bankafschriften blijkt dat er in de periode van juni 2017 tot april 2018 geen pintbetalingen in Nederland zijn gedaan. Uit deze bankafschriften blijken verder dat er in de periode van januari 2019 tot en met juni 2019 sporadisch uitgaven per pin zijn gedaan voor levensmiddelen.

1.13.

Op onaangekondigde huisbezoeken op 10 december 2018, 14 januari 2019 en 14 maart 2019 heeft Eigen Haard [gedaagde] niet in de woning aangetroffen. Op 14 januari 2019 trof Eigen Haard wel de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) in de woning.

1.14.

Op 25 juni 2019 heeft [gedaagde] een auto waarvan het kenteken op zijn naam staat uitgevoerd naar Algerije, alwaar de auto zal worden ingevoerd.

1.15.

Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 9 juli 2019 heeft Eigen Haard niemand aangetroffen in de woning.

1.16.

Eigen Haard heeft [gedaagde] op 12 juli 2019 verzocht om de huur op te zeggen, omdat onderzoek van Eigen Haard uitwees dat hij zijn hoofdverblijf heeft in Algerije. [gedaagde] is daarmee niet akkoord gegaan.

1.17.

[gedaagde] ontvangt een uitkering van het UWV. De fraude afdeling van het UWV heeft in Algerije een vertrouwensadvocaat ingeschakeld om onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van [gedaagde] . In een e-mailbericht van het UWV van 19 december 2019, staat onder meer het volgende vermeld:

“(…) De vertrouwensadvocaat laat mij in de rapportage weten dat de heer [gedaagde] woonachtig is in [woonplaats] , (…). Hij zou op dit adres wonen met zijn vrouw [betrokkene 4] en hun 3 kinderen. Hij zou daar werken als zelfstandige. Hij zou sinds 02-07-2007 gehuwd zijn met mevrouw [betrokkene 4] . Er zaten helemaal geen bijlagen bij deze rapportage. Vandaar dat ik aanvullende vragen heb gesteld/bewijsstukken heb gevraagd waaruit blijkt dat hij daar woonachtig is (…). Hij geeft aan dat er geen officieel register bestaat in Algerije waarin de adressen van personen worden geregistreerd. Hij heeft buurtonderzoek verricht (in de buurt van het adres (…)) Mensen die daar in de omgeving wonen en ondernemingen naast dit adres heeft hij gesproken en die hebben hem laten weten dat (…) [gedaagde] woonachtig is aldaar. Ook de informatie dat (…) [gedaagde] als zelfstandige werkt heeft hij verkregen op basis van verklaringen van mensen die hij heeft gesproken in dat buurtonderzoek. (…).”

1.18.

In een schriftelijke verklaring van 1 oktober 2019 van dochter [dochter] staat onder meer vermeld dat zij in mei 2018 heeft besloten om bij [gedaagde] te gaan wonen. Haar moeder en grootouders waren het daar niet mee eens als gevolg waarvan volgens haar het probleem rond de woning aan de [adres] is begonnen. Verder staat daarin onder meer het volgende vermeld: “(…) Daarom heb ik in mei 2018 besloten om in [woonplaats] te gaan wonen bij mijn vader aan de [adres] . (…). Ik heb ongeveer een jaar bij mijn vader op de [adres] gewoond (…). Na de problemen van de verhuizing (…) besloten mijn vader en ik van 26 juni tot 29 juli 2018 op vakantie te gaan naar Algerije. Mijn vader heeft daar 2 kinderen en een vrouw (…). Mijn vader blijft liever hier in Nederland voor gezondheidszorg en omdat hij hier veel mensen kent die hen zouden kunnen helpen. Ook omdat zijn 4 kinderen hier zijn die graag bij hem langskomen. (…) Toen wij terug kwamen van vakantie, is mijn vader zijn rugzak in de trein vergeten waar zijn brievenbussleutels en paspoort in zaten. (…) Mijn opa en oma hebben mij een voorstel gedaan in September 2018 om een huis voor mij te kopen in Amsterdam west (…). Ik heb dit aanbod toch geaccepteerd (…). Ik, [adres] , verklaar hierbij dat mijn vader (…) woont aan de [adres] en dat de verklaringen van mijn opa, oma, moeder, broertje en ex-man op emoties zijn gebaseerd en vals zijn. (…)”.

1.19.

In een schriftelijke verklaring van 3 oktober 2019 uit naam van de bewoonster van de woning aan de [adres] staat vermeld dat [gedaagde] sinds 2017 in de woning woont en dat zij weet dat hij vaak buiten is en op onregelmatige tijden thuis komt.

1.20.

In een schriftelijke verklaring van 16 oktober 2019 ondertekend met de naam [getuige] die de woning op nummer [huisnummer] bewoont staat onder meer vermeld dat zij [gedaagde] het afgelopen jaar bijna dagelijks heeft gezien en dat zij niet het idee heeft dat hij niet in zijn woning woont.

1.21.

In een schriftelijke verklaring van de voorzitter van de Moskee [naam] van 16 oktober 2019 staat onder meer vermeld dat [gedaagde] daar sinds 5 januari 2014 staat ingeschreven en dat hij sindsdien tot heden wekelijks bijna dagelijks de moskee bezoekt.

1.22.

In een ongedateerde schriftelijke verklaring ondertekend met de naam [getuige] die de woning op nummer [huisnummer] bewoont staat onder meer vermeld dat zij [gedaagde] meerdere keren per week het huis ziet binnen treden en ook dat zij hem regelmatig in de lift tegenkomt.

1.23.

Uit een aantal andere schriftelijke verklaringen dat door [gedaagde] in het geding is gebracht, komt samengevat naar voren dat [gedaagde] regelmatig bij of in de buurt van zijn woning wordt waargenomen en dat hij voor zijn levensonderhoud (financiële) hulp van anderen kreeg.

1.24.

In een uittreksel van de BRP van 23 december 2019 (hierna: het uittreksel BRP) staat vermeld dat (naast [gedaagde] ) dochter [dochter] van 21 juni 2018 tot 30 oktober 2018, en [betrokkene 2] van 20 december 2018 tot 23 april 2019 ingeschreven hebben gestaan op het adres van de woning. Met ingang van 8 mei 2019 staat, naast [gedaagde] , ook de heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) in de BRP ingeschreven op het adres van de woning.

1.25.

In een verklaring van de huisarts van [gedaagde] van 6 januari 2020 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…) Bovengenoemde patiënt is sinds 2018 ingeschreven in mijn praktijk. Hij is bij mij met name bekend met luchtwegklachten. (…)

Mocht patiënt zonder woonruimte komen, dan zal dit mogelijk invloed hebben op zijn lichamelijke en geestelijke klachten. (…)

20.04.2015 *Depressie met psychose

24.01.2003 *Migraine

13.05.2019 *Astma

11.05.2017 Andere sensibiliteitstoornis

Nek symptomen/klachten (…)”.

Vordering en verweer

2. Eigen Haard vordert zakelijk weergegeven dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen in de zin van artikel 7:213 BW;

  2. de huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de woning (met berging/zolder) aan de [adres] in [woonplaats] ontbindt tegen de vroegst mogelijke datum;

  3. [gedaagde] veroordeelt om de woning (met berging/zolder) aan de [adres] in [woonplaats] binnen 7 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen, met machtiging aan Eigen Haard om, als [gedaagde] daarmee na verloop van die termijn in gebreke blijft, de ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie;

  4. [gedaagde] , als hij niet vrijwillig voldoet aan de veroordeling tot ontruiming, veroordeelt tot betaling van de ontruimingskosten;

  5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 5.000,00, althans € 1.000,00, aan overeengekomen boete, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  6. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3. Eigen Haard heeft aan haar vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden, alsmede dat hij zich in strijd met artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet als goed huurder heeft gedragen, door de woning niet zelf te gebruiken, niet zijn hoofdverblijf in de woning te hebben en de woning geheel of gedeeltelijk aan derden onder te verhuren of in gebruik te geven. Deze tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Ook heeft [gedaagde] als gevolg van deze tekortkomingen op grond van de algemene voorwaarden een boete verbeurd, aldus steeds Eigen Haard.

4. [gedaagde] heeft ter betwisting van de vordering kort gezegd het volgende aangevoerd. [gedaagde] leeft in onmin met zijn voormalige schoonfamilie die verantwoordelijk is voor de meldingen over woonfraude bij Eigen Haard. Deze meldingen zijn met opzet gedaan in de periode dat [gedaagde] met zijn dochter in Algerije was voor vakantie. De eerste onaangekondigde huisbezoeken van Eigen Haard vonden in die periode plaats. De afwezigheid wegens vakantie verklaart ook waarom Eigen Haard een volle brievenbus heeft aangetroffen, die door [gedaagde] na zijn terugkeer niet direct kon worden geleegd omdat hij op weg naar huis zijn rugzak met daarin zijn sleutels in de trein is kwijt geraakt. In de rugzak zat ook zijn Algerijns paspoort, zodat hij dat niet heeft kunnen overhandigen aan Eigen Haard. Pinbetalingen van zijn bankrekening tijdens de periode van juni 2017 tot april 2018 ontbreken, omdat hij heeft geleefd van het door Eigen Haard in mei 2017 uitgekeerde bedrag waarvan hij eind mei 2017 in vier opnames een bedrag van € 1.500,00 heeft opgenomen. Daarnaast kreeg [gedaagde] tijdens en na zijn verhuizing geld toegeschoven van vrienden, buren, zijn dochter en de moskee. Dit wordt ondersteund door verklaringen van vrienden en zijn dochter. Het klopt dat eerst [betrokkene 2] bij hem heeft gewoond, en dat nu [betrokkene 3] bij hem woont en ingeschreven staat. Deze personen zochten tijdelijk onderdak en [gedaagde] kan vanwege zijn psychische klachten hulp bij het huishouden en zijn zorg gebruiken. Er is echter geen sprake van onderhuur. Voor zover dit als een tekortkoming van [gedaagde] wordt beschouwd, rechtvaardigt deze tekortkoming niet de ontbinding van de huurovereenkomst, aldus [gedaagde] .

Beoordeling

5. Ingevolge artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. Dit brengt in beginsel met zich mee dat Eigen Haard moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , en dat [gedaagde] omstandigheden moet stellen en zo nodig moet bewijzen voor de toepassing van de tenzij-bepaling. Voor zover Eigen Haard in dit verband een beroep heeft gedaan op het beding in de algemene voorwaarden dat de bewijslast in dit verband bij [gedaagde] legt, geldt dat dit beding in onderdeel q van de indicatieve lijst bij Richtlijn 13/93/EEG als mogelijk oneerlijk wordt aangemerkt. Op de Nederlandse zwarte lijst (artikel 6:236 onder k BW) worden bepaalde (andere) vormen van bewijslastomkering als onredelijk aangemerkt. Feiten of omstandigheden die met zich brengen dat het beding uit artikel 7.4 van de algemene voorwaarden in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is, zijn niet gesteld of gebleken. Dit maakt dat dat beding op grond van artikel 6:233 onder a BW In zoverre tussen partijen niet geldig is (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2018:598 en ECLI:NL:GHAMS:2019:1109).

6. Kern van het geschil is derhalve of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , en als van een tekortkoming sprake is of deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat dat niet het geval is. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dat verweer. Ter toelichting dient het volgende.

7. Eigen Haard verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft naar de bankafschriften van [gedaagde] waaruit blijkt dat in de periode van begin juni 2017 tot april 2018 in het geheel geen, en in de periode daarna slechts sporadisch, pinbetalingen voor levensbehoeften van de bankrekening van [gedaagde] hebben plaatsgevonden. Ook tijdens de door Eigen Haard tussen juli 2018 en juli 2019 afgelegde huisbezoeken is [gedaagde] geen enkele keer aangetroffen. Tijdens één van de huisbezoeken is wel [betrokkene 2] aangetroffen. Eigen Haard heeft toen onderzoek gedaan in de BRP, wat heeft uitgewezen dat naast [gedaagde] ook [betrokkene 2] van 20 december 2018 tot 23 april 2019 op het adres van de woning heeft ingeschreven gestaan. Vanaf 8 mei 2019 tot heden staat naast [gedaagde] ook [betrokkene 3] ingeschreven op het adres van de woning. [gedaagde] heeft vervolgens erkend dat hij de woning gedeeltelijk in gebruik heeft gegeven aan achtereenvolgens [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Daarbij komt dat [gedaagde] een gezin heeft in Algerije en dat onderzoek van het UWV heeft uitgewezen dat [gedaagde] bij zijn gezin woonachtig is. Dat dit het geval is wordt bevestigd door het feit dat [gedaagde] zijn auto naar Algerije heeft uitgevoerd, aldus Eigen Haard.

8. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zijn verweer dat hij wel steeds zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad onvoldoende heeft gemotiveerd. De door [gedaagde] gegeven verklaring voor het ontbreken van pinbetalingen van zijn bankrekening gedurende de periode van juni 2017 tot april 2018 – te weten dat hij toen in zijn levensbehoeften heeft voorzien van het in mei 2017 door Eigen Haard aan hem betaalde bedrag van € 2.024,06 en dat hij werd onderhouden door anderen voor levensbehoeften – is niet met concrete stukken onderbouwd. De kantonrechter acht deze verklaring ook niet geloofwaardig gelet op de duur van de periode en de hoogte van het bedrag, terwijl de bankrekening van [gedaagde] gedurende die periode een overwegend positief saldo vertoonde en er zowel voor als na die periode wel pinbetalingen voor levensbehoeften zichtbaar zijn op zijn bankafschriften. [gedaagde] heeft ter weerlegging van de stelling van Eigen Haard ook geen concrete bewijsstukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij gedurende die periode wel in de woning heeft verbleven. Dat had hij tamelijk eenvoudig kunnen doen, bijvoorbeeld door het overleggen van winkelbonnen, reisdocumenten, aan hem gerichte post of jaarrekeningen van de energie- en waterleverancier.

9. De door hem overlegde schriftelijke verklaringen zijn tegenover de door Eigen Haard gepresenteerde feitelijke gegevens te weinig concreet en specifiek. Zijn dochter [dochter] heeft weliswaar verklaard dat [gedaagde] in de woning woont en dat zij vanaf mei 2018 bij haar vader heeft ingewoond, maar in deze verklaring is zij niet ingegaan op de woonsituatie van [gedaagde] gedurende de periode van juni 2017 tot april 2018. Bovendien is haar verklaring onduidelijk over de periode waarin zij bij haar vader zou hebben gewoond. Enerzijds verklaart zij dat het een periode van een jaar betrof, anderzijds blijkt uit haar verklaring dat zij in september 2018 een woning van haar grootouders heeft geaccepteerd en uit het uittreksel BRP dat zij van eind juni 2018 tot en met oktober 2018 op het adres van de woning ingeschreven heeft gestaan. Daartegenover staat dat de zoon van [gedaagde] juist heeft verklaard dat [gedaagde] al ruim 10 jaar in Algerije woont. De andere door [gedaagde] overgelegde schriftelijke verklaringen, zoals samengevat bij de feiten, gaan evenmin specifiek in op het verblijf van [gedaagde] in zijn woning in de periode van juni 2017 tot april 2018, en zijn bovendien in het algemeen te weinig concreet op het punt van het hoofdverblijf van [gedaagde] in de woning om daaraan doorslaggevende waarde te hechten. Daarbij komt dat de schriftelijke verklaringen zoals genoemd bij 1.21 en 1.23 haaks lijkt te staan op hetgeen deze personen mondeling aan Eigen Haard hebben verklaard.

10. De tussenconclusie van het voorgaande is dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] gedurende de periode van juni 2017 tot april 2018 niet zijn hoofdverblijf had in de woning. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat [gedaagde] ook nadien niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning, aangezien hij op geen van de zes door Eigen Haard vanaf 2 juli 2018 tot en met 9 juli 2019 op verschillende tijdstippen van de dag afgelegde onaangekondigde huisbezoeken thuis is aangetroffen. [gedaagde] heeft bovendien een gezin met jonge kinderen in Algerije en heeft zijn auto op 25 juni 2019 naar Algerije uitgevoerd waarvoor hij verder geen plausibele verklaring heeft gegeven. De stelling van [gedaagde] dat hij in de zomer van 2018 slechts gedurende een maand voor vakantie in Algerije heeft verbleven is in het licht van het voorgaande met de overlegging van een boardingpass van uitsluitend de terugvlucht op 28 juli 2018 niet voldoende onderbouwd.

11. Eigen Haard baseert haar vordering voorts op het feit dat [gedaagde] zijn woning in gebruik heeft gegeven aan derden. [gedaagde] heeft erkend dat hij de woning gedeeltelijk in gebruik heeft gegeven aan achtereenvolgens [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . [betrokkene 3] staat tot op heden ook nog steeds ingeschreven op het adres van de woning. Ook daarmee handelt [gedaagde] in strijd met de huurovereenkomst. De verklaring van [gedaagde] dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij hem inwoonden om hem hulp te bieden vanwege zijn psychische klachten – welke verklaring geen steun vindt in de door hem in het geding gebrachte verklaring van zijn huisarts – maakt dat niet anders.

12. Met het voorgaande in samenhang bezien staat voldoende vast dat [gedaagde] zich niet als goed huurder zoals bedoeld in artikel 7:213 BW heeft gedragen en de artikelen 7.2, 7.4, 7.14 en 7.17 van de algemene voorwaarden heeft geschonden. Deze tekortkomingen zijn ernstig genoeg om, ook als in aanmerking wordt genomen dat het recht op wonen een essentiële bestaansvoorwaarde is, de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Het door [gedaagde] gestelde belang bij het behoud van zijn woning vanwege zijn gezondheidstoestand en zijn in Nederland woonachtige kinderen, kan in de gegeven omstandigheden niet prevaleren boven het belang van Eigen Haard om zoveel mogelijk te waarborgen dat sociale huurwoningen worden bewoond door de personen waarvoor zij bedoeld zijn en te handhaven waar dat niet gebeurt. De slotsom is dan ook dat de gevorderde verklaring voor recht, alsmede de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zullen worden toegewezen.

13. De gevorderde machtiging om zelf de ontruiming te bewerkstelligen wordt afgewezen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

14. De vordering ter zake van de ontruimingskosten is evenmin toewijsbaar. Weliswaar houdt de proceskostenveroordeling een executoriale titel in ten aanzien van alle kosten, ook ten aanzien van verschotten zoals ontruimingskosten, doch het betreft hier kosten die pas na de uitspraak ontstaan en waarvan de omvang en de verschuldigdheid thans nog niet vast staan.

15. Dat [gedaagde] de woning in zijn geheel heeft onderverhuurd of in gebruik heeft gegeven aan derden blijkt uit het voorgaande onvoldoende. Gelet daarop is de in dat verband gevorderde boete van € 5.000,00 niet toewijsbaar. Wel staat vast dat [gedaagde] de woning gedeeltelijk in gebruik heeft gegeven aan derden. De in dat verband gevorderde boete van € 1.000,00 is gegrond op een beding in de algemene voorwaarden. Omdat [gedaagde] ten opzichte van Eigen Haard moet worden aangemerkt als een consument, is de kantonrechter gehouden om ambtshalve te beoordelen of het beding waarin de boete is opgenomen oneerlijk is. Deze verplichting tot ambtshalve toetsing volgt uit rechtspraak van het hof van Justitie van de EU, alsmede van de Hoge Raad (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, Heesakkers/Voets). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat een beding in algemene voorwaarden moet worden vernietigd, als het beding oneerlijk is.

16. Hoewel het boetebedrag van € 1.000,00 voor een huurder van een sociale huurwoning die per definitie weinig daadkrachtig is op zich zelf hoog is te noemen, vindt de kantonrechter dit bedrag niet onredelijk in relatie tot de hoogte van de maandelijkse huur en het nastreven door Eigen Haard van het bij 12. hiervoor genoemde belang. De boete geldt echter voor alle niet-nakomingen, ongeacht de ernst, aard en omvang ervan en is verschuldigd onverminderd de aanspraken van de verhuurder op nakoming, ontbinding en schadevergoeding. Daarmee is dus geen enkel onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen waaruit in het in gebruik geven van een gedeelte van de woning kan bestaan. Dat betekent feitelijk dat [gedaagde] bij iedere overtreding van het verbod, ook voor een korte periode, telkens een boete van € 1.000,00 zou zijn verschuldigd. Daarmee is het beding naar het oordeel van de kantonrechter te ruim geformuleerd en oneerlijk. De gevorderde boete wordt dan ook afgewezen.

17. [gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen als bedoeld in artikel 7:213 BW;

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning (met berging/zolder) staande en gelegen in [woonplaats] aan de [adres] ( [postcode] );

veroordeelt [gedaagde] om deze woning te ontruimen en ter beschikking van Eigen Haard te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op:
exploot € 81,83
salaris € 480,00 (2 punten x tarief € 240,00)
griffierecht € 486,00
-----------------
totaal € 1.047,83
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar

uitgesproken op 18 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.