Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:793

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
C/13/661241 / HA ZA 19-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen dwaling bij beëindiging VOF over nagekomen bate. Bijzondere regeling dwaling ex art. 3:199 BW. Geen aanvullende werking redelijkheid & billijkheid (post-contractuele goede trouw) o.g.v. omstandigheden van het geval (o.a. geen concurrentiebeding)..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/119
JONDR 2020/380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/661241 / HA ZA 19-142

Vonnis van 4 maart 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. [gedaagde 1] B.V.,

2. [gedaagde 2] B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.J. Drop.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 januari 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 30 oktober 2020, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    de akte houdende uitlating producties en overlegging producties, tevens houdende uitlating grondslag vorderingen en wijziging van eis,

  • -

    de akte uitlating producties en overlegging één productie,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2020 en de daarin genoemde proceshandelingen en overige processtukken,

  • -

    de correspondentie van partijen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] wordt bestuurd door haar enig aandeelhouder [aandeelhouder eiseres] .

2.2.

[aandeelhouder gedaagde sub 1.] is enig aandeelhouder en een van de bestuurders van [gedaagde 2] . Zijn echtgenote is medebestuurder van [gedaagde 2] . [gedaagde 1] wordt bestuurd door haar enig aandeelhouder [gedaagde 2] .

2.3.

[aandeelhouder eiseres] en [aandeelhouder gedaagde sub 1.] zijn in 2007 een vennootschap onder firma begonnen onder de naam [gezamenlijke VOF] VOF (verder: [gezamenlijke VOF] ), met als vennoten [eiseres] en [gedaagde 1] . De vennoten waren ieder voor 50% gerechtigd in het resultaat van [gezamenlijke VOF] . De bedrijfsactiviteiten van [gezamenlijke VOF] zijn geweest het genereren van prospects voor private equity funding.

2.4.

In de VOF-overeenkomst is het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 12: Einde vennootschap

De vennootschap eindigt:

a: indien de vennoten daartoe in onderling overleg besluiten en wel op het door hen bij dat besluit te bepalen tijdstip. Dit besluit moet schriftelijk worden vastgelegd en ondertekend;

(…)

Artikel 15: Concurrentie (vervallen).

(…)”

2.5.

Op 9 februari 2015 heeft [eiseres] het bedrijf [bedrijf 1] B.V. (verder: [bedrijf 1] ) als mogelijke prospect voor private equity funding aan [aandeelhouder gedaagde sub 1.] voorgelegd. [aandeelhouder gedaagde sub 1.] heeft de gegevens over [bedrijf 1] bekeken en het bedrijf ongeschikt geacht voor investerings-fondsen. In 2016, na een werkbezoek aan [bedrijf 1] , is [aandeelhouder gedaagde sub 1.] van mening veranderd en heeft hij [bedrijf 1] geïntroduceerd bij [bedrijf 2] Buy Out Partners B.V. (verder: [bedrijf 2] ).

2.6.

Bij e-mail van 14 juni 2016 heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] aan [aandeelhouder eiseres] verslag gedaan van een gesprek tussen hem, [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . Die e-mail heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] op 24 augustus 2016 doorgestuurd aan [bedrijf 2] .

2.7.

Bij e-mail van 20 september 2016 heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] aan [bedrijf 2] , met een cc aan [aandeelhouder eiseres] , bericht dat hij in de derde week van oktober een vervolgafspraak heeft met [bedrijf 1] . Diezelfde dag heeft [bedrijf 2] aan [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bericht:

“ [aandeelhouder gedaagde sub 1.] , zou graag met jou een vast bedrag afspreken als het tot een acquisitie komt. (…) Zit aan 750k te denken. (…)”

De gebruikte e-mailadressen van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] en [aandeelhouder eiseres] in deze e-mails zijn die van het account ‘ [e-mailadres] .nl’.

2.8.

De onderhandelingen tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn in het najaar van 2016 op niets uitgelopen.

2.9.

De samenwerking van [aandeelhouder eiseres] en [aandeelhouder gedaagde sub 1.] in [gezamenlijke VOF] is beëindigd per 1 december 2016. In het schriftelijke besluit van 28 november 2016 van de vennoten is slechts opgenomen dat de vof per die datum, conform artikel 12 sub a van de vof-overeenkomst, zal worden opgeheven.

2.10.

In mei 2017 heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] aan [aandeelhouder eiseres] verteld dat er gesprekken gaande zijn tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over een investering/overname.

2.11.

Op 22 december 2017 heeft (een dochter van) [bedrijf 2] het bedrijf [bedrijf 1] alsnog overgenomen. [gedaagde 2] heeft een vergoeding gedeclareerd van € 1.325.000,00 die in 2018 is voldaan door (die dochter van) [bedrijf 2] .

2.12.

Op 16 april 2019 heeft [bedrijf 2] aan de advocaat van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] bericht, voor zover van belang:

“ [aandeelhouder gedaagde sub 1.] ken ik al minstens 20 jaar. Hij werkte tot een tijdje geleden met [aandeelhouder eiseres] . Hoewel ik [aandeelhouder eiseres] ook al heel lang ken, heb ik zijn naam in mijn agenda, die zes jaar teruggaat, niet kunnen vinden. (…). [aandeelhouder gedaagde sub 1.] meldt zich minstens drie keer per jaar bij ons om over mogelijke investeringen te spreken. (…) [aandeelhouder gedaagde sub 1.] onderhoudt contacten met ondernemers die hij op een gegeven moment exclusief voor [bedrijf 2] onderhoudt. [bedrijf 1] is daar een voorbeeld van. (…) [aandeelhouder gedaagde sub 1.] zette mij in juni 2016 voor het eerst voor [medewerker bedrijf 1] , de directeur eigenaar van [bedrijf 1] . (…) Toen we in oktober onze waardering van tegen de 100 miljoen tegen [medewerker bedrijf 1] aanhielden konden we meteen ophouden met praten. [medewerker bedrijf 1] vond het veel te laag om over verkoop na te denken. In het voorjaar van 2017 had [medewerker bedrijf 1] wel besloten te verkopen. Ik ben toen opnieuw met hem in contact gekomen, rechtstreeks of via [aandeelhouder gedaagde sub 1.] , dat herinner ik me niet. Begin mei hebben we een NDA getekend (…). [aandeelhouder gedaagde sub 1.] is ons in die tijd gaan ondersteunen bij de onderhandelingen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na eiswijziging, om zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( i) Primair

Voor recht te verklaren dat de beëindigingsovereenkomst waardoor de VOF-overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] werd beëindigd, wordt vernietigd op grond van dwaling en dat [eiseres] krachtens de herleefde VOF-overeenkomst recht heeft op 50% van de door [gedaagde 2] gedeclareerde successfee.

Subsidiair

Voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] jegens [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten onder de VOF-overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede dat [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld.

Meer subsidiair

Voor recht te verklaren:

(a) dat uit hoofde van de VOF-overeenkomst, althans uit de daaraan verbonden post-contractuele goede trouw, beide (voormalige) vennoten van [gezamenlijke VOF] ieder voor 50%, dan wel in een verhouding als de rechtbank zal vermenen te behoren, gerechtigd zijn tot de baten voortvloeiend uit de [bedrijf 1] -prospect; althans

(b) dat de VOF-overeenkomst en/of de beëindigingsovereenkomst worden/wordt aangevuld met de bepaling dat de bate die voortvloeit uit de [bedrijf 1] -prospect op 50/50%-basis worden gedeeld door de (voormalige) vennoten van [gezamenlijke VOF] , dan wel op zodanige basis als de rechtbank zal vermenen te behoren; althans

(c) dat de op 28 november 2016 overeengekomen beëindiging van [gezamenlijke VOF] per 1 december 2016 met terugwerkende kracht tot 1 december 2016 ongedaan wordt gemaakt, althans voor wat betreft de [bedrijf 1] -prospect, alsmede

  • -

    ii) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 662.500,00, althans van zodanig bedrag als de rechtbank zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het aan [eiseres] verschuldigde bedrag vana 18 januari 2018, althans van zodanige datum als de rechtbank zal vermenen te behoren;

  • -

    iii) met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe – kort samengevat – dat de succesfee die [aandeelhouder gedaagde sub 1.] in 2017 kreeg voor de overname van [bedrijf 1] in redelijkheid toekomt aan [gezamenlijke VOF] . Bij de de beëindiging van [gezamenlijke VOF] heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] tegen [aandeelhouder eiseres] gezegd dat de deal tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] dood was. Dit bleek achteraf, zelfs al kort na de beëindiging van [gezamenlijke VOF] , niet het geval. [eiseres] heeft dan ook gedwaald bij de beëindiging van [gezamenlijke VOF] zonder daarin afspraken te maken over [bedrijf 1] . Verder heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bij de introductie van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] kennelijk niet gemeld dat hij met [eiseres] in een vof zat voor dit soort werkzaamheden en dat hij in dit geval namens [gezamenlijke VOF] optrad. Dit is onrechtmatig handelen van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] jegens [eiseres] . Daardoor is [gedaagde 1] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens medevennoot [eiseres] , dan wel heeft zij ook onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] . Op grond van de post-contractuele goede trouw, dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, dienen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de van [bedrijf 2] ontvangen successfee evenredig te delen met [eiseres] .

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiseres] zijn gericht op het verkrijgen van de helft van de vergoeding die (de dochter van) [bedrijf 2] aan [gedaagde 2] heeft betaald voor de werkzaamheden van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bij de overname van [bedrijf 1] . Aangezien [eiseres] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, draagt zij de stelplicht en, bij voldoende betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , de bewijslast van al die feiten, waarvan het vaststaan noodzakelijk is voor de toewijzing van haar vorderingen.

4.2.

[eiseres] heeft betoogd dat de [bedrijf 1] -prospect in 2016 als een immaterieel actief van [gezamenlijke VOF] moet worden beschouwd. Na de ontbinding en verdeling van [gezamenlijke VOF] heeft [bedrijf 2] de door [gezamenlijke VOF] voorgestelde overname van [bedrijf 1] in december 2017 toch afgerond, met bemiddeling van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] . [bedrijf 2] heeft [gedaagde 2] een vergoeding betaald voor de bemiddeling door [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bij die overname. Het in 2016 immateriële actief (zijnde de [bedrijf 1] -prospect) is in 2017 of 2018 dus alsnog een bate van [gezamenlijke VOF] geworden. Bij de beëindigingsovereenkomst hebben partijen niets opgenomen over een mogelijke toekomstige bate voortkomend uit de [bedrijf 1] -prospect, aldus steeds [eiseres] .

4.3.

Uit het bovenstaande wordt begrepen dat [eiseres] in haar eerste, primaire vordering zich beroept op dwaling over de verdeling van de goederen en schulden van [gezamenlijke VOF] bij de beëindiging van die vennootschap onder firma.

4.4.

De goederen en schulden van de ontbonden vennootschap [gezamenlijke VOF] vormen een bijzondere gemeenschap als bedoeld Titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:166 in verbinding met artikel 3:189 lid 2). De stellingen van [eiseres] komen in de kern erop neer dat de verdeling van [gezamenlijke VOF] bij de beëindiging per 1 december 2016 vernietigbaar is. Nietigheid of vernietigbaarheid van de verdeling van een bijzondere gemeenschap is geregeld in afdeling 3 van Titel 7 (de artikelen 3:195 tot en met 3:199 BW). In die afdeling is een bijzondere dwalingsregeling opgenomen (artikel 3:196 BW) en is verder bepaald dat de artikelen 6:228 tot en met 6:230 BW (de algemene dwalingregeling) niet van toepassing zijn op de nietige of vernietigbare verdeling van een (bijzondere) gemeenschap (artikel 3:199 BW). De bepalingen in deze afdeling zijn van dwingend recht.

4.5.

Vast staat dat [eiseres] niets heeft gekregen van de geldsom die [bedrijf 2] aan [gedaagde 2] heeft betaald voor de bemiddeling door [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bij de overname van [bedrijf 1] . [eiseres] heeft gesteld dat die geldsom een bate is die eigenlijk aan [gezamenlijke VOF] toekomt. Vernietiging van de verdeling van de goederen en schulden van [gezamenlijke VOF] op grond van dwaling is slechts aan de orde indien wordt vastgesteld dat [eiseres] voor meer dan een vierde is benadeeld bij de verdeling (artikel 3:196 lid 1 BW). Daartoe dient de waarde van de goederen en schulden der gemeenschap te worden geschat op het tijdstip van de verdeling (artikel 3:196 lid 3 BW). Dat tijdstip wordt vastgesteld op de dag dat de beëindigings-overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is gesloten, 28 november 2016.

4.6.

Over de mogelijke waarde van de [bedrijf 1] -prospect op het moment van de verdeling van [gezamenlijke VOF] op 28 november 2016 blijkt uit de stellingen van [eiseres] dat zij van mening is dat die waarde gelijk is aan de vergoeding die [gedaagde 2] in januari 2018 heeft ontvangen van [bedrijf 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat de [bedrijf 1] -prospect in november 2016 geen waarde had.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 1] in oktober 2016 een abrupt einde heeft gemaakt aan de op dat moment gaande overnamegesprekken met [bedrijf 2] (onder begeleiding van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] ). Uit alle feiten blijkt dat in de weken daarna geen verdere onderhandelingen hebben plaatsvonden tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] over een investering of overname. Onder deze omstandigheden heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] in redelijkheid mogen aannemen dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] er niet zouden uitkomen en de [bedrijf 1] -prospect ‘dood’ kunnen noemen.

4.8.

Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onweersproken betoogd dat [bedrijf 2] in december 2016 het initiatief heeft genomen om verder te praten met [bedrijf 1] , die vervolgens in januari 2017 aan [bedrijf 2] heeft bericht interesse te hebben in dergelijke vervolggesprekken met [bedrijf 2] . [eiseres] heeft niet concreet of gemotiveerd gesteld, en evenmin is daarvan gebleken, dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] of [gezamenlijke VOF] in die weken contact heeft gehad met [bedrijf 2] of [bedrijf 1] over een mogelijke voortzetting van de onderhandelingen.

4.9.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarnaast aangevoerd dat in deze markt (het samenbrengen van private investeerders en financiering wensende ondernemingen) geen vergoeding wordt uitgekeerd aan personen die slechts een kandidaat voor een mogelijke investering of overname hebben genoemd. Zelfs de onderneming en mogelijke investeerder bij elkaar introduceren, zoals [aandeelhouder gedaagde sub 1.] in het geval van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft gedaan in juni 2016, is onvoldoende om een vergoeding te krijgen. Een dergelijke betalingsverplichting jegens de bemiddelaar ontstaat pas als er een “letter of engagement” wordt gesloten, en de overname succesvol is afgerond, aldus steeds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

4.10.

[eiseres] heeft dit verweer niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat van deze gangbare praktijk in het maatschappelijk verkeer van private equity funding wordt uitgegaan.

4.11.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onweersproken aangevoerd dat [bedrijf 2] (en [bedrijf 1] ) in 2016 geen opdracht heeft gegeven aan [aandeelhouder gedaagde sub 1.] , dan wel [gezamenlijke VOF] , voor de bemiddeling door [aandeelhouder gedaagde sub 1.] . Vastgesteld wordt dan ook dat op 28 november 2016 geen enkele betalingsverplichting jegens [gezamenlijke VOF] (of [aandeelhouder gedaagde sub 1.] ) heeft gerust op [bedrijf 2] (of [bedrijf 1] ) ter zake een investering door [bedrijf 2] in [bedrijf 1] .

4.12.

[aandeelhouder gedaagde sub 1.] heeft aangevoerd dat de waarde van de [bedrijf 1] -prospect op 28 november 2016 dan ook dient te worden geschat op nihil. De door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden overtuigen niet van het tegendeel. [eiseres] heeft geen objectief gezien te volgen argument gegeven, waarom onder de hierboven beschreven omstandigheden de [bedrijf 1] -prospect op 28 november 2016 wel een waarde heeft gehad waarmee thans rekening dient te worden gehouden bij een door [eiseres] gewenste herverdeling van de goederen en schulden van [gezamenlijke VOF] .

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van benadeling van [eiseres] voor meer dan een vierde deel van de waarde van de goederen en schulden van [gezamenlijke VOF] . De stelling van [eiseres] , dat zij heeft gedwaald bij de beëindiging van [gezamenlijke VOF] , wordt dan ook niet gevolgd. De primaire vordering is dus niet toewijsbaar.

4.14.

Subsidiair heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, jegens medevennoot [eiseres] . Zij heeft daartoe betoogd dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] kennelijk in contact is getreden met [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zonder expliciet te maken dat hij voor zijn diensten namens [gezamenlijke VOF] optrad.

4.15.

[aandeelhouder gedaagde sub 1.] heeft dit alles betwist en gewezen op zijn mailcorrespondentie met [bedrijf 2] en verder op de schriftelijke verklaringen die de betrokken persoon bij [bedrijf 2] aan de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gestuurd (opgenomen onder 2.12). [bedrijf 2] heeft aan de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bericht kennis te hebben gehad dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] en [aandeelhouder eiseres] samenwerkten, maar dat hij in de laatste zes jaar slechts contact heeft gehad met [aandeelhouder gedaagde sub 1.] . Deze verklaring en de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde mailcorrespondentie tussen [aandeelhouder gedaagde sub 1.] en [bedrijf 2] weerspreken het hierboven opgenomen betoog van [eiseres] . Aan het feit dat [bedrijf 1] heeft bericht niet op de hoogte van de naam [aandeelhouder eiseres] te zijn, wordt geen doorslaggevend gewicht toegekend omdat [bedrijf 1] niet de partij is die de vergoeding voor bemiddeling door [aandeelhouder gedaagde sub 1.] (namens [gezamenlijke VOF] dan wel op eigen titel) heeft voldaan.

4.16.

Uit de feiten en omstandigheden van het geval kan dan ook niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de VOF-overeenkomst jegens [eiseres] of dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] , [gedaagde 2] of [gedaagde 1] bij de introductie van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] . De eerste, subsidiaire vordering is dus niet toewijsbaar.

4.17.

De meer subsidiaire vordering onder c (buiten werking stellen van de beëindigingsovereenkomst tot 1 december 2016, althans voor zover het de [bedrijf 1] -prospect betreft) is in wezen niets anders dan de primaire vordering (de vernietiging van de beëindigingsovereenkomst) en deelt dan ook het lot van de primaire vordering.

4.18.

De andere meer subsidiair ingestelde vorderingen betreffen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (het beroep van [eiseres] op de post-contractuele verhoudingen is een bijzondere variant van de werking van redelijkheid en billijkheid op hetgeen partijen zijn overeengekomen). [eiseres] heeft deze vorderingen gebaseerd op de volgende feiten; [aandeelhouder eiseres] heeft in februari 2015 de prospect [bedrijf 1] onder de aandacht van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] gebracht en [aandeelhouder gedaagde sub 1.] heeft bemiddeld bij de uiteindelijk succesvolle overname van [bedrijf 1] door (een dochter van) [bedrijf 2] .

4.19.

Bij de aanvullende werking op afspraken tussen partijen, ook na beëindiging van een hen over en weer bindende overeenkomst, dienen naast de aard en de strekking van die rechtsverhouding alle omstandigheden van het geval te worden betrokken.

4.20.

Daarbij wordt belang gehecht aan de redelijke bedoelingen van partijen bij de samenwerking en hetgeen zij eventueel daarover hebben vastgelegd in een overeenkomst. In dit geval is in het bijzonder van belang dat [eiseres] en [gedaagde 1] in de VOF-overeenkomst en in de beëindigingsovereenkomst geen concurrentiebeding hebben opgenomen, een dergelijk beding in de VOF-overeenkomst (zie 2.4) zelfs specifiek hebben laten vervallen. Daarover hebben partijen betoogd dat zij geen samenwerking op exclusieve basis hebben gewenst en dat zij gedurende de samenwerking vaker individueel hebben opgetreden in de financieringsmarkt. Dit wordt ook ondersteund door het feit dat [gezamenlijke VOF] jarenlang geen reële inkomsten heeft gegenereerd, terwijl alle betrokken partijen solvabel zijn gebleven. In dit verband is relevant dat sprake is van professionele partijen die al langere tijd actief zijn in deze markt en al langdurig met elkaar samenwerken.

4.21.

Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betoogd dat in dit specifieke geval geen voorstel voor een opdrachtovereenkomst (of letter of engagement) is opgemaakt door of namens [gezamenlijke VOF] voor de [bedrijf 1] -prospect. [eiseres] heeft dit betoog bevestigd.

4.22.

Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gewezen op de gang van zaken na oktober 2016, nadat [bedrijf 1] is weggelopen uit een onderhandelingsgesprek met [bedrijf 2] . Niet gesteld of gebleken is dat het initiatief van [bedrijf 2] in december 2016 of het antwoord daarop van [bedrijf 1] in januari 2017 het gevolg is geweest van enige handeling of actie van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] of [gezamenlijke VOF] , of dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] dan wel [gezamenlijke VOF] op enige wijze in december 2016 en januari 2017 betrokken is geweest bij het heropstarten van de onderhandelingen tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (zoals ook is overwogen onder 4.7).

4.23.

Andere relevante feiten en omstandigheden zijn reeds overwogen onder de beoordeling over de primaire vordering, specifiek onder 4.9 en 4.11.

4.24.

Uit het bovenstaande volgt dat de gebeurtenissen in 2017, waarbij [aandeelhouder gedaagde sub 1.] namens [gedaagde 2] heeft bemiddeld tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] over de overname van [bedrijf 1] , niet kunnen worden beschouwd als een voortzetting van zijn bemiddeling namens [gezamenlijke VOF] tussen diezelfde ondernemingen over hetzelfde onderwerp in 2016. Onder de gegeven omstandigheden is er een nieuw traject betreffende de rol en betrokkenheid van [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bij de onderhandelingen tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ingegaan in april 2017. Dat [aandeelhouder gedaagde sub 1.] bekend was bij [bedrijf 2] en [bedrijf 1] door de eerdere gespreksrondes in 2016, maakt dat niet anders. Hij heeft immers [bedrijf 2] vaker op persoonlijke titel geïnformeerd over mogelijke ondernemingen (zoals [bedrijf 2] schriftelijk heeft bericht aan de advocaat van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ). Bovendien heeft [aandeelhouder gedaagde sub 1.] in redelijkheid – mede gelet op hetgeen onder 4.20 is overwogen – die bemiddelingsrol in persoon kunnen en mogen aannemen zonder dit voor rekening van [gezamenlijke VOF] te doen.

4.25.

Onder deze omstandigheden wordt de stelling van [eiseres] , dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hem toekomt een deel van de vergoeding die aan [gedaagde 2] is voldaan door [bedrijf 2] , niet gevolgd. De meer subsidiair ingestelde vorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

4.26.

De grondslag voor de tweede vordering van [eiseres] (veroordeling tot betaling van de helft van de vergoeding die [gedaagde 2] heeft ontvangen van (een dochter van) [bedrijf 2] ) volgt uit een toewijzing van de eerste vordering. Aangezien alle primair, subsidiair en meer subsidiair ingestelde vorderingen onder i) worden afgewezen, is de tweede vordering evenmin toewijsbaar.

4.27.

De slotsom is dat alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op:

- griffierecht

4.030,00

- salaris advocaat

6.198,00

Totaal

10.228,00

De na dit vonnis te ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot en toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 10.228,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart bovenstaande kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, rechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.