Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2020
Datum publicatie
26-01-2022
Zaaknummer
8169454
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. 1:88/1:89 BW. Vereisten van de verzonden vernietigingsbrief. Getuigenverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 8169454 DX EXPL 19-95

vonnis van: 14 mei 2020

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] , erfgenaam van [naam erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. Van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

De procedure

in conventie en in reconventie

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 november 2019 van [eiser] , met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Dexia, met producties.

  • -

    Bij tussenvonnis van 9 januari 2020 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van [eiser] , met een productie,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Dexia,

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van [eiser] .

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie

De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken [eiser] vast:

2.1. Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2. [naam erflater] (hierna: [naam erflater] ) heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnr. 1]

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ

II.

[contractnr. 2]

29-04-1998

Feestplan II

120 mnd

ƒ 100.344,80

2.3. Dexia heeft met betrekking tot deze lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

26-03-2001

+ € 404,54

nvt

II.

01-07-2005

- € 2.901,63

ja

2.4. [eiser] heeft [naam erflater] , met wie zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van deze lease-overeenkomsten.

2.5. Bij brief van 10 april 2003 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [eiser] een beroep gedaan op artikel 1:89 BW gericht op vernietiging van de lease-overeenkomsten.

3 Vordering

3.1

[eiser] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de lease-overeenkomsten door de vernietigingsbrief buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze te vernietigen en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze lease-overeenkomsten is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. Ten slotte vordert [eiser] Dexia te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4 Standpunten van [eiser]

4.1

stelt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus haar toestemming behoefden ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat zij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomsten rechtsgeldig kunnen vernietigen.

4.2.

Dexia betwist de vorderingen van [eiser] . Daartoe stelt zij zich voor zover hier van belang op het standpunt dat de vordering tot vernietiging van de lease-overeenkomsten
is verjaard.

5 Vordering in reconventie

5.1.

Dexia vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat al de in geding zijnde lease-overeenkomsten (waaronder mede begrepen de lease-overeenkomst met nummer [contractnr. 3] ) rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop aan de zijde van [eiser] een beroep kan worden gedaan. Dexia vordert verder dat zij bij vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad € 548,00 en dat, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat [eiser] terzake van al de afgesloten overeenkomsten niet werd blootgesteld aan een risico op een onaanvaardbare financiële last en dat Dexia niets meer aan [eiser] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [eiser] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

5.2.

[eiser] voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van Dexia.

6 Beoordeling van de vorderingen

Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW

6.1.

Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en
9 juli 2010 (LJN BM3868) worden de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop.

6.2.

Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten van toepassing is, zodat [eiser] voor het aangaan van deze lease-overeenkomsten de toestemming van [naam] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [naam] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

Verjaring

7.1.

Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard.

De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [naam] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten.

7.2.

Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

7.3.

Dexia heeft dienaangaande eerst aangevoerd dat bij brief van 10 april 2003 de in geding zijnde overeenkomst I niet wordt genoemd. Uit dit schrijven valt niet af te leiden dat [naam] de vernietiging van deze overeenkomst voor ogen stond, aldus Dexia.

7.4.

[eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat zij bij brief van 10 april 2003 wel degelijk de onderhavige overeenkomst I heeft vernietigd in de zin van artikel 1:88/1:89 BW. Immers, zij heeft duidelijk bedoeld al de tussen [naam erflater] en Dexia gesloten overeenkomsten buitengerechtelijk te vernietigen.

7.5.

De vraag die thans allereerst dient te worden beantwoord is of [eiser] bij brief van 10 april 2003 een beroep op de vernietigbaarheid heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:89 BW met betrekking tot al de in geding zijnde lease-overeenkomsten.

Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Weliswaar beroept [eiser] zich op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW ten aanzien van de specifiek door haar genoemde overeenkomst met nummer [contractnr. 2] , maar in dit schrijven heeft [eiser] niet verwezen – ook niet in algemene termen – naar andere nog bestaande overeenkomsten. Onder deze specifieke omstandigheden heeft Dexia niet behoeven te begrijpen dat [eiser] ook bedoeld heeft de lease-overeenkomst I buitengerechtelijk te vernietigen.

Bij inleidende dagvaarding heeft [eiser] voor het eerst een beroep op de vernietigbaarheid gedaan als bedoeld in artikel 1:89 BW met betrekking tot de lease-overeenkomst I. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat zij in ieder geval in april 2003 bekend was met deze overeenkomst, zodat de verjaringstermijn in elk geval bij dagvaarding reeds was verstreken. Dat betekent dat de vordering van [eiser] met betrekking tot de lease-overeenkomst I niet toewijsbaar is.

7.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

7.7.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

7.8.

Vastgesteld wordt dat de lease-overeenkomst II méér dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering zijn afgesloten. Dat betekent dat bovengenoemd arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is indien [naam] op
13 maart 2000 bekend was met de lease-overeenkomst II.

7.9.

Dexia heeft ter onderbouwing dat haar beroep op verjaring onder meer nog aangevoerd dat betalingen van de op grond van de lease-overeenkomst II verschuldigde bedragen hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke en/of-rekening die op naam van [eiser] en [naam erflater] stond. Daaruit volgt volgens Dexia dat [naam erflater] op de hoogte was van de lease-overeenkomst II, met ingang van de (oudste) ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld.

7.10.

[eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat hoewel de betalingen aan Dexia werden gedaan vanaf onder meer een gezamenlijke en/of-rekening op beider naam, zij niet voor april 2003 op de hoogte is gesteld dat deze overeenkomst(en) waren gesloten met Dexia. [eiser] stelt dat zij eerst op de hoogte is geraakt van de overeenkomsten toen zij een vernietigingsbrief moest ondertekenen. Zij opende geen bankpost en heeft geen door [naam erflater] gedane betalingen aan of van Dexia gezien. Post van Dexia is haar niet opgevallen. De belastingaangifte werd gedaan door [naam erflater] . [naam] bekeek deze aangifte niet inhoudelijk.

7.11.

Het voorgaande wettigt het (bewijs)vermoeden dat [naam] onder meer door kennisname van één of meer bankafschriften ten aanzien van de lease-overeenkomst II meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van deze lease-overeenkomst II, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd.

7.12.

[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld aan te geven óf en zo ja hoe zij tegen dit vermoeden tegenbewijs wil leveren. Voor zover zij daarbij getuigen wenst te horen, zal dat op een nog te plannen getuigenverhoor plaatsvinden. Indien [eiser] het gevraagde tegenbewijs op andere wijze wil leveren, zal zij hiertoe zoals hieronder beschreven in de gelegenheid worden gesteld. Indien [eiser] afziet van bewijslevering, zal de zaak voor vonnis op de rol worden geplaatst.

7.13.

Indien [eiser] erin slaagt het bewijsvermoeden te ontzenuwen, wordt ervan uitgegaan dat de lease-overeenkomst II tijdig is vernietigd en geldt het volgende.

7.14.

Er is dan sprake van een rechtsgeldige vernietiging en al de door [naam erflater] gedane betalingen aan Dexia ter zake van de lease-overeenkomst II dienen te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen hij ter zake van deze lease-overeenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden en overige uitkeringen.

7.15.

Indien [eiser] er niet in slaagt het bewijsvermoeden te ontzenuwen, zal haar beroep van Dexia op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid slagen en zal zijn beroep op artikel 1:88 BW worden afgewezen.

De reconventionele vordering van Dexia terzake van de lease-overeenkomsten zal dan aan de orde komen. In dat geval wordt eveneens hetgeen Dexia bij haar eis heeft gesteld en gevorderd terzake de lease-overeenkomsten met nummers [contractnr. 1] en [contractnr. 3] aan de orde gesteld.

7.16.

Dexia heeft nog aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake zou zijn van misbruik van recht ex artikel 6:278 BW, waarbij op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van een verplichting tot ongedaanmaking van de prestaties om te profiteren van een ten gunste van de afnemer gewijzigde waardeverhouding.

Dienaangaande wordt overwogen dat het aannemen daarvan zou strijdig zijn met de strekking van artikel 1:88 BW om de andere echtgenoot te beschermen. Volgens artikel 6:278 BW is de partij die de stoot tot ongedaanmaking geeft van een reeds uitgevoerde overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich te haren gunste heeft gewijzigd, verplicht door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen indien aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging niet de stoot tot ongedaanmaking zou hebben gegeven. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie wordt overwogen dat artikel 6:278 BW niet rechtstreeks van toepassing is, aangezien de stoot tot ongedaanmaking niet door een partij bij de overeenkomst gegeven is, maar door een derde, namelijk de echtgenote van [eiser] . Als artikel 6:278 BW analoog zou worden toegepast, zou de beschermende functie van artikel 1:88 BW worden ontkracht. Daarom is in dit geval voor toepassing van het beginsel van artikel 6:278 BW geen plaats.

7.17.

Voor het geval de partij aan wie (tegen)bewijs is opgedragen in verband daarmee getuigen wil doen horen, geldt het volgende.

7.18.

Indien in effectenleasezaken zoals de onderhavige getuigen worden gehoord, zijn dat over het algemeen eiseres zijn dan wel familieleden of bekenden. Deze personen zijn als partij dan wel direct belanghebbende bij deze procedure betrokken.

7.19.

Voor de (eind)beslissing en/of de waardering van het getuigenbewijs en eventuele andere bewijsmiddelen zijn een groot aantal feiten relevant, die betrekking hebben op de (financiële) huishouding van de contractant en zijn of haar echtgeno(o)t(e) of partner, daaronder begrepen de bronnen van inkomsten, de bankrekeningen, de belastingopgaven en de taken die elk van betrokkenen in die huishouding daarbij vervulde. Voorts zijn daarvoor van belang feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de (wijze van) totstandkoming van de in het geding zijnde overeenkomsten.

7.20.

Het grote aantal effectenlease-procedures waarin naar aanleiding van een beroep op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid ex artikel 1:88/89 BW een enquête dient te worden gehouden brengt het risico mee dat niet voldoende wordt voldaan aan een eis van behoorlijke rechtspraak, te weten de eis dat binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan. Dat rechtvaardigt een extra inspanning om de procedure – en de enquête als onderdeel daarvan – zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Het feit dat in deze procedures aan de getuigen steeds naar dezelfde soort feiten en omstandigheden pleegt te worden gevraagd – en er dus in belangrijke mate sprake is van voorspelbare standaardvragen – biedt de mogelijkheid van tijdwinst, omdat dit het mogelijk maakt om reeds vóór de enquête schriftelijke antwoorden van de (toekomstige) getuigen op die vragen te verkrijgen. Hetzelfde geldt voor schriftelijke verklaringen van de getuigen over bijzondere feiten en omstandigheden waarvan zij weten dat die in de voorafgaande processtukken onderdeel van de partijdiscussie hebben gevormd. Tijdens de enquête zullen de getuigen hun schriftelijke verklaringen onder ede kunnen bevestigen. Voorts zullen beide partijen de getuigen onder ede kunnen doen horen, al dan niet naar aanleiding van hun schriftelijke verklaringen.

7.21.

Bij de bewijswaardering zal de rechter rekening houden met de vraag of aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen afbreuk wordt gedaan door het bestaan en de wijze van totstandkoming van de schriftelijke verklaringen (HR 23 december 2016, ECLI:NL:2016:2986). Daarbij zal echter tevens van belang zijn dat de getuigen, die (formeel dan wel materieel) partij bij de procedure zijn, ook zonder afgifte van schriftelijke verklaringen voorafgaande aan de enquête reeds goed op de hoogte zullen zijn van de feiten waarop het onderzoek zich richt en van hetgeen hen over en weer daarover bekend is.

7.22.

Het voorgaande geldt zowel in het geval Dexia de bewijslast heeft en in dat verband de contractant en/of de echtgenoot als getuigen wil doen horen, als in het geval de contractant en/of de echtgenoot zichzelf willen doen horen in het kader van het leveren van tegenbewijs.

7.23.

Gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar artikel 22 Rv verzoekt de kantonrechter de gemachtigde van eiseres om – uiterlijk een week voorafgaande aan de nader te bepalen dag van de enquête – afzonderlijke schriftelijke verklaringen over te leggen van zowel eiseres f van eventuele andere getuigen, waarin in elk geval antwoord wordt gegeven op de hierna geformuleerde vragen. Indien het niet mogelijk is van (een van) deze personen een schriftelijke verklaring over te leggen wordt de gemachtigde verzocht de reden daarvan schriftelijk mede te delen.

Om onnodige afbreuk aan de waarde van de schriftelijke verklaringen te vermijden wordt deze gemachtigde verzocht er zorg voor te dragen dat ieder van de getuigen de vragen beantwoordt en de verklaring met de antwoorden ondertekent buiten aanwezigheid van de ander. Behalve over de inhoud van de verklaringen zullen betrokkenen ook over de wijze van totstandkoming daarvan onder ede kunnen worden gehoord.

7.24.

De hierna te formuleren vragen hebben betrekking op de periode gelegen tussen het moment van aangaan van de betreffende overeenkomst(en) en het verzenden van de vernietigingsbrief. Waar sprake is van echtgenoot wordt waar toepasselijk bedoeld de echtgenote en de geregistreerd partner. De vragen waarop een antwoord wordt verwacht zijn:

  1. Hoe was in de betreffende periode de samenstelling van het gezin van de contractant en de echtgenoot, en wat was hun beroep en leeftijd (en het beroep/de opleiding en leeftijd van eventuele kinderen)?

  2. Op welke wijze is (zijn) het (de) in de procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna: de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?

  3. Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaan?

  4. Op welk tijdstip, op welke wijze en op welke plaats kreeg de echtgenoot (niet zijnde de contractant) wetenschap van het bestaan van de contracten?

  5. Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot?
    En per bankrekening:
    - op welke na(a)m(en) was deze gesteld,
    - wie had daarvan een pas?
    - voor welke uitgaven/betalingen werd deze bankrekening gebruikt?

  6. Welke inkomsten(bronnen) hadden de contractant en de echtgenoot en op welke bankrekening(en) werden deze inkomsten gestort?

  7. Wie verzorgde in het betreffende huishouden de financiële administratie en op welke wijze gebeurde dat?

  8. Wie van beiden (contractant en echtgenoot) deed welke soort betalingen?

  9. Wie van beiden (contractant en echtgenoot) opende(n) enveloppen met bankdagafschriften? Waar werden deze opgeborgen? Wie van beiden heeft ooit (hetzij na ontvangst, hetzij op een later tijdstip) inzage gehad in een of meer bankafschriften?

  10. Wie verzorgde de belastingaangifte van de contractant en de echtgenoot, en wie ondertekende deze?

  11. Hebben de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een hypothecaire lening of andere lening afgesloten? En is daarbij de aanwezigheid van de contracten aan de orde gekomen?

  12. Hadden de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een pensioenvoorziening, een lijfrentepolis, een belegging in aandelen of een soortgelijke vermogensvoorziening?

  13. Over welke uitgaven beslisten de contractant en de echtgenoot gezamenlijk?

  14. In het geval in de voorafgaande processtukken sprake is geweest van bijzondere feiten en omstandigheden die naar aanleiding van het beroep op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid onderdeel van de partijdiscussie zijn geweest: Wat kunnen de contractant respectievelijk de echtgeno(o)t(e) verklaren over die feiten en omstandigheden en waaraan ontlenen zij hun wetenschap ?

7.25.

De schriftelijke verklaringen dienen met gelijke post aan Dexia te worden gezonden.

7.26.

In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Beslissing

In conventie en in reconventie

De kantonrechter:

I. stelt [eiser] in de gelegenheid om tegen het bewijsvermoeden als geformuleerd in r.o. 7.11. tegenbewijs te leveren;

II. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 mei 2020 voor uitlating door [eiser] of zij tegenbewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

III. bepaalt dat [eiser] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel nadere bewijsstukken wil overleggen, die stukken op de rol van 28 mei 2020 in het geding moet brengen, onder gelijktijdige toezending daarvan aan Dexia;

IV. bepaalt dat indien [eiser] getuigen wil laten horen, zij de namen van de getuigen dient op te geven en beide partijen hun verhinderdata (tot 3 maanden na de hierna te noemden roldatum) bij akte dienen mee te delen op de rol van 3 september 2020;

V. bepaalt dat indien [eiser] getuigen wil laten horen, dit in beginsel zal gebeuren op een nader te bepalen enquête;

VI. bepaalt [eiser] , indien in de onderhavige procedure (tegen)bewijs door getuigen zal worden geleverd, uiterlijk een week voorafgaande aan de nader te bepalen dag van de enquête afzonderlijke schriftelijke verklaringen aan de rechtbank dient te zenden van zowel de contractant bij de onderhavige effectenleaseovereenkomsten als van zijn of haar echtgenoot en eventueel andere te horen personen, waarin antwoord wordt gegeven op de in r.o. 7.24. geformuleerde vragen, onder gelijktijdige toezending daarvan aan de andere partij;

VII. houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.