Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7536

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
26-11-2021
Zaaknummer
C/13/692003 / HA RK 20-302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Spoorwisselbeschikking in de zaak van chauffeurs tegen Uber. Zie de beschikking van 11 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2022/2 met annotatie van Vesters, D.J.A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/692003 / HA RK 20-302

Beschikking van 3 december 2020

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),

3. [verzoeker 3],

wonende te [woonplaats 3] (Verenigd Koninkrijk),

4. [verzoeker 4],

wonende te [woonplaats 4] (Portugal),

verzoekers,

advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UBER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekers] (in enkelvoud) en Uber worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 12 november 2020,
- de akte uitlating van [verzoekers] ,
- de akte inhoudende het verzoek tot gedeeltelijke verwijzing van de verzoekschriftprocedure naar de dagvaardingsprocedure op grond van artikel 69 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Uber.
1.2. De beschikking is bepaald op heden.

1.3.

Nadat de datum voor de beschikking was bepaald heeft de rechtbank op 30 november 2020 een e-mail van mr. Ekker ontvangen die hij met instemming van mr. Potjewijd heeft verzonden. In deze e-mail wordt verwezen naar de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 1 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2332).

2 De beoordeling

2.1.

In de tussenbeschikking van 12 november 2020 heeft de rechtbank partijen verzocht zich bij akte uit te laten over het voorshandse oordeel dat de in het verzoekschrift van [verzoekers] genoemde verzoeken onder I., II., V. en mogelijk ook III. niet voor inhoudelijke behandeling in deze verzoekschriftprocedure in aanmerking komen, maar ingevolge het bepaalde in artikel 69 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) moeten worden verwezen naar de dagvaardingsprocedure.

2.2.

[verzoekers] verzet zich tegen verwijzing en voert daartoe het volgende aan. De verzoeken hebben betrekking op artikel 22 van de Algemene Verordering Gegevensbescherming (AVG). Uit de woorden ‘het verzoek’ en ‘het verzoekschrift’ in artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) volgt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om dit soort verzoeken onder te brengen in de verzoekschriftprocedure. Verwijzing zou dan ook indruisen tegen de bedoeling van de wetgever om de procedure zo laagdrempelig mogelijk te maken. Voor verzoekers is snelheid van de procedure een factor van belang, aangezien zij door de deactivering van hun accounts inkomsten mislopen. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de verzoeken, kunnen de onder I. gevraagde verklaring voor recht en de verzoeken onder II. en III.worden behandeld in de verzoekschriftprocedure.
Het verzoek onder V. kan, ingevolge het bepaalde in artikel 35 lid 5 AVG, eveneens in de verzoekschriftprocedure worden behandeld, aldus steeds [verzoekers]

2.3.

Uber betoogt dat de verzoeken onder I., II., III. en V. voortvloeien uit de tussen [verzoekers] en Uber gesloten overeenkomsten, waarin bovendien een forumkeuze ten gunste van een ander gerecht dan de rechtbank Amsterdam respectievelijk een arbitraal beding is opgenomen en deels ook een rechtskeuze ten gunste van ander recht dan het Nederlandse is gedaan. De verzoeken hebben primair tot doel de deactivatie van de gebruikersaccounts ongedaan te maken. Die verzoeken vallen buiten de reikwijdte van artikel 35 UAVG. De schadevergoeding die in het kader van artikel 82 AVG kan worden verzocht ziet specifiek op materiële of immateriële schadevergoeding ten gevolge van schendingen van de AVG. De door [verzoekers] verzochte schadevergoeding ten aanzien van de vraag of Uber de accounts van [verzoekers] had mogen deactiveren als gevolg van frauduleus handelen en de gevolgen voor die accounts, dient te worden beoordeeld in de dagvaardingsprocedure.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat de in het verzoekschrift genoemde verzoeken van [verzoekers] onder I., II. en V. zich niet lenen voor beoordeling in een verzoekschriftprocedure. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.5.

Voorop staat dat ingevolge artikel 78 lid 1 jo. artikel 261 lid 2 Rv de dagvaardingsprocedure de algemene procedure is die moet worden gevolgd, tenzij uit de wet voortvloeit dat de verzoekschriftprocedure van toepassing is. Slechts op grond van een concrete wetsbepaling is de verzoekschriftprocedure van toepassing. Een dergelijke uitzonderingsbepaling leent zich voor restrictieve toepassing. Artikel 35 UAVG is een van die uitzonderingen. Met dit artikel heeft de wetgever voorzien in een verzoekschriftprocedure voor een specifiek bevel.

2.6.

Ingevolge artikel 35 lid 1 UAVG kan de belanghebbende de rechtbank verzoeken de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 AVG alsnog toe of af te wijzen. Deze bepalingen zien onder meer op inzagerecht, recht op rectificatie, het wissen van gegevens en het beperken van de verwerking daarvan. Het verzoek van [verzoekers] onder IV. betreft een een verzoek tot inzage van persoonsgegevens en van het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming als bedoeld in artikel 15 lid 1 aanhef en sub h. jo. artikel 22 AVG. De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever voor het bevel op basis van verzoeken ex artikel 15 tot en met 22 AVG voor de verzoekschriftprocedure heeft gekozen omdat deze in het algemeen inderdaad, zoals [verzoekers] betoogt, als laagdrempeliger, eenvoudiger, informeler en korter wordt beschouwd en waarbij in dit geval bovendien een uitzondering is gemaakt op de anders bij de rechtbank verplichte procesvertegenwoordiging (artikel 35 lid 4 UAVG). Dit om op snelle en eenvoudige wijze vast te stellen of en zo ja welke, en op welke wijze, persoonsgegevens worden verwerkt en waarbij het eventueel te geven bevel aan de verwerkingsverantwoordelijke om het verzoek om inzage, rectificatie, wissing of beperking alsnog toe te wijzen kan worden versterkt met een dwangsom (artikel 35 lid 5 UAVG).

2.7.

De onder I. gevraagde vernietiging van verschillende besluiten van Uber en de verklaring voor recht dat Uber onrechtmatig heeft gehandeld en de onder II. gevraagde ongedaanmaking van de deactivering van de Uber-accounts van [verzoekers] alsmede de verzochte andere maatregelen die tot strekking hebben dat [verzoekers] hun werk als Uber-chauffeur kunen hervatten, gaan het bestek van de verzoekschriftprocedure ex artikel 35 UAVG te buiten. De rechter kan in de procedure ex artikel 35 UAVG immers slechts bevelen dat een verzoek als bedoeld in artikel 15 tot en met 22 AVG alsnog moet worden toe- of afgewezen. Uber heeft er bovendien terecht op gewezen dat deze verzoeken betrekking hebben op de contractuele gevolgen van het besluit van Uber om de accounts te deactiveren. De rechtbank volgt [verzoekers] niet in de getrokken parallel met vorderingen in verband met het eindigen van de arbeidsovereenkomst die bij verzoekschrift aan de kantonrechter moeten worden voorgelegd waarbij in dezelfde procedure ook een verklaring voor recht in verband met dat eindigen kan worden behandeld, omdat daar de beoordeling juist niet verder gaat dan hetgeen toch al bij verzoekschrift aan de kantonrechter is en moet worden voorgelegd. Dat is hier dus anders. Dit betekent dat de verzoeken onder I. en II. worden verwezen naar de dagvaardingsprecdure.

2.8.

[verzoekers] heeft ten aanzien van de onder III. verzochte schadevergoeding verwezen naar de beschikking van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:2332). [verzoekers] voert aan dat in deze uitspraak is bepaald dat een verzoek tot schadevergoeding (ook) kan worden meegenomen in de verzoekschriftprocedure ex artikel 46 van de (oude) Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Nu artikel 35 UAVG inhoudelijk grotendeels identiek is aan de inmiddels vervallen artikelen 45 en 46 Wbp betekent dit dat ook in deze verzoekschriftprocedure om schadevergoeding kan worden verzocht, aldus [verzoekers]

2.9.

De rechtbank is met [verzoekers] van oordeel, dat ook naar huidig recht, ondanks het feit dat artikel 82 AVG niet is genoemd in artikel 35 UAVG, niet uitgesloten is dat (materiële en immateriële) schadevergoeding ex artikel 82 AVG – die blijkens punt 146 van de considerans bij de AVG volledig en daadwerkelijk moet zijn –, indien deze wordt gevraagd bij hetzelfde verzoekschrift dat het verzoek ex artikel 35 UAVG bevat, in die procedure ook behandeld en toegekend kan worden. Dat neemt niet weg dat, zoals ook uit de onder 2.8 genoemde beschikking blijkt, deze mogelijkheid is gegeven, omdat de oorspronkelijke reden om dat niet mogelijk te maken (te weten dat de bewijsregeling naar toenmalig recht van de verzoekschriftprocedure hierop niet was afgestemd) intussen was vervallen door invoering van (het huidige) artikel 284 lid 1 Rv, waarin is bepaald dat het bewijsrecht van de dagvaardingsprocedure ook in de verzoekschriftprocedure van toepassing is. Daarbij past de kanttekening dat het slot van die bepaling luidt: “tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet”. Dit is met name van belang gezien hetgeen hiervoor is overwogen over de procedure ex artikel 35 UAVG dat deze snel en eenvoudig moet verlopen, terwijl begroting van schade doorgaans niet snel en eenvoudig geschiedt. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek tot vergoeding van schade in een verzoekschriftprocedure ex artikel 35 UAVG alleen kan worden behandeld voor zover schade is geleden als gevolg van een (vaststaande of eenvoudig vast te stellen) rechtstreekse inbreuk op een of meer bepalingen van de AVG, deze schade niet in een verder verwijderd verband hiermee staat en eenvoudig valt vast te stellen. Het zal dan dikwijls gaan om vergoeding van kosten die verzoeker heeft gemaakt als gevolg van met de bepalingen van de AVG strijdige handelingen van de verwerker of verwerkingsverantwoordelijke, zoals de rechtspraak tot nu toe ook uitwijst. Vergoeding van inkomensschade zal hier in de regel buiten vallen, evenals, zoals hier eveneens verzocht, vergoeding van overige schade als gevolg van deactivering van het Uber-account van verzoekers, nog daargelaten dat dit in deze zaak mogelijk naar ander recht dan het Nederlandse beoordeeld dient te worden. Hiervoor blijft de gewone (dagvaardings)procedure open staan. De procedurevorm staat dus los van de materiële aanspraak ingevolge artikel 82 AVG. De rechtbank zal [verzoekers] in de gelegenheid stellen zich op de mondelinge behandeling van deze zaak op 16 december 2020 nader uit te laten over in hoeverre sprake is van een rechtstreekse inbreuk op een of meer bepalingen van de AVG en daardoor veroorzaakte eenvoudig vast te stellen schade. Het verzoek onder III. zal voor het overige worden verwezen naar de dagvaardingsprocedure.

2.10.

Het verzoek onder V., voor zover wordt verzocht dwangsommen aan een ander bevel dan dat sub IV. genoemd te verbinden, wordt op de voet van het bepaalde in artikel 69 Rv eveneens verwezen naar de dagvaardingsprocedure.

2.11.

In de dagvaardingsprocedure zal in zoverre als de zaak daarnaar wordt verwezen het verzoekschrift van 26 oktober 2020 als dagvaarding worden aangemerkt. [verzoekers] wordt in de gelegenheid gesteld op de hierna genoemde roldatum bij akte het verzoekschrift te verbeteren of aan te vullen, zoals bepaald in artikel 69 lid 1 Rv.

2.12.

Nu Uber in deze procedure reeds (bij advocaat) is verschenen, is afzonderlijke oproeping bij exploot niet nodig. Mocht Uber op de hierna genoemde roldatum niet verschijnen, dan zal tegen haar verstek worden verleend.

2.13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.14.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt voor wat betreft de verzoeken onder I.,II., III. (behoudens in zoverre als hiervoor onder 2.9 bepaald) en V. (in zoverre als hiervoor onder 2.10 bepaald), zo nodig onder verbetering of aanvulling door [verzoekers] op eigen kosten als bedoeld in artikel 69 lid 1 Rv, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,

3.2.

verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van woensdag 20 januari 2021,

3.3.

wijst partijen erop dat zij in de dagvaardingsprocedure alleen bij advocaat kunnen verschijnen en voortprocederen en dat afwijkende griffierechten van toepassing zijn die tevens van verweerster worden geheven,

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.J. van Leeuwen, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. Z.S. Lintvelt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2020.