Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:742

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
13/752090-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Door een opgeëiste persoon verleende machtiging aan zijn advocaat om hem ter zitting te vertegenwoordigen, zich in beginsel ook uitstrekt over eventuele plaatsvervangers of waarnemers van die advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752090-19

RK nummer: 19/7149

Datum uitspraak: 6 februari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2019 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 januari 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M Asbroek en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the District Court in Trzcieanka (Polen) van 11 december 2017 (II K 207/17), dat in hoger beroep is bevestigd in een judgment of the Regional Court in Poznań (Polen) van 19 april 2018 (IV Ka 244/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vier maanden en 26 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het arrest heeft geleid.

De rechtbank merkt op dat als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, alleen de laatste van die beslissingen aan artikel 12 OLW getoetst moet worden, zover althans bij die beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.1


De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit twee brieven heeft verstuurd over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de behandeling(en) ter terechtzitting. De brief van 28 november 2019 heeft betrekking op de procedure in eerste aanleg. De brief van 11 december 2019 heeft, naast de procedure in eerste aanleg, ook betrekking op de procedure in hoger beroep. In deze brief van 11 december 2019 wordt uitdrukkelijk een onjuistheid uit de eerdere brief gecorrigeerd (namelijk dat - anders dan in die eerdere brief is vermeld - de opgeëiste persoon ook in eerste aanleg werd vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsvrouw). Dit sluit aan bij de informatie in het EAB onder D. 2). Daarom zal de rechtbank laatstgenoemde brief als uitgangspunt nemen.


Uit de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 december 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet op zitting aanwezig was. Wel had hij een advocaat gemachtigd om hem op zitting te vertegenwoordigen. In de procedure in hoger beroep is een plaatsvervanger van de gemachtigde advocaat verschenen.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 mei 2019 bepaald dat een door een opgeëiste persoon verleende machtiging aan zijn advocaat om hem ter zitting te vertegenwoordigen, zich in beginsel ook uitstrekt over eventuele plaatsvervangers of waarnemers van die advocaat.2 De rechtbank is daarom van oordeel dat in het geval van de opgeëiste persoon de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Poolse rechtsstaat’)

De rechtbank merkt op dat de raadsman ter zitting geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die zien op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die er toe hebben geleid dat hij - in het licht van de ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces heeft gehad. De rechtbank zal daarom, met verwijzing naar haar uitspraak van
16 januari 20203, niet overgaan tot het stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beoordeling van de derde vraag (stap 3).

De rechtbank heeft aldus niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing


STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Poznań (Polen).


Aldus gedaan door

mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en D.C. van Reekum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Vergelijk: HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).

2 ECLI:NL:RBAMS:2019:4868.

3 ECLI:NL:RBAMS:2020:184.