Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
13/752017-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Rechtsmiddel van revisie valt niet onder reikwijdte van artikel 12 OLW. Samenloop EAB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752017-19

RK nummer: 19/6345

Datum uitspraak: 6 februari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2019 en gecorrigeerd op 16 december 2019 door het Landgericht Potsdam (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 24 december 2019 en 23 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Berkel, advocaat te
‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van het Landgericht Potsdam van 2 juli 2014, rechtsgeldig sinds 25 februari 2015 (24 KLs 10/14).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 872 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, moet alleen de laatste van die beslissingen aan artikel 12 OLW getoetst worden, zover althans bij die beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.1

Uit het EAB en een e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 november 2019 en een brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen op 10 december 2019 kan het volgende worden afgeleid. De opgeëiste persoon heeft bij het Bundesgerichtshof het rechtsmiddel van revisie ingesteld tegen het vonnis van het Landgericht Potsdam. Het rechtsmiddel betrof een schriftelijke procedure zonder zitting. Daarom is de opgeëiste persoon in deze procedure niet opgeroepen voor of aanwezig geweest bij een zitting. In de schriftelijke procedure werd de opgeëiste persoon vertegenwoordigd door de advocaat die door de opgeëiste persoon was gemachtigd. De uitspraak van het Bundesgerichtshof is, met vertaling, in persoon aan de opgeëiste persoon betekend.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon geen hoger beroep, maar het rechtsmiddel van revisie heeft ingesteld en dat deze procedure - waarin de zaak niet in feite en in rechte ten gronde wordt behandeld – bij het Bundesgerichtshof niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van het Landgericht Potsdam heeft geleid, de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Samenloop EAB’s

De rechtbank constateert dat sprake is van samenloop van het onderhavige EAB met het tegen de opgeëiste persoon uitgebrachte EAB van 16 november 2019 van The Circuit Court in Gorzow Wielkopolski, the 2nd Criminal Division (Polen). De rechtbank zal eveneens bij uitspraak van heden de overlevering op basis van dit Poolse EAB toestaan (parketnummer: 13/752254-19).

De officier van justitie heeft ter zitting te kennen gegeven dat voorrang dient te worden gegeven aan uitvoering van het onderhavige EAB. Daartoe heeft zij aangevoerd dat als de opgeëiste persoon eerst naar Polen zou worden overgeleverd, Polen overlevering aan Duitsland vervolgens zou kunnen weigeren omdat Polen eigen onderdanen niet overlevert ter executie van een onherroepelijk vonnis. Verder heeft de officier van justitie gewezen op de ernst van het feit dat ten grondslag ligt aan het Duitse EAB en op het feit dat dit Duitse EAB van eerdere datum is dan het Poolse EAB. De raadsman kon zich in deze keuze vinden.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot haar keuze heeft kunnen komen en zal de verzochte voorrang in deze uitspraak bevestigen.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Potsdam (Duitsland).

BEVESTIGT dat voorrang dient te worden gegeven aan het onderhavige EAB van 10 september 2019, zoals gecorrigeerd bij EAB van 16 december 2019 (parketnummer: 13/752017-19) boven het Poolse EAB van 16 november 2019, ten aanzien waarvan de rechtbank eveneens bij uitspraak van heden, 6 februari 2020, de overlevering toestaat (parketnummer: 13/752254-19).


Aldus gedaan door

mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,

mrs. D.C. van Reekum en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Vergelijk: HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).