Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:731

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
C/13/678592 / KG ZA 20-46
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

uitwerking kopstaartvonnis. opheffing beslag toegewezen. vordering, gegrond op pauliana (3:45 BW) en onrechtmatige daad, grotendeels summierlijk ondeugdelijk. Beslag overigens niet proportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/678592 / KG ZA 20-46 CdK/MAH

Vonnis in kort geding van 7 februari 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 21 januari 2020,

advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W. Suttorp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

De zitting was aanvankelijk gepland op 29 januari 2020, maar is verplaatst naar 6 februari 2020. Op de zitting van 6 februari 2020 is [gedaagde] vrijwillig verschenen en heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben een pleitnota en stukken in het geding gebracht.

1.2.

Bij de zitting waren partijen met hun advocaten aanwezig.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 7 februari 2020 de beslissing gegeven in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het hierna volgende is de uitwerking daarvan en is, zoals aangekondigd, afgegeven op 21 februari 2020.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de zoon van [vader eiser] (hierna ook: [vader eiser] . of de vader). [vader eiser] . dreef aan de [adres] te [vestigingsplaats] een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf vader] ; de bedrijfsactiviteiten betroffen handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. [gedaagde] was een kennis van beiden en heeft geld uitgeleend aan [vader eiser] .

2.2.

[eiser] (hierna ook: de zoon) werkte mee in het bedrijf van zijn vader, maar was daar sinds 29 september 2014 niet meer werkzaam. Hij was van oktober 2014 tot september 2016 als autotechnicus fulltime in dienst van GCA Transport B.V. Uit bankafschriften blijkt dat zijn salaris tot en met september 2016 door GCA Transport B.V op zijn rekening werd gestort.

2.3.

Omstreeks maart 2017 is [eiser] op zoek gegaan naar eigen bedrijfsruimte en hij is op 31 juli 2017 een eigen autobedrijf gestart onder de naam ‘ [naam bedrijf zoon] ’ – als eenmansbedrijf op 1 augustus 2017 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij huurt daartoe een bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Voor het stallen van meer auto’s huurt hij sinds 1 september 2018 daarbij nog een terrein aan de [adres] te [vestigingsplaats] , dat voorheen door [vader eiser] . werd gehuurd.

2.4.

[eiser] heeft van [naam bedrijf vader] op 29 juni 2018 drie auto’s gekocht voor bedragen van € 300,- tot € 400,- per stuk. Die auto’s zijn later door [eiser] doorverkocht.

2.5.

[vader eiser] . heeft zijn bedrijf per 2 juli 2018 gestaakt.

2.6.

[gedaagde] heeft [vader eiser] . op 3 juli 2017 gesommeerd tot terugbetaling van de restantschuld uit hoofde van de door [gedaagde] aan hem verstrekte leningen. Toen betaling uitbleef is [vader eiser] . bij vonnis van 18 juli 2018 van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van € 38.000,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 juli 2017 en € 1.397,55 aan incassokosten.

2.7.

[vader eiser] . en zijn vrouw hebben bij overeenkomst van 27 juli 2018 al hun inboedel uit hun woning aan [adres] te [woonplaats] tegen betaling van € 1.000,- geleverd aan [eiser] . De inboedel is in de woning van [vader eiser] . blijven staan.

2.8.

[vader eiser] . komt de met [gedaagde] getroffen betalingsregeling van € 150 per maand niet na en biedt overigens naar de mening van [gedaagde] onvoldoende verhaal.

2.9.

Bij brief van 28 november 2019 heeft de advocaat van [gedaagde] gesteld dat [eiser] heeft meegewerkt aan het onttrekken van vermogensbestanddelen aan verhaal en heeft meegewerkt aan paulianeuze rechtshandelingen door
1) een eigen autohandel te starten kort nadat [vader eiser] tot terugbetaling was gesommeerd en kort voordat [vader eiser] . zijn autohandel staakte; en

2) de inboedel van zijn vader te kopen direct na het veroordelende vonnis van 18 juli 2018.

Daarbij zijn in de brief de paulianeuze rechtshandelingen vernietigd en is [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade.

2.10.

[gedaagde] heeft daarop aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het ten laste van [eiser] onder ING Bank leggen van conservatoir beslag voor een vordering begroot op € 40.000,-. Het verlof is dezelfde dag verleend, waarbij eenmaal herhaald beslag onder dezelfde derde is toegestaan.

2.11.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 30 december 2019 ten laste van [eiser] beslag gelegd.

2.12.

[gedaagde] heeft zowel vader als zoon [eiser] op 10 januari 2020 gedagvaard in een bodemprocedure voor de rechtbank Rotterdam en op grond van artikel 843a, 22 en 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gevorderd om financiële stukken over 2017 en 2018 in te brengen. Daarnaast is gevorderd om [eiser] te veroordelen tot betaling van € 40.000,- wegens paulianeus, subsidiair onrechtmatig, handelen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert kort gezegd:

- [gedaagde] te bevelen om het op 30 december 2019 onder ING Bank gelegde beslag op bankrekeningen van [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op te heffen;

- een verbod om voor dezelfde vordering wederom beslag te leggen;

- een en ander op straffe van dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft zich in de eerste plaats beroepen op de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd en stelt daartoe in de kern het volgende. De vordering gaat [vader eiser] . aan en niet [eiser] . [vader eiser] . heeft nog een lopende betalingsregeling met [gedaagde] . [eiser] stelt dat er geen sprake is geweest van een bedrijfsovername door [eiser] van het bedrijf van zijn vader. Er is door [eiser] niet paulianeus en niet onrechtmatig gehandeld.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een conservatoir beslag kan onder meer worden opgeheven indien summierlijk blijkt dat de vordering ter verzekering waarvan het is gelegd ondeugdelijk is en/of indien de belangen van de beslaglegger bij het beslag niet opwegen tegen de belangen van de beslagene bij opheffing van het gelegde beslag.

Pauliana

4.2.

De vordering waarvoor beslag is gelegd is door [gedaagde] primair gegrond op artikel 3:45 Burgerlijk Wetboek (BW), de actio pauliana. In artikel 3:45 lid 1 BW is bepaald dat, indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, de rechtshandeling vernietigbaar is en de vernietigingsgrond kan worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser. Indien de rechtshandeling binnen een jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond is verricht, wordt volgens artikel 3:46 lid 1 onder 3º BW vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn, als de rechtshandeling is verricht met een bloedverwant tot in de derde graad, bijvoorbeeld een zoon. De vernietiging loopt terug tot het tijdstip van de rechtshandeling (artikel 3:53 BW).

4.3.

Volgens [gedaagde] is het aannemelijk dat het ondernemingsvermogen paulianeus van vader aan zoon is overgedragen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Nadat [gedaagde] vader had gesommeerd tot betaling hebben vader en zoon kennelijk samen besloten om de onderneming van vader te staken en uit te kleden om daar een andere onderneming, die van de zoon, te gaan draaien. [gedaagde] leidt dit af uit de opeenvolging van gebeurtenissen. Het bedrijf van vader ging vanaf 2017 ineens verlies maken. De verkoop van de 3 auto’s op 29 juni 2018 van vader aan zoon zijn geen reële transacties. Ook de verkoop van de inboedel van vader aan zoon voor € 1000,- bij overeenkomst van 27 juli 2018 is paulianeus. [eiser] wist overal van, want hij werkte al die jaren regelmatig in het bedrijf van zijn vader, was twee handen op één buik met vader, kende [gedaagde] en wist van de leningen.

[eiser] behoorde te weten dat door die overdracht [gedaagde] in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld. [gedaagde] heeft de overdracht van het ondernemingsvermogen door vader aan zoon vernietigd bij buitengerechtelijke verklaring (artikel 3:50 BW) (zie 2.9). Het overgenomen vermogen moet dus terug naar [vader eiser] . Op grond van zijn vordering op [vader eiser] . kon daarop dus beslag worden gelegd ten laste van [eiser] . Aldus steeds [gedaagde] .

4.4.

Dit betoog van [gedaagde] ten aanzien van de bedrijfsovername gaat niet op. Nog los van de vraag of aan de overige vereisten voor een geslaagde vernietiging op grond van artikel 3:45 BW is voldaan, is ten aanzien van de benadeling van [gedaagde] geen begin van bewijs geleverd. De vordering wordt daarom summierlijk ondeugdelijk geacht. De bedragen die met de beweerdelijke bedrijfsovername gepaard zijn gegaan, zijn niet gesteld of gebleken. [eiser] was vanaf 2014 tot in september 2016 niet meer bij zijn vader in dienst. [eiser] heeft met mailberichten aannemelijk gemaakt dat hij vanaf maart 2017 op zoek is gegaan naar bedrijfsruimte om een eigen bedrijf te starten. Hij is vervolgens in augustus 2017 gestart op een andere locatie dan zijn vader, die toen nog in bedrijf was, immers [vader eiser] . heeft pas in juli 2018 zijn bedrijf gestaakt. Pas later, in september 2018, heeft [eiser] het terrein van zijn vader erbij gehuurd om meer auto’s te kunnen stallen. Het feit dat [eiser] eerst een jaar zelf een terrein heeft gehuurd en zijn handel heeft gestart, duidt niet op overname van het bedrijf van vader. Verder heeft [eiser] ter zitting met stukken aannemelijk gemaakt dat hij zijn bedrijf is gestart met eigen geld, dat hij verdiend had met zijn baan bij GCA Transport B.V. Ook heeft hij aan de hand van ter zitting getoonde aan- en verkoopfacturen van auto’s aannemelijk gemaakt dat hij, op naam van zijn eigen bedrijf “ [naam bedrijf zoon] ”, vanaf augustus 2017 auto’s inkocht en met marges van tientallen procenten weer doorverkocht. Dit geldt ook voor de doorverkoop van de drie auto’s die hij van zijn vader heeft overgenomen. Op elk van die auto’s heeft hij ongeveer € 100,- winst gemaakt. Dat deze auto’s voor een te laag bedrag zijn overgenomen is niet komen vast te staan, van benadeling is dus geen sprake.

4.5.

[gedaagde] heeft nog gewezen op de overeenkomst tot overdracht van de inboedel van vader aan zoon op 27 juli 2018 (kort na het vonnis van 18 juli 2018). Deze rechtshandeling is mogelijk benadelend voor [gedaagde] en daarmee paulianeus. De verklaring van [eiser] , dat hij vader, die financieel aan de grond zat, heeft willen helpen door de inboedel voor € 1.000,- over te nemen, maakt dat naar voorlopig oordeel niet anders. Ook is het heel wel mogelijk dat [eiser] een te laag bedrag heeft betaald en dat hij dat wist of moest vermoeden. Daarmee is een vordering op deze grond niet summierlijk ondeugdelijk. Overigens gaat het beroep van [gedaagde] op het bewijsvermoeden van artikel 3:46 lid 1 onder 3º BW niet op. Gelet op de inroeping van de vernietiging op 28 november 2019, loopt de termijn tot 28 november 2018.

De beoogde rechtshandelingen zijn van vóór deze datum.

Onrechtmatige daad

4.6.

[gedaagde] beroept zich op onrechtmatige daad doordat [eiser] voordeel heeft getrokken uit de wanprestatie, pauliana of de onrechtmatige daad van vader. De schade van [gedaagde] zou het bedrag zijn dat hij niet van vader heeft kunnen incasseren als gevolg van het door [eiser] onttrekken van vermogensbestanddelen aan verhaal.

4.7.

[gedaagde] heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft hij gewezen op de verkoop van de drie auto’s op 29 juni 2018 (zie 2.4), maar gezien de door [eiser] overgelegde bankafschriften en facturen is goed mogelijk dat dit, ook gezien de verkooprijzen, reële transacties zijn. [gedaagde] heeft gesuggereerd dat deze transacties verdacht waren omdat zij vlak na het vonnis van 18 juli 2018 plaatsvonden. Daarbij gaat [gedaagde] echter uit van de onjuiste veronderstelling dat de transacties op 29 juli 2018 in plaats van 29 juni 2018 hebben plaatsgevonden. De conclusie is dat uit deze transacties geen onrechtmatige bevoordeling blijkt. Ook om de in 4.4. genoemde redenen valt die conclusie niet te trekken.

4.8.

Wat betreft de overeenkomst tot overdracht van de inboedel van vader aan zoon op 27 juli 2018 is met verwijzing naar hetgeen onder 4.5. is overwogen mogelijk dat [eiser] voordeel heeft getrokken uit paulianeus handelen. Gelet op de hoogte van het bedrag dat met deze overdracht is gemoeid en mogelijk te weinig betaald, wordt het beslag voor dit gedeelte niet proportioneel geacht.

4.9.

Niet aannemelijk is geworden dat [eiser] , indien de vordering tegen hem in de bodemprocedure zou worden toegewezen, zonder het beslag onvoldoende verhaal zou bieden. Er staat immers kennelijk geld op zijn rekeningen, hij heeft nog circa 50 auto’s staan en hij genereert inkomsten door te handelen met flinke marges. [eiser] wordt door het beslag wel in zijn bedrijfsvoering bemoeilijkt. Het beslag is om deze redenen dus ook niet proportioneel.

4.10.

De slotsom is dat de vordering waarvoor beslag is gelegd gedeeltelijk summierlijk ondeugdelijk is en het beslag voor het overige niet proportioneel wordt geoordeeld, zodat de beslagen zullen worden opgeheven. Een belangenafweging leidt tot een zelfde oordeel.

4.11.

Nu de voorzieningenrechter het beslag zelf opheft, is oplegging van een dwangsom niet nodig.

4.12.

[eiser] heeft verder een verbod gevorderd om in de toekomst wederom beslag te leggen. Deze voorziening zal worden geweigerd, omdat niet kan worden voorzien welke nieuwe feiten of omstandigheden in de toekomst een nieuw beslag rechtvaardigen.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft het op 30 december 2019 ten laste van [eiser] gelegde beslag op;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

– € 102,96 aan dagvaardingskosten,

– € 304,00 aan griffierecht en

– € 980,00 aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020.1

1 type: MAH coll: MvG