Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:722

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
AMS 20/20 (beroep) en AMS 20/51 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsrecht; last onder dwangsom; gevelpui; geen zicht op legalisatie; handhaving niet onredelijk; tijdsverloop; beroep ongegrond, vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/20 (beroep) en AMS 20/51 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).

Procesverloop

Met het besluit van 30 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 25 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Verzoeker was op de zitting aanwezig samen met [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vooraf

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat de zaak voldoende duidelijk is en dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Daarmee komen beide procedures tot een einde.

Feiten en besluitvorming

2. Verzoeker is eigenaar van het pand aan de [straat] 275 (hierna: het pand). Op de begane grond van het pand is een winkel gevestigd. Verzoeker verhuurt de winkelruimte aan de winkelexploitant.

3. Op 15 juni 2018 heeft een inspecteur van de gemeente Amsterdam een aantal overtredingen geconstateerd aan het pand. In deze procedure is alleen van belang dat in de voorgevel van het pand op de begane grond een driedelige harmonicadeur is geplaatst zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

4. Met een brief van 23 juli 2018 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt ten aanzien van de voorgevelpui handhavend op te treden door het opleggen van een last onder dwangsom. Met de e-mail van 27 augustus 2018 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt en een aantal foto’s aan verweerder toegezonden waarop te zien is hoe de voorgevelpui er door de jaren heen heeft uitgezien.

5. Op 12 september 2018 heeft verzoeker ter legalisatie van de voorgevelpui een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag is met het besluit van 19 maart 2019 door verweerder geweigerd.

6. Het beroep tegen de geweigerde omgevingsvergunning is met de uitspraak van 29 oktober 2019 door deze rechtbank ongegrond verklaard.1 Verzoeker heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld zodat de weigering van de omgevingsvergunning voor de voorgevelpui in rechte vaststaat.

7. Met het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoeker binnen zes weken na verzending van het besluit de wijziging van de kozijnen in de gevel ongedaan moet maken. Verweerder heeft hieraan een dwangsom van € 4.000,- verbonden. De begunstigingstermijn is niet verlengd.

8. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Het standpunt van verzoeker

9. Verzoeker is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. De deur in de voorgevel is al in 2004 gerealiseerd. De deur wijkt inderdaad af van de deur op de bouwtekening van de vergunning die in 2004 is verleend. Er is bij de verbouwing in 2005 gekozen voor een gelijke gevelaanzicht als het naastgelegen tweelingpand op nummer 274. Tijdens de werkzaamheden heeft de dienst Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Amsterdam diverse controles gehouden en daarbij werd aangegeven dat een gelijke gevelindeling alleen maar een betere oplossing zou zijn voor beide panden. Verzoeker heeft daar echter geen bewijzen meer van. De architect heeft destijds verzuimd een wijzigingstekening bij de gemeente in te leveren. Bij verschillende controles na de wijziging van de voorgevelpui heeft de gemeente geen opmerkingen gemaakt over de huidige indeling van de pui. Verzoeker heeft foto’s ingebracht van het pand door de jaren heen. Volgens verzoeker is feitelijk altijd sprake geweest van een tweedelige harmonicadeur met daarnaast een loopdeur. Verzoeker beroept zich daarom allereerst op het overgangsrecht van het toen maar ook nu nog geldende bestemmingsplan, omdat uit de voor de verbouwing genomen foto’s blijkt dat de pui ook toen al open kon. Subsidiair beroept verzoeker zich op verjaring van het recht van de gemeente om in 2018 te vorderen dat een al meer dan 14 jaar bestaande situatie moet worden teruggebracht. Het is niet redelijk om na zo veel jaar nog tot handhaving over te gaan. Tot slot stelt verzoeker dat zijn belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van verweerder omdat, nog afgezien van de kosten, zowel de welstand als monumentenzorg uitdrukkelijk geen bewaar maken tegen het huidige uiterlijk van het pand.

De beoordeling

10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de huidige driedelige harmonicadeur is geplaatst zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Er is daarom sprake van een overtreding van artikel 2.1. eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat verweerder bevoegd is om tegen die overtreding handhavend op te treden.

11. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan gevraagd worden dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).2

12. Zoals hierboven (rechtsoverwegingen 5 en 6) al is aangehaald heeft verweerder de aanvraag om de huidige voorgevelpui te legaliseren afgewezen en staat deze afwijzing in rechte vast. Van een concreet zicht op legalisatie is dan ook geen sprake. Vervolgens is de vraag of handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Verzoeker vindt van wel op de gronden zoals hierboven in rechtsoverweging 9 weergegeven over de controles door Bouw- en Woningtoezicht en de gelijke gevel bij het buurpand. Verzoeker doet hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. In de procedure bij deze rechtbank tegen de weigering van de omgevingsvergunning zijn deze gronden echter al aan de orde geweest en heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kunnen slagen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Om diezelfde reden kan het betoog van verzoeker dat zowel de welstand als monumentenzorg uitdrukkelijk geen bewaar maken tegen het huidige uiterlijk van het pand niet slagen.

13. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat handhaven onevenredig is omdat de huidige pui al 14 jaar in de voorgevel zit. Ook deze grond slaagt niet. Verweerder verliest niet het recht om te handhaven door enkel tijdsverloop.3 De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft verklaard dat pas handhavend wordt opgetreden als de overtreding wordt opgemerkt. Dat is kennelijk lange tijd niet het geval geweest.

14. Op de zitting heeft verzoeker nog naar voren gebracht dat handhavend optreden grote financiële gevolgen voor hem zal hebben vanwege de hoge kosten van een nieuwe pui en omdat de huurder van de winkel mogelijk de huur zal opzeggen omdat geen open gevel meer mogelijk is. Deze omstandigheden maken niet dat het optreden van verweerder zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder om die reden van handhaving behoort af te zien. Nog daargelaten dat niet zeker is dat de huurder van de winkelruimte de huur zal opzeggen als de huidige pui wordt vervangen, bestaat er geen redelijke grond om de financiële belangen van verzoeker een doorslaggevend gewicht toe te kennen.

15. Tot slot slaagt het beroep van verzoeker op enig overgangsrecht niet. Wat hier ook van zij, verzoeker had deze grond kunnen en moeten aanvoeren bij de weigering van de omgevingsvergunning. Dat heeft verzoeker niet gedaan. Het beroep tegen de handhaving is er niet voor bedoeld een mogelijkheid om de geweigerde omgevingsvergunning voor een tweede keer aan de rechter voor te leggen.

Conclusie

16. Gezien het voorgaande was verweerder bevoegd en gehouden om handhavend op te treden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Verweerder kan daarom in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik maken. Het beroep is dan ook ongegrond.

17. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft ter zitting gevraagd om, als hij de gevel toch moet wijzigen, een voorziening te treffen om hem in elk geval wat meer tijd te geven om deze werkzaamheden voor te bereiden en er geld voor te vinden. De voorzieningenrechter kan echter geen voorziening meer treffen als het beroep ongegrond is.

18. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8164.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 februari 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2010:BL5387.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:169.