Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7144

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
8254536 CV EXPL 20-305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

treintje rijden, camerabeelden mogen worden gebruikt, onvoldoende onderbouwd dat kentekenhouder niet de bestuurder was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8254536 CV EXPL 20-305

vonnis van: 22 juni 2020

fno.: 33623

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-Park Operations Netherlands II B.V.

gevestigd te Maastricht

eiseres

nader te noemen: Q-Park

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.E. van Rossem

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 november 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het instructievonnis;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Q-Park is exploitant van onder meer de parkeergarage Mahler-Amsterdam (verder: de parkeergarage).

1.2.

Voor het gebruik van de parkeergarage is een parkeervergoeding verschuldigd.

1.3.

Bij de ingang van de parkeergarage staat een bord met informatie over onder meer de tarieven en de toepasselijkheid van algemene voorwaarden. Volgens dat bord bedraagt het maximale dagtarief € 60,00. Daarnaast staat op het bord dat bij verlies van de inrijkaart drie keer het dagtarief geldt.

1.4.

Op 14 oktober 2016 om 13:59 uur en om 19:28 uur is een BMW met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto) zonder te betalen de parkeergarage uitgereden. Het kenteken van de auto stond op dat moment op naam van [gedaagde] .

1.5.

Q-Park heeft in haar Algemene Voorwaarden Parkeren (hierna: de algemene voorwaarden) voorschriften opgenomen over de betaling van parkeergeld en over een boete in geval van ‘treintje rijden’.

1.6.

Artikel 6.3. van de algemene voorwaarden luidt:

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-)schade. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart.

1.7.

Artikel 9 van de algemene voorwaarden luidt:

9. Privacy

In de parkeerfaciliteit (…) vindt ter bestrijding van diefstal en vernieling videoregistratie plaats. Deze beelden worden na 24 uur gewist, behoudens indien Q-Park die moet afstaan aan het bevoegd gezag.

1.8.

De gemachtigde van Q-Park heeft [gedaagde] bij brief van 18 november 2016 tot betaling van een bedrag van € 960,00 aangemaand en bij niet tijdige betaling – binnen 16 dagen na dagtekening van de brief – een bedrag van € 144,00 aan buitengerechtelijke kosten aangezegd.

Vordering

2. Q-Park vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 360,00 wegens tarief verloren kaart;
b. € 600,00 aan schadevergoeding;
c. € 144,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
d. rente over € 1.104,00 vanaf de datum van pleging, althans verzuim;
e. de proceskosten.

3. Q-Park stelt daartoe - kort gezegd - dat [gedaagde] door zich schuldig te maken aan ‘treintje rijden’ tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten
(parkeer-)overeenkomsten, althans onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Q-Park. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] de gevorderde hoofdsom van € 960,00 verschuldigd, bestaande uit twee maal een bedrag van € 180,00 wegens tarief verloren kaart en twee maal € 300,00 als schadevergoeding. Aangezien [gedaagde] ondanks daartoe te zijn aangemaand, met betaling in gebreke is gebleven, maakt Q-Park voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en rente.

4. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.

Beoordeling

5. [gedaagde] heeft in de eerste plaats betwist dat hij op 14 oktober 2016 gebruik heeft gemaakt van de parkeergarage. Volgens [gedaagde] toont het door Q-Park overgelegde beeldmateriaal niet aan dat hij de auto bestuurde en ook is het beeldmateriaal niet voorzien van datum en tijd. Daarnaast is het gebruik van de beelden ook onrechtmatig, nu videobeelden volgens de algemene voorwaarden van Q-Park binnen 24 uur vernietigd behoren te worden, aldus [gedaagde] .

6. [gedaagde] heeft verzocht het beeldmateriaal buiten beschouwing te laten, omdat Q-Park in strijd met de algemene voorwaarden heeft gehandeld door deze beelden langer dan 24 uur te bewaren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] doelt op artikel 9 van de algemene voorwaarden van Q-Park. Q-Park heeft niet meer op deze stelling kunnen reageren. Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter echter van oordeel dat het beeldmateriaal bij de beoordeling van dit geschil kan worden betrokken. Het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid aan het licht komt en het belang dat Q-Park erbij heeft haar stellingen te bewijzen, weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [gedaagde] dat door de handelwijze van Q-Park mogelijk zou zijn geschonden.

7. Op de beelden is te zien dat de auto waarvan [gedaagde] kentekenhouder is, tot twee keer toe direct achter de voorganger de parkeergarage verlaat, zonder dat de slagboom de kans heeft te sluiten. De beelden zijn in de titelregel voorzien van datum en tijd. Daarmee heeft Q-Park voldoende aangetoond dat de bestuurder van de auto op 14 oktober 2016 om 13:59 uur en om 19:28 uur gebruik heeft gemaakt van de parkeergarage en deze heeft verlaten zonder gebruikmaking van een parkeerkaart door middel van ‘treintje rijden’.

8. De kentekenhouder van de auto (oftewel [gedaagde] ) hoeft niet noodzakelijkerwijs de bestuurder te zijn geweest. Uit een registratie in het kentekenregister kan echter wel het vermoeden worden afgeleid dat de kentekenhouder ook de bestuurder van de auto is. Het ligt in dit geval op de weg van [gedaagde] als kentekenhouder om dat vermoeden te weerleggen door feiten en omstandigheden aan te dragen, waaruit blijkt dat hij op het bewust moment niet op de bewust locatie was of waaruit blijkt dat de gedraging door een andere bestuurder werd verricht. [gedaagde] heeft dit niet gedaan. Zijn stelling dat hij zich vier jaar na dato niet meer goed kan verdedigen gaat niet op. [gedaagde] is immers al op 18 november 2016 – circa een maand nadat de gedragingen in de parkeergarage zijn verricht – door Q-Park aangeschreven en gesteld noch gebleken is dat hij hierop heeft gereageerd. De vordering van Q-Park is ook nog niet verjaard. De kantonrechter concludeert dan ook dat [gedaagde] zijn verweer dat hij niet de bestuurder is van de auto onvoldoende heeft onderbouwd. Bij de verdere beoordeling wordt er vanuit gegaan dat het [gedaagde] is geweest die op 14 oktober 2016 twee keer ‘treintje heeft gereden’.

9. [gedaagde] heeft niet betwist dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Op grond daarvan is [gedaagde] aan Q-Park in geval van ‘treintje rijden’ een boete verschuldigd van minimaal € 300,00 per keer en verder het tarief voor een verloren kaart. Q-Park stelt dit tarief op € 180,00 per keer, oftewel driemaal het dagtarief van € 60,00.

10. [gedaagde] is consument, zodat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad ambtshalve moet beoordelen of een beding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn) jo. punt e van de bij de Richtlijn behorende bijlage, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is hij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

11. Q-Park heeft gemotiveerd bepleit dat de bedingen waarop zij haar vordering baseert niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn. Volgens Q-Park beogen deze bedingen ‘treintje rijden’ te voorkomen en is het voor een voldoende preventieve werking vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. ‘Treintje rijden’ mag niet lonen. Daarnaast leidt het ‘treintje rijden’ tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage en door dat gedrag lijdt Q-Park schade. Niet alleen loopt zij hierdoor inkomsten mis, maar ook heeft zij kosten moeten maken door investeringen in dure camerasystemen voor scherpe detectie van het ‘treintje rijden’.

11. De door Q-Park bedongen boete is, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking daarvan, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat de parkeerder er bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van haar kosten en schade door dergelijk gedrag, niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn.

13. Gelet op het vorenstaande is de gevorderde schadevergoeding van € 600,00 toewijsbaar.

14. De kantonrechter ziet geen aanleiding de boete te matigen. Daarvan kan ingevolge artikel 6:94 BW slechts sprake zijn indien de billijkheid die matiging klaarblijkelijk eist of anders gezegd: wanneer toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene bezien heeft [gedaagde] echter geen feiten of omstandigheden aangedragen die nopen tot het oordeel dat van een dergelijke situatie hier sprake zou (kunnen) zijn.

15. Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 360,00 ter zake van het tarief verloren kaart wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 6.4 van de algemene voorwaarden is de hoogte van het tarief verloren kaart “afhankelijk van de parkeerfaciliteit” en “bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief “. Op het bord bij de ingang van de parkeergarage staat vermeld dat het maximale dagtarief van deze parkeerfaciliteit € 60,00 bedraagt en dat bij verlies van de inrijkaart drie keer het dagtarief geldt. Het gevorderde bedrag van € 360,00 is derhalve toewijsbaar.

16. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over € 960,00 vanaf 14 oktober 2016.

17. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet (voldoende duidelijk) uit de overgelegde aanmaning gebleken is dat aan [gedaagde] een betalingstermijn van minimaal 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

18. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park van € 960,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2016 tot aan de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Q-Park begroot op:
- exploot € 83,52
- salaris € 240,00
- griffierecht € 499,00
-----------------
totaal € 822,52
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.