Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7112

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
03-02-2021
Zaaknummer
81/118721-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling vanwege opslag lachgas die niet aan de regelgeving voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 81.118721.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/118721-20

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de economische politierechter in bovengenoemde rechtbank op 6 november 2020.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.J.E. Geradts, economische politierechter en

mr. L. van Breukelen, griffier.

Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.C. Plantenga, officier van justitie.

De economische politierechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte antwoordt op de vragen van de economische politierechter te zijn:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

wonende op het adres [adres 1] [woonplaats] .

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E. de Witte, advocaat te Amsterdam.

De economische politierechter zegt tegen verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is en goed moet opletten.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.

De economische politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019090736-3 van 3 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pag. 1 e.v.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied met nummer BRS 19-371977 van 7 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pag. 5 e.v.

De verdachte verklaart, op vragen van de economische politierechter, zakelijk weergegeven:

De opslag gelegen aan de [adres 2] te Amsterdam is van mij. Die opslag is KvK-geregistreerd. Ik sla daar lachgas op dat is bestemd voor de markthandel. Ik ben daarin gerold nadat het legaal is geworden. Lachgas is steeds meer een trend geworden. Aanvankelijk werd het in kleine capsules verkocht. Die zag je overal op straat liggen. Ik ben op enig moment in contact gekomen met een club in Zoetermeer. Toen hebben we besproken dat het interessant zou zijn om lachgas in cilindervorm aan te kunnen bieden. Ik ben daarnaar op zoek gegaan en uiteindelijk is het mijn business geworden.

We verkopen lachgas aan zakelijke klanten zoals discotheken, cafés, shisha lounges en handelaren. Een deel wordt naar het buitenland geëxporteerd. Het lachgas kan telefonisch of via Whatsapp worden besteld. De bestelling wordt vervolgens afgeleverd. Ik heb personeel in dienst. Wij hebben kennis van de regels die de ADR stelt. We zorgen voor de juiste inrichting in de auto, voor voldoende ventilatie, ik heb een ADR certificaat en ik beschik over transportdocumenten en dergelijke.

Ik beschik over drie locaties waar ik het lachgas kan opslaan. Twee locaties zijn van mijzelf. Dat zijn de locatie bij [locatie] , dat is een groot bedrijf, en ik heb op een buitenterrein nog een goedgekeurde opslag. In [plaats 1] bij [plaats 2] heb ik een kleinschaligere opslag.

U zegt mij dat we het vandaag gaan hebben over de opslag in [plaats 3] aan de [adres 2] . Het klopt dat daar in 2018 een controle is geweest. In 2017 is de Douane een keer langs geweest voor een algemene controle. Zij wilden toen binnen kijken op het kantoor. Zij hadden toen niet echt aandacht voor de gasflessen.

U houdt mij voor dat op 5 november 2018 een brief naar mij is gestuurd naar aanleiding van een controle van de Omgevingsdienst op 1 november 2018. U zegt mij dat er toen een waarschuwingsbrief is gestuurd over de gasflessen en de vereiste aanpassingen aan de ruimte. U houdt mij voor dat in die brief ook staat dat het verboden is om het lachgas van de ene naar de andere gascilinder over te hevelen en dat de locatie nog moest worden gemeld. U zegt mij dat mij wordt verweten dat ik de locatie tot 2 mei 2019 nog niet had gemeld. Ik weet 100% zeker dat ik dat vlak na de controle na 1 november 2018 heb gedaan. Ik heb dat online gedaan via aimonline.nl.

De raadsvrouw voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik wil u alvast wijzen op de bevestiging van de melding activiteitenbesluit in bijlage 3 achter de pleitnota. Cliënt heeft een code gekregen om via de website melding te kunnen doen. Als bijlage 4 heb ik de e-mail gevoegd met het bericht dat de melding is gedaan en in bijlage 5 treft u de brief van 12 maart 2019 waarin wordt vermeld dat de melding is aangevuld en is goedgekeurd.

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:

Mij was niet bekend dat de melding op 12 maart 2019 was goedgekeurd, anders had ik feit 1 niet tenlastegelegd.

Uit voornoemde brief blijkt niet dat verdachte een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Hopelijk is dat inmiddels wel geregeld, want het is van belang dat verdachte dat heeft.

De verdachte vervolgt zijn verklaring, zakelijk weergegeven:

In reactie op de officier van justitie wil ik zeggen dat het in mijn geval niet nodig is om een omgevingsvergunning aan te vragen. Dat is alleen nodig als je een type C inrichting hebt en gasflessen wilt vullen of daaruit wilt overhevelen. In het dossier zitten wel foto’s van spullen waarvan wordt gezegd dat die bestemd zijn om gas mee over te hevelen, maar dat heb ik nooit gedaan.

U vraagt mij waarom ik eerder niet tegen de politie heb verteld dat ik de melding had gedaan. Mijn advocaat had mij geadviseerd om mij op mijn zwijgrecht te beroepen. Het was gewoon bekend dat ik die melding had gedaan. Er zitten onregelmatigheden en tegenstrijdigheden in het dossier. De omgevingsdienst zegt het een en de politie zegt het ander. Ook als het bijvoorbeeld gaat over de literinhoud en dergelijke.

U houdt mij voor dat op de volgende plekken drukhouders met lachgas zijn aangetroffen: in een kast 70 drukhouders met elk een inhoud van 35 liter, op een transportkar 54 drukhouders met een inhoud van 6,7 liter en in een witte bestelbus die als opslag werd gebruikt 24 drukhouders met 50,3 liter, een drukhouder met 30 liter, 2 drukhouders met 30,45 liter, 2 drukhouders met 21 liter en 30 drukhouders met 13,4 liter. De omgevingsdienst noemt een ander aantal drukhouders op de transportkar dan de politie. U houdt mij voor dat op de tenlastelegging wordt vermeld dat ik ongeveer 2800 liter lachgas niet overeenkomstig de regels heb opgeslagen in zowel een kast, op een kar en in een auto. Ik weet niet hoe ze bij die 2800 liter komen. We handelen alleen in flessen van 2,6 of van 13,6 liter. Flessen van 6,7 liter bestaan niet.

De kast is een ‘Hiltrakast’ die 60 minuten brandwerend is. Er stond medicinaal lachgas in. Ik ging ervan uit dat dit was toegestaan, gezien de brandwerendheid van 60 minuten. Je zou daar 2500 liter in mogen opslaan. Op de transportkar had ik mijn werkvoorraad staan. Die hoeveelheid verkoop ik dagelijks. U houdt mij voor dat er geen sticker op de kast zou zitten. Die zat er wel op. Die wordt er zelfs op geschroefd. Het is een open vuur verboden sticker met een teken van een aansteker en een lucifer. Die worden standaard meegeleverd. De dranger van de kast was inderdaad stuk gegaan. Het keuringsrapport kon ik niet overleggen. Ik had de kast van een leverancier gekregen. Ik ging ervan uit dat de papieren erbij zaten, maar ik was het rapport kwijt geraakt. Ik was er zeker van dat het in orde was.

De bestelbus hoort niet bij de inrichting, want die stond buiten, op de openbare weg. Het was de bedoeling dat later op de dag het transport zou komen om de flessen op te halen.

Verdachte verklaart op vragen van de raadsvrouw, zakelijk weergegeven:

De kastdeur van de Hilstrakast is altijd dicht. Sinds de controle houd ik mij aan alle regels. We rijden twee keer per dag op en neer naar de opslag in [plaats 2] om ervoor te zorgen dat ik niet te veel gashouders heb staan.

De economische politierechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn strafblad.

Verdachte verklaart op vragen over zijn persoonlijke omstandigheden, zakelijk weergegeven:

Mijn bedrijf is een eenmanszaak. Ik kan ervan rondkomen. Ik ben inmiddels getrouwd.

Van het begin af aan heb ik altijd mijn medewerking verleent aan de politie en de Omgevingsdienst. Ik heb mijzelf steeds proberen te verbeteren. Het is een lastige bedrijfsvoering met veel regelgeving. Ik heb sinds twee maanden een bedrijfsadviseur van Noordermeer bedrijfsadvies. Zij zijn gespecialiseerd in regelgeving omtrent lachgas. Ook helpt milieuadvisering mij met alle omgevingsaanvragen en geeft advies over de opslag. Ik laat me dus adviseren en probeer ervoor te zorgen dat ik niet in conflict kom met de gemeente.

De officier van justitie rekwireert, zakelijk weergegeven, als volgt:

Verdachte heeft vandaag stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in maart 2019 al had voldaan aan de verplichting om zijn inrichting aan te melden bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Ik vorder daarom vrijspraak van feit 1.

Dan feit 2. Verdachte wordt verweten dat hij de gashouders niet op de juiste wijze had opgeslagen. Verdachte zegt dat de deur van de Hiltrakast wel goed was. Er ontstaat een discussie over wie er gelijk heeft. Als ik naar het proces-verbaal kijk dan zijn er drie personen, een verbalisant van de politie en twee medewerkers van de omgevingsdienst, die bepaalde constateringen hebben gedaan. Zij hebben hun bevindingen gedetailleerd beschreven in de processen-verbaal. Daaruit blijkt dat zij in totaal ongeveer 2800 liter lachgas hebben aangetroffen. De bevindingen van de verbalisant over de kast worden door de Omgevingsdienst onderschreven. De foto’s zijn ook ondersteunend. De verbalisant beschrijft dat de dranger stuk was en hij ambtshalve bekend is dat de kast zonder werkende dranger niet zelfsluitend is. In die situatie kan de werkzaamheid van de kast niet worden gegarandeerd. Ik schaar me achter de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Uit de waarschuwingsbrief van 1 november 2018 blijkt dat toen ook al soortgelijke feiten zijn geconstateerd. Ik vind feit 2 bewezen.

Verdachte is daar strafbaar voor. Hij heeft eerder een strafbeschikking van

€ 1.250,- opgelegd gekregen. Ik vind dat nog steeds een passende sanctie, maar ik wil u wel verzoeken om € 500,- daarvan voorwaardelijk op te leggen.

De officier van justitie legt de vordering over aan de economische politierechter.

De raadsvrouw van verdachte voert het woord overeenkomstig de pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.

In aanvulling daarop voert zij het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

De kast die cliënt in zijn opslag had slaan, betrof een BSG3 kast van Hiltra. Dit model kast wordt nog steeds door Hiltra geleverd.

Cliënt heeft zojuist verklaard dat de voorraad op de kar zijn werkvoorraad is.

Verdachte verklaart op vragen van de politierechter, zakelijk weergegeven:

Ik ben 7 dagen per week open. We bezorgen veel. Een deel is afhaal en een groot deel bezorging. Dat gaat richting de 300 flessen per dag. Het deel dat aan het buitenland wordt geleverd, wordt op transport gezet en wordt geleverd vanuit een van de depots. We zorgen ervoor dat op [adres 2] niet te veel straat. In het weekend is de dagomzet flink. Op de pin zien we dan een omzet van 10.000 tot 12.000 euro. Vorige jaar zomer hebben we veel aan horeca geleverd en bijna niets aan particulieren verkocht. De omzet per week bedraagt tegen de 25.000 euro. De prijzen per fles fluctueren heel snel. Het is ongeveer € 50,- voor een particulier, € 25,- per fles voor de handel en in de horeca wordt € 12,50 als kiloprijs gerekend. Voor een fles van 2,7 liter kom je uit op € 50,-.

Vanwege het coronavirus zijn de inkomsten over het algemeen iets teruggelopen. In het weekend hebben we het drukker, maar doordeweeks is het heel rustig. Afgelopen zomer hebben we veel festivals en clubfeesten gemist. Een klein deel daarvan is verschoven naar de particuliere markt. Dat is 15% meer geworden. Ik verkoop sowieso meer dan een jaar geleden, ondanks dat de horecabranche bijna helemaal is weggevallen. Lachgas is een gezelschapsmiddel. We zorgen ervoor dat we wel verantwoordelijkheid nemen richting onze klanten, want we proberen erop te letten dat ze niet te veel aan het lachgas zitten en ik adviseer gebruikers om vitamine B12 te gebruiken. Als ik het gevoel heb dat een bepaalde particulier te veel gaat gebruiken, dan leveren wij niet meer. Aan horecaklanten adviseren wij om geen grote ballonnen te vullen omdat mensen door de grote hoeveelheid out kunnen gaan. Dat kan ook voor problemen zorgen met de gemeente. We zijn daar voorzichtig in. Ik zit in de raad van bestuur van onze branchevereniging. Inmiddels zijn bij onze branchevereniging 200 handelaren bekend. Ik ben importeur en groothandelaar.

De officier van justitie krijgt de gelegenheid om op het pleidooi van de raadsvrouw te reageren en voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik wijs in verband met het niet-ontvankelijkheidsverweer op een arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2020 (HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436). In die zaak werd gesteld dat de Landelijke handhavingsstrategie recht zou zijn in de zin van artikel 79 RO. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat die opvatting onjuist is. Het verweer van de raadsvrouw moet daarom worden verworpen. Het gaat in deze zaak om heel gevaarlijke stoffen. Dat is de reden waarom van de Landelijke handhavingsstrategie als afwegingsinstrument is afgeweken en in deze zaak strafrechtelijk is en kon worden gehandhaafd. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De raadsvrouw noemt veel artikelen en normen. Het gaat er niet om wat er precies in welke fles zit of wat de dagvoorraad is, maar om de kwaliteit van de opslag. Er is sprake van een opslagvoorziening die niet voldoet aan de regels van de PGS15. In die regels wordt verwezen naar de NEN-normen en volgens de NEN-normen moet bepaalde informatie op de buitenkant van de kast worden aangebracht, zoals de classificatie, een verbodsbord en de naam of merk van de producent. Drie verbalisanten hebben geconstateerd dat hier niet aan was voldaan. De verbalisanten van de Omgevingsdienst hebben opgeschreven dat zij ambtshalve weten dat als de dranger van de kast niet werkt, de deur van de kast niet sluit. Ik zie geen inconsequenties in de processen-verbaal. Het proces-verbaal van de verbalisanten van de Omgevingsdienst stemt voldoende overeen met het proces-verbaal van de politie.

Als u van oordeel bent dat niet kan worden bewezen dat het gaat om ongeveer 2800 liter aan gevaarlijke stoffen, dan kan in ieder geval worden bewezen dat meer dan 125 liter lachgas verkeerd was opgeslagen.

De raadsvrouw krijgt de gelegenheid om te reageren en voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

De officier van justitie heeft het nu zelf over de NEN-normen waarin specifiek wordt gesproken van een brandveiligheidsopslagkast. De kast van cliënt is dat nu juist niet. Het is een ander soort kast en daarvoor gelden ander soort regels. Daarvoor geldt niet dat er een keuringsrapportage moet zijn en dergelijke. Hoe de deur is aangetroffen, weten we niet, daarover staat niets in het proces-verbaal. Cliënt zegt dat de deur altijd dicht zit.

Het grootste deel van de dagvoorraad stond buiten de kast, dus dat deel kan niet meetellen voor het aantal liters lachgas dat niet juist was opgeslagen.

De economische politierechter geeft verdachte het laatste woord. Hij verklaart dat het meeste al gezegd is.

De economische politierechter sluit het onderzoek en wijst na een korte schorsing mondeling vonnis.

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

[...]

[...]

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied handhaaft volgens de Landelijke handhavingsstrategie van 24 april 2014. De wijze waarop gesanctioneerd wordt, wordt afgestemd op de zogenoemde interventiematrix. Omdat verdachte bij de controle in november 2018 heeft aangegeven volledig te voldoen aan de regelgeving en hij de regels die hem toen zijn uitgelegd heeft opgevolgd, dient hij te worden gekwalificeerd als ‘goedwillend’. Gelet op de wijze waarop de opslag van de gasflessen plaatsvond, waren de risico’s voor maatschappelijke onrust of milieuschade vrijwel nihil of beperkt. Volgens de interventiematrix, maken die omstandigheden tezamen dat herstellend bestuursrecht de wijze is waarop wordt gehandhaafd. Dat dit daadwerkelijk is gebeurd, blijkt uit het feit dat een dag na de controle het voornemen is geuit om cliënt een dwangsom op te leggen vanwege de tijdens de controle geconstateerde overtredingen. Strafrechtelijk ingrijpen, zoals wel is gebeurd door het uitvaardingen van strafbeschikkingen is in strijd met de wijze van optreden volgens de interventiematrix. Nu het openbaar ministerie in strijd met de handhavingsstrategie is overgegaan tot strafrechtelijk handhaven, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging.

De economische politierechter overweegt als volgt. Op grond van het opportuniteitsbeginsel is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of er sprake is van een (mogelijk) strafbaar feit en zo ja, te bepalen onder welke strafbepaling(en) naar Nederlands recht het feitencomplex kan vallen en welke kwalificatie passend is, waarna een vervolgingsbeslissing kan worden genomen. Deze aan het openbaar ministerie toekomende zelfstandige beslissingsbevoegdheid, kan door de rechter maar in beperkte mate worden getoetst. De economische politierechter moet, gezien het gevoerde verweer, beoordelen of het openbaar ministerie na een afwegingen van belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De handhavingsstrategie die door de Omgevingsdienst volgens de zogenoemde interventiematrix wordt gehanteerd, is geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO, zoals volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2020 (HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436). De handhavingsstrategie is daarom niet meer of anders dan een richtlijn en daar mag van worden afgeweken, zoals is gebeurd. Er is verdachte geen dwangsom opgelegd, zodat uiteindelijk niet bestuursrechtelijk is opgetreden. Dat betekent dat de weg om strafrechtelijk te handhaven open stond. Omdat niet is gebleken dat het openbaar ministerie bij het instellen van de vervolging heeft gehandeld in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van goede procesorde, wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De economische politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

Vernietiging strafbeschikkingen

De politierechter vernietigt de twee eerder uitgevaardigde strafbeschikkingen.

Vrijspraak feit 1

De economische politierechter is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dat wat hem onder 1 is tenlastegelegd.

Uit de stukken die verdachte op de zitting heeft overgelegd, met name uit een brief van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 12 maart 2019, blijkt dat verdachte al in maart 2019 melding had gemaakt van de oprichting van zijn inrichting. Daarom kan niet worden bewezen dat hij op 2 mei 2019 niet ten minste vier weken voor de oprichting van zijn inrichting type B aan de [adres 2] melding daarvan had gedaan bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

Beoordeling feit 2

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Tijdens de controle op 2 mei 2019 zijn gasflessen aangetroffen in een stalen kast, op een transportkar, in een bestelbus buiten en in de bedrijfsruimte. De in de bestelbus geplaatste gasflessen gelden niet als aanwezig ‘binnen’ de inrichting en de losse flessen in de bedrijfsruimte zijn niet gecontroleerd op inhoud en maat en zouden defect zijn. De flessen waarvan de wijze van opslaan als een strafbaar feit is aangemerkt, betreffen dus alleen de flessen in de kast en op de transportkar. Als er meer dan 125 liter gas wordt opgeslagen in flessen, moet dit gebeuren in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. Volgens de voorschriften van de PGS15 mogen in principe gasflessen met een maximum van totaal 2500 kg/liter worden opgeslagen in een inpandige opslagvoorziening van een inrichting B, maar dat maximum geldt niet voor gasflessen met een medicinale inhoud en bovenop die 2500 liter/kg mag nog een werkvoorraad aanwezig zijn buiten de opslagvoorziening. De in een Hiltrakast, type BSG-3 (en niet een Denios kast zoals de politie stelt in het proces-verbaal van bevindingen) aangetroffen 70 drukhouders van 35 liter, in totaal 2450 liter, bevatten medicinaal lachgas. De Hiltrakast is geen brandveiligheidskast zoals bedoeld in de PGS15 en hoeft daarom niet aan de eisen van een brandveiligheidskast te voldoen. Wel voldeed de kast aan de eis dat de kast brandwerend is voor 60 minuten als sprake is van de opslag van medicinaal gas. Er zat een sticker op de kast waaruit bleek dat de kast 60 minuten brandwerend is en de kast zat altijd dicht. Het vereiste dat een productiecertificaat/keuringrapport van de kast moet worden overgelegd, geldt slechts voor een brandveiligheidskast. In dit geval is dat vereiste, omdat dit een ander type kast is, dus niet relevant. De BSG3 kast is volgens Hilstra wel een PGS15-proof kast voor de opslag van gasflessen.

Uit het dossier kan verder niet volgen dat voor wat betreft het opslaan niet voldaan is aan de regels. De opslag van de 70 drukhouders in de kast voldeed aan de wettelijke vereisten zodat geen sprake is van een strafbaar feit.

Voor wat betreft de flessen op de transportkar worden in het dossier verschillende aantallen genoemd: 54 respectievelijk 64 flessen. Gelet op de op de tenlastelegging genoemde hoeveelheid opgeslagen lachgas, zal zijn uitgegaan van 54 flessen. De gasflessen op de transportkar hadden niet een inhoud van 6,7 liter zoals gesteld in het dossier, maar van 2,6 liter. Gasflessen van 6,7 liter bestaan niet. Dit betekent dat op de transportkar niet 361,8 liter lachgas aanwezig was, maar 145,8 liter. Verder betreft die hoeveelheid de werkvoorraad van verdachte. Voor de werkvoorraad gelden de eisen voor opslag niet, waardoor ook ten aanzien van deze flessen geen sprake is van een strafbaar feit.

De economische politierechter overweegt ten aanzien van de verweren als volgt. Uit de regelgeving van de PSG15 volgt dat de kast die voor opslag van gasflessen wordt gebruikt, niet zijnde een brandveiligheidskast, brandwerend moet zijn voor 60 minuten. Uit het dossier volgt dat de dranger op de deur van de kast defect was, zodat niet kan worden gegarandeerd dat de kast daadwerkelijk brandwerend is voor 60 minuten, ook al zou de kast altijd dicht zitten zoals door verdachte wordt gesteld. Daarmee is niet voldaan aan de voorschriften die worden gesteld aan de opslag van de gasflessen in de kast.

Ten aanzien van de gasflessen op de kar is op foto 9 van het dossier na te tellen dat het gaat om 64 flessen. Dat in de tenlastelegging is uitgegaan van 54 flessen, is in het voordeel van verdachte. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij ongeveer 25.000 euro omzet heeft in een week. Als hij enkel aan particulieren zou verkopen, kom je uit op 10.000 euro omzet in de week. Dat betekent dat verdachte ongeveer 142 liter lachgas per dag verkoopt. Dat is dan ook de werkvoorraad die verdachte op de transportkar aanwezig mag hebben. Uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal volgt dat de flessen een inhoud hadden van 6,7 liter. De economische politierechter heeft geen reden om aan te nemen dat de waarneming van de verbalisanten van de literinhoud niet zou kloppen. Ervan uitgaande dat er 64 flessen met 6,7 liter lachgas op de transportkar stonden, had verdachte een hoeveelheid van 428,8 liter op de transportkar staan, veel meer dan de toegestane werkvoorraad. Een deel van de voorraad op de kar had daar dus niet mogen staan en had op een andere wijze opgeslagen moeten worden.

De economische politierechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de in het ‘Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’ gestelde regels. Hij had in ieder geval veel meer dan 125 liter lachgas niet op de juiste wijze opgeslagen. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen.

De bewezenverklaring

De economische politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 2 mei 2019 in de [gemeente] , als degene die een inrichting type B, bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres 2] opzettelijk niet heeft voldaan aan de krachtens genoemd Besluit gestelde regels, immers waren de gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, te weten in ieder geval meer dan 125 liter, lachgas (Distikstofoxide, UN 1070) opgeslagen in een opslagvoorziening die niet is uitgevoerd en wordt gebruikt overeenkomstig de regels uit hoofdstuk 6 van de Publicatiereeks gevaarlijkenstoffen 15 (PGS-15).

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 23, 24c Wetboek van Strafrecht

1a, 2, 6 Wet economische delicten

8.40

Wet milieubeheer

4.1

Activiteitenbesluit milieubeheer

4.3

Activiteitenregeling milieubeheer

De op te leggen straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de economische politierechter gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

In het belang van de volksgezondheid en bescherming van het milieu is voorgeschreven hoe gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen. Verdachte heeft daar niet aan voldaan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld. Dat weegt mee in zijn voordeel. Ook weegt in zijn voordeel mee dat hij goedwillend is en probeert om aan de regelgeving te voldoen.

Alles afwegende vindt de economische politierechter een geldboete van € 1.250,- een passende straf. Daarvan zal € 500,- voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren, als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst opnieuw een strafbaar feit schuldig te maken.

DE UITSPRAAK

De economische politierechter vernietigt de twee eerder uitgevaardigde strafbeschikkingen en beslist als volgt.

De economische politierechter spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde, omdat zij het feit niet bewezen vindt.

De economische politierechter verklaart het onder 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De economische politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

De economische politierechter verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Een geldboete ter hoogte van € 1250,- (twaalfhonderdvijftig euro) subsidiair 22 dagen hechtenis waarvan € 500,- (vijfhonderd euro) subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De economische politierechter zegt tegen verdachte dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de economische politierechter en de griffier is vastgesteld en door de politierechter is ondertekend. De griffier is buiten staat te ondertekenen.