Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 959
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft terecht een boete opgelegd aan eiseres, omdat het bedrijf het Arbobesluit heeft overtreden. Arbeidsongeval met elektrotrekker. Overtreding artikel 7.5, eerste lid, Arbobesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/959

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Coöperatie Royal Floraholland U.A., te Aalsmeer, eiseres

(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).

Procesverloop

Met een besluit van 31 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 27.000,-.

Met het besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met een besluit van 21 mei 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 december 2020. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam] ( [functie] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Uit het boeterapport van 22 mei 2018 en het aanvullend boeterapport van
21 september 2018 blijkt dat op [dag] februari 2018 in de distributiehal van eiseres in Honselersdijk een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Het slachtoffer is als logistiek medewerker in dienst bij het bedrijf van eiseres. Het slachtoffer reed met een elektrotrekker een sleep, bestaande uit zestien karren geladen met bloemen en planten, over de hellingbaan van de eerste naar de tweede verdieping. Nadat het slachtoffer de sleep had weggezet, keerde zij met de elektrotrekker terug naar de hellingbaan om daar bladeren op te ruimen die zij eerder tijdens het vervoer van de sleep aan het einde van de hellingbaan had verloren. Het slachtoffer heeft de elektrotrekker op de hellingbaan geparkeerd en op de parkeerrem gezet. Op het moment dat zij de elektrotrekker verliet kwam de elektrotrekker ongewild in beweging omdat de handrem stuk was. Hierdoor is het slachtoffer met haar rechterbeen bekneld geraakt tussen de elektrotrekker en de rand van de hellingbaan. Als gevolg van dit arbeidsongeval heeft het slachtoffer haar rechter onderbeen op vier plaatsen gebroken, waarvoor zij één nacht is opgenomen in het ziekenhuis.

2. Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd van € 27.000,- en daaraan twee boeterapporten ten grondslag gelegd. Deze boete heeft verweerder in het bestreden besluit I gehandhaafd. Volgens verweerder is artikel [dag] .5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) overtreden, omdat niet de nodige maatregelen waren genomen om ervoor te zorgen dat het arbeidsmiddel tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat werd gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk was voorkomen. De hoogte van de boete is vastgesteld aan de hand van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregel) zoals die gold op de dag van het arbeidsongeval. Het boetebedrag voor een overtreding als deze bedraagt volgens verweerder € 36.000,-. Daarbij is een normbedrag van € 9.000,- gehanteerd, dat is verhoogd met een factor vier. Het boetebedrag is met 25% gematigd tot een bedrag van € 27.000,-, omdat volgens verweerder is gebleken dat eiseres de noodzakelijke randvoorwaarden had gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze.

3. In het bestreden besluit II heeft verweerder aanleiding gezien om de evenredigheid van de hoogte van de boete opnieuw te beoordelen. Verweerder vond het, gelet op de concrete casus en rekening houdend met de ernst van het letsel, evenredig om in afwijking van de Beleidsregel de boete te vermenigvuldigen met factor drie in plaats van factor vier. Het bezwaar is daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de boete is verminderd tot € 20.250,-. Voor het overige is het bestreden besluit I in stand gelaten.

De wijziging van het bestreden besluit I

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep het bestreden besluit II heeft genomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres mede betrekking op het bestreden besluit II. Gelet op de samenhang van beide besluiten zal de rechtbank de beroepsgronden tegen deze besluiten gezamenlijk bespreken.

Het beroep tegen de bestreden besluiten I en II

5. De rechtbank stelt vast dat het feitencomplex, zoals hiervoor kort weergegeven onder rechtsoverweging 1, tussen partijen niet in geschil is.

6. Eiseres voert primair aan dat geen sprake is van een overtreding. Zij betwist dat de elektrotrekker niet tijdig zou zijn onderhouden.

7. Subsidiair voert eiseres aan dat de boete geheel dan wel gedeeltelijk gematigd moet worden, omdat aan eiseres geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De risico’s die gepaard gaan met het werken met de elektrotrekker zijn voldoende geïnventariseerd en op basis daarvan is een veilige werkwijze ontwikkeld. Eiseres verwijst naar de risico-inventarisatie en -evaluatie. Zij heeft als werkgever daarnaast adequate instructies gegeven en er is adequaat toezicht gehouden.

Wettelijk kader

8. Volgens artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit worden de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen.

9. Uit artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel volgt dat indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit kan leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

  1. ls de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbowet;

  2. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

  3. als er adequate instructies zijn gegeven;

  4. als er adequaat toezicht is gehouden.

Is sprake van een overtreding?

10. Niet in geschil is dat in dit geval 644 bedrijfsuren zaten tussen het controleren en afstellen van de parkeerrem van de elektrotrekker en het arbeidsongeval.

11. De rechtbank is van oordeel dat de elektrotrekker niet toereikend was onderhouden. Uit een mailbericht van de leverancier van de elektrotrekker volgt dat het onderhoud aan de elektrotrekker eerst om de 300 bedrijfsuren moest plaatsvinden en dat dit voor eiseres is bijgesteld naar 600 bedrijfsuren. Onduidelijk is gebleven per wanneer dit is aangepast naar 600 bedrijfsuren. Maar ook al zou de bijstelling op [dag] februari 2018 van toepassing zijn, dan nog had de parkeerrem van de elektrotrekker na elke 600 bedrijfsuren gecontroleerd en afgesteld moeten worden. Omdat dat niet is gebeurd, is sprake van een overtreding van artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit. Dit betekent dat verweerder bevoegd was een bestuurlijke boete op te leggen.

Matiging van de boete op grond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel?

12. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. In dit verband kan een rol spelen dat uit feiten en handelingen blijkt dat de overtreder de overtreding niet opzettelijk heeft begaan.1

13. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel. In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25%. In dit geval heeft verweerder de boete met 25% gematigd omdat eiseres heeft voldaan aan onderdeel b van artikel 1, elfde lid. Hierna zal worden ingegaan op de beroepsgronden van eiseres die gaan over de onderdelen a, c en d van dit artikellid.

14. Zoals ter zitting is besproken gaat het in deze zaak niet zozeer om het gedrag van het slachtoffer. Het gaat erom welke inspanningen eiseres heeft verricht om de concrete overtreding te voorkomen. In dit geval zijn inspanningen van eiseres daarom alleen relevant als zij zijn toegespitst op het door toereikend onderhoud in zodanige staat houden van de elektrotrekker, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen In het licht daarvan is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende inspanningen heeft verricht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

15. De rechtbank stelt allereerst vast dat de motivering van de bestreden besluiten op dit punt vrij summier is, maar dat verweerder in het verweerschrift een toereikende motivering heeft gegeven. De rechtbank betrekt deze motivering in haar beoordeling. Eiseres is daardoor niet in haar belangen geschaad, omdat zij hierop voldoende heeft kunnen reageren.2

16. In de risico-inventarisatie en -evaluatie waarnaar eiseres verwijst wordt de elektrotrekker onderkend als gevaarlijk arbeidsmiddel. Verder wordt hierin in algemene zin vermeld dat risicovolle arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur worden onderhouden. Daarin heeft eiseres echter niet het gevaar voor werknemers van een elektrotrekker die niet toereikend is onderhouden, geïnventariseerd. Evenmin staat daarin hoe is voorzien in het door toereikend onderhoud in zodanige staat houden van de elektrotrekker dat gevaar voor werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Zo staat niet beschreven wat uit veiligheidsoogpunt een aanvaardbare onderhoudsinterval is voor elektrotrekkers. Per risicovol arbeidsmiddel gelden immers andere maatstaven voor wat kan worden beschouwd als toereikend onderhoud. Verweerder heeft dus terecht geen aanleiding gezien tot matiging van de boete op grond van artikel 1, elfde lid, onderdeel a, van de Beleidsregel.

17. Ten aanzien van het geven van adequate instructies, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiseres instructies heeft gegeven over het toereikend onderhoud van de elektrotrekker tijdens de gehele gebruiksduur waardoor de elektrotrekker in een veilige staat wordt gehouden. Zo is niet gebleken dat instructies zijn gegeven wanneer de elektrotrekker onderhouden moet worden, wat het onderhoud aan een elektrotrekker inhoudt en door wie dit wordt uitgevoerd. Ook voor dit onderdeel heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien tot matiging van de boete.

18. Zoals al overwogen heeft eiseres geen veilige werkwijze ontwikkeld en geen adequate instructies gegeven die zien op toereikend onderhoud van de elektrotrekker. Het is dan ook niet aannemelijk dat daarop adequaat toezicht is gehouden. Eiseres heeft toegelicht hoe het toezicht ten aanzien van de werkzaamheden van het slachtoffer plaatsvonden. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het slachtoffer een ervaren medewerkster is, waarbij toezicht niet altijd nodig is. Dit toezicht houdt echter geen verband met het onderhoud elektrotrekker en daarmee niet met de overtreding. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien tot matiging van de boete op grond van artikel 1, elfde lid, onderdeel d, van de Beleidsregel.

19. Nu aan drie van de vier matigingsgronden niet is voldaan en verweerder al één matigingsgrond zelf heeft toegepast, bestaat er geen aanleiding de boete op grond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel verder te matigen.

Conclusie

20. Het beroep is ongegrond.

21. Omdat verweerder het bestreden besluit I heeft gewijzigd en omdat verweerder de bestreden besluiten pas in het verweerschrift heeft voorzien van een voldoende motivering is er reden voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. G.W.J. Harten en
mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden,in aanwezigheid van mr. R. Boerlage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1674, rechtsoverweging 10.1 en verder.

2 Zie artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.