Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7075

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
AWB 20-218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het standpunt van verweerder dat alleen de diensttijd die de reservist daadwerkelijk onder de wapenen heeft doorgebracht mag meetellen als diensttijd, volgt de rechtbank niet. Uit de definitie van het begrip diensttijd in artikel 1 van het BWDEF volgt dat onder diensttijd wordt verstaan de tijd welke betrokkene in dienst dan wel aangesteld is geweest bij het Ministerie van Defensie. Eiser komt op grond van artikel 2, derde lid, onder a van het BWDEF in aanmerking voor een bovenwettelijke aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het beroep is gegrond.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/218

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser (hierna: [eiser] ),

en

de staatssecretaris van [naam] , verweerder (hierna: de staatssecretaris)

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met een besluit van 1 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft de staatssecretaris aan [eiser] met ingang van 2 november 2017 een bovenwettelijke uitkering ( [soort uitkering] ) toegekend en bepaald dat [eiser] na afloop van deze aanvullende uitkering recht heeft op een aansluitende uitkering tot en met 1 mei 2020.

Met een besluit van 16 mei 2018 (het primaire besluit 2) heeft de staatssecretaris aan [eiser] met ingang van 2 april 2018 een [soort uitkering] toegekend en bepaald dat [eiser] na afloop van deze aanvullende uitkering recht heeft op een aansluitende uitkering tot en met 1 april 2021.

Met een besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020.

[eiser] is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1.1

[eiser] is vanaf 16 augustus 1982 tot 1 januari 1997 werkzaam geweest als [functie] bij het [werkgever] , bij de [werkgever] . Aansluitend is [eiser] met ingang van 1 januari 1997 voor onbepaalde tijd aangesteld als [functie] bij de [werkgever] .

1.2

Op 10 november 2017 is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan [eiser] per 2 november 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering) toegekend.

1.3

Op 28 november 2017 heeft [eiser] een aanvraag ingediend voor een [soort uitkering] voor [functie] .

1.4

Op 20 april 2018 heeft het Uwv aan [eiser] per 2 april 2018 een WW-uitkering toegekend.

1.5

Met het primaire besluit 1 heeft de staatssecretaris aan [eiser] met ingang van 2 november 2017 een [soort uitkering] toegekend en bepaald dat [eiser] na afloop van deze aanvullende uitkering recht heeft op een aansluitende uitkering tot en met 1 mei 2020.

1.6

Met het primaire besluit 2 heeft de staatssecretaris aan [eiser] met ingang van 2 april 2018 een [soort uitkering] toegekend en bepaald dat [eiser] na afloop van deze aanvullende uitkering recht heeft op een aansluitende uitkering tot en met 1 april 2021.

1.7

Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [eiser] geen rechtsbelang meer heeft bij een beslissing op bezwaar tegen dit besluit.

1.8

Daarnaast heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard. Volgens de staatssecretaris moet voor het bepalen van de diensttijd zoals in dit geval, worden uitgegaan van de tijd welke betrokkene daadwerkelijk aaneengesloten onder de wapenen was. Uit de stukken blijkt dat [eiser] van 1 september 2011 tot en met 31 maart 2018 in werkelijke dienst is geweest. In de periode hieraan voorafgaand is hij van 1 juni 2003 tot en met 30 juli 2006 in totaal 37 dagen in werkelijke dienst geweest. Gelet op het bovenstaande moet in het geval van [eiser] de aaneengesloten diensttijd worden vastgesteld op 6 jaar en 7 maanden.

1.9

De duur van de aansluitende uitkering is op goede gronden vastgesteld op één jaar, aldus het bestreden besluit. Dit betreft het verschil tussen de WW en de uitkeringsduur van de WW zoals die gold voor 1 oktober 2006. Volgens artikel 42 van de WW, zoals die gold voor 1 oktober 2006, is de duur van de uitkering bij een arbeidsverleden van 30 jaren, tenminste drie jaar. Uit het door [eiser] aangeleverde overzicht van het Uwv blijkt dat [eiser] arbeidsverleden 30 jaar bedraagt. De duur van de aansluitende uitkering is dus het verschil tussen drie jaar en de huidige duur van de WW-uitkering van twee jaar.

2. De rechtbank stelt vast dat het beroep zich uitsluitend richt tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op het primaire besluit 2.

Standpunten van partijen

3. [eiser] voert – samengevat – aan dat hij recht heeft op een aansluitende uitkering tot op de dag dat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Hij is immers boven de [leeftijd] jaar en heeft meer dan tien jaren diensttijd. Aanstelling bij het [werkgever] behoort volgens [eiser] ook tot diensttijd als bedoeld in het Besluit Bovenwettelijke regelingen bij werkloosheid voor de sector [werkgever] ( [werkgever] ). [eiser] is vanaf 1982 tot en met heden aangesteld als [functie] bij het [werkgever] . Eerst als [functie] en daarna aansluitend als [functie] . Volgens [eiser] heeft hij daarom 36 onafgebroken jaren diensttijd opgebouwd. [eiser] betoogt verder dat de staatssecretaris een oude toelichting toepast op een sinds 2012 nieuw vermelde categorie personeel, namelijk ‘ [functie] die behoren tot het [soort personeel] ’, alwaar [eiser] onder valt.

4. Volgens de staatssecretaris is beoogd om alleen de diensttijd die de [functie] daadwerkelijk onder de wapenen, en dus in werkelijke dienst, heeft doorgebracht te betrekken bij de bepaling van de periode waarin recht op een aansluitende uitkering bestaat. Hiervoor bestaan volgens de staatssecretaris een aantal aanknopingspunten:

I. De toelichting op het begrip diensttijd in Staatsblad 1999, nr. 282, artikel 1 onder j:

“De bovenwettelijke aansluitende uitkering is afhankelijk van de leeftijd van betrokkene en de tijd die hij bij het [werkgever] heeft gewerkt. Dit is de diensttijd welke betrokkene ingevolge het Burgerlijk ambtenarenreglement [naam] en of het Algemeen [functie] ambtenarenreglement, dan wel ingevolge de voor de inwerkingtreding van genoemde reglementen, bij het [werkgever] in dienst dan wel aangesteld is geweest.”

Volgens de staatssecretaris volgt hieruit dat de aansluitende uitkering dus afhankelijk zou moeten zijn van de tijd die men daadwerkelijk bij [werkgever] heeft gewerkt. Voor de [functie] betekent dit de tijd dat de [functie] onder de wapenen was. Hetzelfde geldt voor de [functie] , aldus de staatssecretaris.

II. De toelichting op de aansluitende uitkering in Staatsblad 1999, nr. 282, artikel 2:

“Met de introductie van deze op de loongerelateerde WW-uitkering aansluitende uitkeringen wordt de verantwoordelijkheid van de [werkgever] jegens diegene die langere tijd in rijksdienst werkzaam zijn geweest ingevuld.”

Volgens de staatssecretaris wordt hier benadrukt dat men daadwerkelijk langere tijd werkzaam moet zijn geweest om voor de aanvullende aansluitende uitkering in aanmerking te komen, oftewel: onder de wapenen zijn geweest.

III. De uitbreiding van het begrip betrokkene in artikel 1, onder 3e, van het [naam] per 1 januari 2012 in Staatsblad 2012, nr. 59:

“De [functie] die behoort tot het [soort personeel] en als zodanig gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vier maanden feitelijk onder de wapenen is geweest.”

Volgens de staatssecretaris hoeft een [functie] niet opgeroepen te worden, waardoor niet aangenomen kan worden dat de tijd dat [eiser] [functie] was, als diensttijd moet worden aangemerkt. Een [functie] is weliswaar aangesteld bij het [werkgever] , maar lang niet altijd daadwerkelijk onder de wapenen.

Relevante bepalingen

5.1

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het [naam] heeft de betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag voor het intreden van zijn werkloosheid een aaneengesloten diensttijd heeft van tenminste 6 jaar en 40 jaar of ouder is, na afloop van de WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. De duur van de aansluitende uitkering is het verschil in uitkeringsduur tussen de WW en de uitkeringsduur van de WW zoals deze gold voor 1 oktober 2006.

5.2

Op grond van artikel 2, derde lid, onder a, van het [naam] heeft de betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag voor het intreden van zijn werkloosheid een aaneengesloten diensttijd heeft van tenminste 10 jaar en 50 jaar of ouder is, na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

5.3

Op grond van artikel 1 van de [naam] wordt onder betrokkene verstaan:

(…)

3e. de [functie] die behoort tot het [soort personeel] en als zodanig gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vier maanden feitelijk onder de wapenen is geweest;

5.4

Op grond van artikel 1 van het [naam] wordt onder diensttijd verstaan de tijd welke betrokkene in dienst dan wel aangesteld is geweest bij het [werkgever] en in voorkomend geval vermeerderd met de tijd welke betrokkene voordien in dienst is geweest bij de [werkgever] dan wel bij een sector van de [werkgever] .

De vraag die de rechtbank moet worden beantwoorden

6. Niet in geschil is dat [eiser] in ieder geval voldoet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het [naam] .

7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [eiser] voldoet aan de eis van een aaneengesloten diensttijd van tenminste 10 jaar, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a, van het [naam] . Tussen partijen is in geschil wat moet worden verstaan onder het begrip diensttijd als bedoeld in voornoemd artikel.

Wat vindt de rechtbank?

8. Uit de definitie van het begrip diensttijd in artikel 1 van het [naam] volgt dat onder diensttijd wordt verstaan de tijd welke betrokkene in dienst dan wel aangesteld is geweest bij het [werkgever] . Blijkens de overgelegde verklaring van de staatssecretaris van 30 november 2018 is [eiser] bij het [werkgever] werkzaam geweest als [functie] van 7 juli 1982 tot 1 januari 1997 in een arbeidsovereenkomst als Beroeps Bepaalde Tijd bij de [werkgever] en heeft hij vanaf 1 januari 1997 tot heden een aanstelling als [functie] . De periode vanaf 7 juli 1982 moet daarom naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als diensttijd in de zin van artikel 1 van het [naam] .

9. In de door de staatssecretaris aangehaalde toelichting1 is gesteld dat de bovenwettelijke aansluitende uitkering afhankelijk is van de leeftijd van betrokkene en de tijd die hij bij het [werkgever] heeft gewerkt. Dit is de diensttijd welke betrokkene ingevolge het Burgerlijk ambtenarenreglement [naam] en of het Algemeen [functie] ambtenarenreglement, dan wel ingevolge de voor de inwerkingtreding van genoemde reglementen, bij het [werkgever] in dienst dan wel aangesteld is geweest, aldus de toelichting. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat deze toelichting vanwege een gedeeltelijke wijziging van het [naam] niet meer van toepassing is.

10. Anders dan de staatssecretaris betoogt, volgt uit deze toelichting naar het oordeel van de rechtbank niet dat de aansluitende uitkering voor reservisten afhankelijk zou moeten zijn van de tijd die men daadwerkelijk bij het [werkgever] heeft gewerkt, oftewel feitelijk onder de wapenen is geweest, maar betreft het ook de diensttijd die betrokkene bij het [werkgever] aangesteld is geweest.

11. Ook het standpunt van de staatssecretaris dat uit de tekst van artikel 1, onder 3e van het [naam] volgt dat beoogd is alleen de diensttijd die de [functie] daadwerkelijk onder de wapenen heeft doorgebracht mee te laten tellen als diensttijd, volgt de rechtbank niet. Weliswaar volgt uit dit artikel dat onder betrokkene eveneens wordt verstaan de [functie] die behoort tot het [soort personeel] en als zodanig gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vier maanden feitelijk onder de wapenen is geweest, maar dit betreft uitsluitend een definitie van het begrip betrokkene. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat alleen de tijd die de [functie] daadwerkelijk onder de wapenen heeft doorgebracht moet worden aangemerkt als diensttijd in de zin van het [naam] .

12. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat [eiser] voldoet aan de eis van een aaneengesloten diensttijd van tenminste 10 jaar, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a van het [naam] .

Conclusie

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het primaire besluit 2 en voor zover daarbij aan [eiser] na afloop van de uitkeringsduur van de WW-uitkering een aansluitende uitkering is toegekend tot en met 1 mei 2021.

14. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat aan [eiser] na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering een aansluitende uitkering wordt toegekend tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het primaire besluit 2 en daarbij aan [eiser] na afloop van de uitkeringsduur van de WW-uitkering een aansluitende uitkering is toegekend tot en met 1 mei 2021;

  • -

    herroept het primaire besluit 2 en bepaalt dat aan [eiser] na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt wordt toegekend.

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 48,- aan [eiser] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.N. van Soest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Staatsblad 1999, nr. 282, artikel 1 onder j.