Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:7069

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
C/13/692739 / KG ZA 20-1019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Schorsen tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis na belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/9, UDH:S&E HW/50498 met annotatie van Wouter Kempe
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/692739 / KG ZA 20-1019 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 20 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 12 november 2020,

advocaat mr. W. Albers te Amsterdam,

tegen

de stichting

WOONSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. Groenewoud te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Eigen Haard worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op de mondelinge behandeling van 19 november 2020 heeft [eiser] zijn vordering toegelicht. Eigen Haard heeft verweer gevoerd. [eiser] heeft producties in het geding gebracht en Eigen Haard een pleitnotitie.

1.2.

Op de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- [eiser] met zijn zuster, broer en mr. Albers,

- aan de zijde van Eigen Haard: [naam 1] en mr. Groenewoud.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Sinds 24 april 2015 verhuurt Eigen Haard aan [eiser] de woning aan de [adres 1] (hierna: de woning).

2.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 29 september 2020 van de kantonrechter van deze rechtbank (hierna: het vonnis) is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen:

(…)

6. De kantonrechter stelt voorop dat de bewijslast van het ontbrekend hoofdverblijf (…) op Eigen Haard rust. (…)

7. Eigen Haard verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar het feit dat zij in de periode van mei 2019 tot en met november 2019 negen onaangekondigde huisbezoeken heeft afgelegd (…), maar [eiser] is nooit in de woning aangetroffen. Eigen Haard verwijst verder naar de verklaringen van twee omwonenden (…) waaruit blijkt dat [eiser] al anderhalf tot twee jaar niet meer bij de woning is gezien, de afrekening warmte- en servicekosten 2018 waaruit blijkt dat [eiser] over het jaar 2018 geen warmte heeft verbruikt, het feit dat uit de bankafschriften van [eiser] over de periode september 2018-september 2019 blijkt dat zijn pintransacties vaker buiten dan binnen [woonplaats] plaatsvonden en dat [eiser] in die periode slechts zes keer boodschappen heeft gedaan in de buurt van de woning. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Eigen Haard verder toegelicht dat zij tijdens het huisbezoek op 23 augustus 2019 (…) heeft geconstateerd dat de woning er niet bewoond uitzag. Dat heeft Eigen Haard opgemaakt uit het ontbreken van i) foto’s aan de muur, ii) rommeltjes op tafel of de kasten, iii) fruit op de fruitschaal, iv) producten in de ijskast, v) kleding in de kasten en verder uit het feit dat de banken in de woonkamer en de slaapkamer zo strak waren opgemaakt dat ze eruit zagen als in een advertentie.

8. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] zijn verweer dat hij wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiser] heeft in de conclusie van antwoord aangevoerd dat hij overdag veel van huis is en dat daarom aan de huisbezoeken (die alle tussen 09.00 uur en 19.00 uur plaatsvonden) niet teveel waarde mag worden gehecht. Gelet op de hoeveelheid tijdstippen waarop [eiser] niet thuis werd aangetroffen, had het op zijn weg gelegen om concreet toe te lichten welke activiteiten hem kennelijk structureel verhinderden om tussen 09.00 en 19.30 uur thuis te zijn. Dat heeft [eiser] nagelaten. Als verklaring voor het feit waarom buren hem lang niet in de flat zagen, heeft [eiser] aangevoerd dat hij in 2018 en 2019 langere periodes bij zijn dementerende moeder in Friesland heeft verbleven. Dat dit daadwerkelijk het geval was, heeft [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd. De bankafschriften van [eiser] van de periode september 2018-september 2019 laten eerder een ander beeld zijn. De pintransacties die er zijn geweest, hebben op allerlei verschillende locaties in het land plaatsgevonden. Tevens laten die bankafschriften zien dat er gedurende een jaar nauwelijks pintransacties in de buurt van de woning hebben plaatsgevonden wat opmerkelijk is als [eiser] zijn hoofdverblijf zou hebben (gehad) in de woning. [eiser] heeft daarvoor geen verklaring gegeven, anders dan dat hij een druk bezet man is. Voor het feit dat hij in 2018 geen stookkosten heeft gemaakt, heeft [eiser] als verklaring gegeven dat de woning ongeveer 19 graden is zonder dat de verwarming aanstaat vanwege warmteafgifte van een verwarmingsbuis in de gang. De kantonrechter vindt dat zonder nadere toelichting niet aannemelijk. [eiser] – die al 5 jaar woont in de woning – had dat bijvoorbeeld kunnen toelichten aan de hand van afrekeningen uit eerdere jaren waaruit dan ook zou moeten blijken dat hij geen stookkosten heeft gemaakt. Ook de tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stelling dat [eiser] weinig elektra verbruikt, is niet met bewijsstukken onderbouwd. Tegenover het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd – waarbij ook acht wordt geslagen op de omstandigheid dat Eigen Haard tijdens de bezichtiging van de woning (…) nauwelijks kleding van [eiser] en een nagenoeg lege ijskast heeft aangetroffen – zijn de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen van twee omwonenden (…) te weinig concreet en specifiek om de onderbouwde stellingen van Eigen Haard te kunnen weerleggen. Andere controleerbare objectieve feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in de woning, heeft [eiser] niet aangevoerd.

9. De conclusie van het voorgaande is dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] in ieder geval in de periode 2018/2019 niet zijn hoofdverblijf had in de woning.

(…)”.

2.3.

Het vonnis is aan [eiser] betekend en de ontruiming van de woning is aangezegd tegen 23 november 2020.

2.4.

Bij appeldagvaarding met grieven van 12 november 2020 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De dagvaarding wordt op de rol van 24 november 2020 aangebracht bij het gerechtshof Amsterdam. In de appeldagvaarding heeft [eiser] het gerechtshof verzocht het appel als een spoedappel te behandelen.

2.5.

[eiser] heeft een verklaring van [naam 2] in het geding gebracht waarin, voor zover van belang, het volgende staat:

(…) Bij deze wil ik vertellen dat [eiser] mijn goeie vriend is sinds 1989 en we af en aan een romantische periode hebben gekend.

Ik zelf heb altijd mijn eigen huishouding gehad en uiteraard zijn er dagen geweest dat we om en om bij elkaar sliepen.

(…)

We zijn nog steeds bevriend, maar al sinds 2016 niet meer romantisch.(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – de executie van het vonnis te schorsen, dan wel de executie van het vonnis te schorsen tot na de behandeling en uitspraak van het (spoed)appel, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten.

3.2.

[eiser] voert hiertoe, samengevat, het volgende aan. In de procedure bij de kantonrechter ontbrak een uitgebreide onderbouwing van de stelling van [eiser] dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning. In hoger beroep heeft hij deze stelling wel uitgebreid onderbouwd en voorzien van nieuwe bewijsstukken. De appeldagvaarding met grieven wordt op de rol van 24 november 2020 bij het gerechtshof Amsterdam ingediend. Het gerechtshof is verzocht het appel als spoedappel te behandelen. Op basis van de grieven in hoger beroep dient de executie van het vonnis te worden geschorst. [eiser] heeft Eigen Haard verzocht hangende het hoger beroep niet tot ontruiming over te gaan, maar Eigen Haard wil daar geen gehoor aan geven. Daarmee maakt Eigen Haard misbruik van recht. [eiser] heeft een groot belang bij behoud van de woning, omdat bij gebreke van alternatieve woonruimte hij op straat zal komen te staan. [eiser] kan niet bij zijn ex-vriendin [naam 2] intrekken. Zij gaan nog vriendschappelijk met elkaar om, maar bij haar wonen is geen mogelijkheid. [eiser] heeft omwonenden nooit overlast bezorgd, heeft altijd netjes de huur betaald en heeft de woning nimmer onderverhuurd. Ook het schuldhulptraject bij de gemeente zal in problemen komen door de ontruiming.

3.3.

Eigen Haard heeft, samengevat, het volgende verweer gevoerd. De kans van slagen van het hoger beroep mag niet worden meegewogen. Eigen Haard beschikt over een titel om de woning te ontruimen en is daartoe dus bevoegd. Eigen Haard kan de woning na de ontruiming weer toevoegen aan het bestand van schaarse sociale huurwoningen, waarvoor lange wachtlijsten bestaan. [eiser] zal niet op straat komen te staan, omdat hij bij zijn vriendin [naam 2] kan intrekken.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, geldt in een executiegeschil het volgende. Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of arrest direct ten uitvoer kan worden gelegd, nog voordat in een hogere voorziening is beslist. Het vonnis van 29 september 2020 van de kantonrechter van deze rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder motivering van die beslissing. In dat geval kan afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde of in te stellen rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Hieraan ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat, in het geval de eerste rechter een niet gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet worden aangenomen dat daarover nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden. De rechter in het executiegeschil moet deze afweging daarom alsnog maken. Bij die belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van het vonnis en moet de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke misslag.

4.2.

[eiser] heeft gesteld dat hij aan de hand van nieuwe bewijsstukken in hoger beroep zal kunnen bewijzen dat hij zijn hoofdverblijf heeft (gehad) in de woning. De vraag of [eiser] zijn hoofdverblijf heeft (gehad) in de woning is aan de orde geweest in de procedure voor de kantonrechter. Deze vraag zal in appel weer aan de orde komen, maar niet in deze procedure; een executiegeschil mag niet worden gebruikt als verkapt hoger beroep.

4.3.

In dit kort geding zal worden beoordeeld of een afweging van de belangen van partijen op dit moment rechtvaardigt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis wordt geschorst, dat wil zeggen dat [eiser] hangende het hoger beroep de uitkomst daarvan in zijn woning mag afwachten.

4.4.

Zoals gezegd moet in deze procedure de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten. In het kader van de belangenafweging wordt echter wel meegewogen dat [eiser] in de appeldagvaarding meteen de grieven tegen het vonnis heeft opgenomen. Ook heeft hij het hof verzocht de zaak als een spoedappel te behandelen. Hij heeft er dus alles aan heeft gedaan om het hoger beroep voortvarend te laten verlopen. Bovendien heeft hij bij de appeldagvaarding een flink aantal producties gevoegd die bij de kantonrechter nog niet in het geding waren gebracht en die de kantonrechter dus niet bij de beoordeling heeft kunnen betrekken. Het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand is groot: ontruiming van de woning is feitelijk onomkeerbaar. Er is een reële kans, zoals Eigen Haard op de mondelinge behandeling ook heeft bevestigd, dat, als de ontruiming doorgaat, de woning niet meer voor hem beschikbaar zal zijn als hij in hoger beroep alsnog gelijk krijgt. Eigen Haard heeft aangevoerd dat [eiser] bij [naam 2] kan gaan wonen en dus niet op straat zal komen te staan. [eiser] heeft, gelet op de verklaring van [naam 2] , voldoende aannemelijk gemaakt dat tussen [naam 2] en hem nog een goede vriendschap bestaat, maar dat zij sinds 2016 geen relatie meer hebben, zodat voorshands niet aannemelijk is dat [eiser] bij haar kan intrekken.

4.5.

Het belang van Eigen Haard bij onmiddellijke ontruiming van de woning is minder evident. Eigen Haard heeft aangevoerd dat zij over een titel beschikt om de woning te ontruimen. De enkele aanwezigheid van zo’n bevoegdheid impliceert nog niet dat zij de woning ook per se nu moet ontruimen. Juist is dat Eigen Haard kan en moet optreden tegen woonfraude en het belang van Eigen Haard bij tenuitvoerlegging van het vonnis is gelegen in het zo snel mogelijk kunnen verhuren van de woning aan iemand die daarvoor in aanmerking komt, en zeer waarschijnlijk al lang op de wachtlijst staat. Nu – naar [eiser] stelt en Eigen Haard niet betwist – geen sprake is van een achterstand in de betaling van de huur, [eiser] geen overlast veroorzaakt, niet gebleken is dat hij de woning onderverhuurt en geen andere verplichtingen uit de huurovereenkomst schendt, heeft Eigen Haard onvoldoende toegelicht waarom de tenuitvoerlegging niet kan wachten totdat het hoger beroep tegen het vonnis is behandeld. Bovendien heeft Eigen Haard in haar beslissing om tot tenuitvoerlegging over te gaan tot uitgangspunt genomen dat [eiser] bij zijn (ex-)vriendin [naam 2] kan gaan wonen, welk uitgangspunt – zoals hiervoor is overgenomen – voorshands minst genomen discutabel is. Op grond van bovenstaande kan van Eigen Haard worden gevergd dat zij de appelprocedure afwacht.

4.6.

De slotsom is dat de vordering onder 3.1. onder II wordt toegewezen.

4.7.

Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 83,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 29 september 2020 door de kantonrechter uitgesproken ontruiming totdat op het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep zal zijn beslist,

5.2.

veroordeelt Eigen Haard in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.063,-,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, op 20 november 2020.1

1 type: MvG coll: BB