Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6818

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
C/13/693442 / KG ZA 20-1060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een voormalig pastoor van een kerk in Amsterdam moet de dienstwoning in de pastorie verlaten.

Een persoon die met toestemming van de voormalig pastoor in een kamer van de pastorie verbleef, moet die ruimte verlaten. Het Bisdom hoeft een interne brief niet te rectificeren. Het is niet aan de rechter om te beoordelen of het Bisdom in interne aangelegenheden wel of niet nader onderzoek moet doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2021/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/693442 / KG ZA 20-1060 AB/MvG

Vonnis in kort geding van 30 december 2020

in de zaak van

de kerkelijke rechtspersoon

HET BISDOM HAARLEM - AMSTERDAM,

gevestigd te Haarlem,

eiser in conventie bij dagvaarding van 2 december 2020,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M. Bakhuis te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.H. Haarsma te Paterswolde.

Partijen zullen hierna het Bisdom, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

Op de mondelinge behandeling van 17 december 2020 heeft het Bisdom zijn vorderingen toegelicht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verweer gevoerd. [gedaagde sub 1] heeft tegenvorderingen ingediend, die het Bisdom heeft bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op heden.

Op de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- [naam 1] , algemeen econoom van het Bisdom, en mr. Bakhuis;

- [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , mgr. dr. R. [naam 3] , kerkrechtelijk advocaat, en mr. Haarsma.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] heeft tot april 2019 gewerkt als priester en pastoor van de [kerk 1] in Amsterdam (de parochie en/of [kerk 1] ). Als pastoor van de parochie is hem woonruimte ter beschikking gesteld in de pastorie, aan de [adres] . De parochie is eigenaar van deze dienstwoning. Ook [gedaagde sub 2] woont in de pastorie.

2.2.

Eind september 2018 heeft [naam 2] , lid van de Diocesane Pastorale Raad van het Bisdom Haarlem-Amsterdam, een melding gedaan over [gedaagde sub 1] bij het Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag RKK.

2.3.

Op 20 november 2018 hebben [gedaagde sub 1] en bisschop [bisschop] in aanwezigheid van [naam 3] en dr. [naam 4] , kanselier van het Bisdom, gesproken over deze melding. Op 12 december 2018 heeft [gedaagde sub 1] schriftelijk gereageerd op dit gesprek en de melding van [naam 2] .

2.4.

Bij brief van 14 februari 2019 heeft bisschop [bisschop] [gedaagde sub 1] bericht over de afhandeling van de melding en aan [gedaagde sub 1] een coachingstraject aangeboden. In deze brief wordt beschreven dat [naam 2] bij het meldpunt heeft gemeld: (i) dat zij een aantal foto’s heeft gezien van het bed van [gedaagde sub 1] met daarboven kindertekeningen, en dat die foto’s naar de ouders en de kinderen zijn verstuurd, (ii) dat [gedaagde sub 1] zich tijdens een jongerenkamp in het bijzijn van jongeren en [naam 2] op het strand heeft uitgekleed en met een handdoek om zijn middel zijn zwembroek heeft aangetrokken, (iii) dat enkele keren tijdens besloten Taizé-avonden in 2012 een mannelijke bezoeker aanwezig mocht zijn, van wie bij meerdere parochianen bekend was dat hij een bijzondere voorkeur had/heeft voor jonge jongens, (iv) dat misdienaars van zeven of acht jaar aan het einde van de eucharistieviering de kelk met geconsacreerde wijn moesten leegdrinken en (v) dat [gedaagde sub 1] zijn huishoudster tijdens een feest een glas wijn heeft aangeboden, terwijl hij wist dat zij een verleden heeft van drugs, alcoholverslaving en prostitutie.
Verder schrijft bisschop [bisschop] het volgende in deze brief:

Maar ik zou u van mijn kant wel attent willen maken op het gegeven dat binnen de vertrouwelijkheid van onze conversatie noch uw goede naam noch uw recht op een gerechtelijke beoordeling conform de voorschriften van het recht ook maar even in het geding zijn geweest: zoals betaamt, ga ik vooralsnog uit van uw onschuld, tenzij het tegengestelde bewezen zou worden, en – uitgaande van uw goede wil en uw veronderstelde inzet om van het verleden te willen leren – gaat mijn voorkeur er niet naar uit om de zaak extra te belasten met een gerechtelijke procedure, waarbij ook nog eens gedacht moet worden aan een suspensie van uw priesterlijke taken lopende het onderzoek. Dit alles neemt niet weg dat ik meen te moeten opmerken dat de onderwerpen die tijdens ons gesprek de revue passeerden, weliswaar alle door u in uw beantwoording correct zijn hernomen, maar de antwoorden mij op verschillende punten niet geheel bevredigend voorkomen, niet in het minst door een zekere ambiguïteit van uitdrukkingswijze en een zeer sterke beklemtoning van uw eigen inschattingsvermogen. Het moge echter duidelijk zijn dat, voorafgaand aan onze eigen voorstellingen en ideeën, ons pastoraal werken slechts naar behoren kan plaatshebben binnen de objectieve zedelijke orde, waarnaar we ons te richten hebben en waarop we ook aangesproken moeten kunnen worden.”.

2.5.

In april 2019 verscheen het door [gedaagde sub 1] geschreven autobiografische boek Ontkleed niet naakt staan. Op de achterzijde van dit boek staat onder meer de volgende tekst: ‘Na 25 jaar priesterschap komt [persoon] in dit boek als homoseksuele man opnieuw uit de kast. Hij vertelt het verhaal van zijn leven: over zijn religieuze, seksuele en relationele ervaringen, over gebed en een verslaving aan het kijken van porno.’.

2.6.

Bij bisschoppelijk decreet van 11 april 2019 is [gedaagde sub 1] geschorst als priester. [gedaagde sub 1] is tegen dit decreet in beroep gegaan, welk beroep is afgewezen bij bisschoppelijk decreet van 23 mei 2019.

2.7.

Bij bisschoppelijk decreet van 24 juni 2019 is [gedaagde sub 1] ontheven als pastoor van de [kerk 1] . [gedaagde sub 1] is tegen dit decreet in beroep gegaan. Het beroep is afgewezen bij bisschoppelijk decreet van 19 juli 2019.

2.8.

Bij brief van 24 december 2019 heeft bisschop [bisschop] [gedaagde sub 1] bericht dat hij zijn brief van 14 februari 2019 aan [gedaagde sub 1] intrekt, nu op andere wijze wordt voorzien in een traject van bezinning en begeleiding.

2.9.

[gedaagde sub 1] is tegen de bisschoppelijke decreten in hoger beroep gegaan in de hiervoor aangewezen kerkelijke procedure, waarin hij is bijgestaan door [naam 3] . Deze kerkelijke procedure is tot in hoogste instantie gevoerd. Bij decreet van 28 mei 2020 van de Congregatie van de Clerus te Rome is beslist dat [gedaagde sub 1] geschorst wordt/blijft als priester. In dit decreet wordt verwezen naar de onder 2.4 aangehaalde brief van 14 februari 2019. Bij decreet van dezelfde datum heeft de congregatie beslist dat [gedaagde sub 1] het ambt van pastoor wordt ontnomen. Op 31 mei 2020 heeft paus Franciscus beide decreten goedgekeurd.

2.10.

Bij brief van 21 juli 2020 heeft het Bisdom [gedaagde sub 1] verzocht zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 15 november 2020, de dienstwoning ter beschikking te stellen aan pastoor [naam 5] . Verder heeft het Bisdom hem verzocht schriftelijk te bevestigen dat hij naar een andere woning zal verhuizen, bij voorkeur buiten Amsterdam, waarbij het Bisdom bereid is hem een huurbijdrage van € 1.000,- per maand te betalen. Op 16 oktober 2020 heeft het Bisdom [gedaagde sub 1] een brief met inhoud van gelijke strekking gestuurd.

2.11.

Bij brief van 28 oktober 2020 van zijn advocaat heeft [gedaagde sub 1] het Bisdom gevraagd of bisschop [bisschop] de congregatie schriftelijk heeft meegedeeld dat de bisschop zijn brief van 14 februari 2019 aan [gedaagde sub 1] op 24 december 2019 had ingetrokken. Verder staat in deze brief dat [gedaagde sub 1] pas als hierover duidelijkheid is antwoord kan geven op de vraag of hij de dienstwoning vrijwillig zal verlaten

2.12.

Bij brief van 30 oktober 2020 heeft bisschop [bisschop] (de advocaat van) [gedaagde sub 1] bericht dat het Bisdom de congregatie mondeling heeft meegedeeld dat de brief van 14 februari 2019 was ingetrokken.

2.13.

Bij brief van 5 november 2020 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] zich tegenover de advocaat van het Bisdom op het standpunt gesteld dat de brief van 14 februari 2019 van belangrijke invloed is geweest op de inhoud van de decreten van 28 mei 2019 en dat de congregatie waarschijnlijk andere beslissingen had genomen als zij van de intrekking van die brief op de hoogte was geweest.

2.14.

Bij brief van 23 november 2019 heeft de advocaat van het Bisdom [gedaagde sub 2] bericht dat hij zonder recht of titel in de dienstwoning verblijft en hem verzocht de dienstwoning binnen twee weken te verlaten. Daarop heeft [gedaagde sub 2] schriftelijk gereageerd dat hij niet van plan is in de dienstwoning te blijven of zich op huurrechten te beroepen in het geval [gedaagde sub 1] de dienstwoning moet verlaten.

2.15.

Bij e-mail van 14 december 2020 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] de advocaat van het Bisdom laten weten dat (de kerkrechtelijke advocaat van) [gedaagde sub 1] de paus op 30 november 2020 een brief heeft geschreven, met daarin het verzoek om een nieuw onderzoek te starten en de decreten van de congregatie te herzien. Daarbij werd voorgesteld dit kort geding aan te houden in afwachting van een oordeel van de paus. De advocaat van het Bisdom heeft dezelfde dag meegedeeld dat het kort geding niet zou worden uitgesteld, omdat ook als de decreten niet in stand blijven, [gedaagde sub 1] niet als pastoor zal terugkeren in de [kerk 1] . Verder heeft het Bisdom laten weten dat het voor [gedaagde sub 1] een woning heeft gevonden in [woonplaats] , die per 21 december 2020 beschikbaar is.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Het Bisdom vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de dienstwoning te verlaten en te ontruimen, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Het Bisdom stelt daartoe dat de brief van 14 februari 2019 niet van invloed is geweest op de door de congregatie uitgevaardigde decreten van 28 mei 2020. De decreten zijn gebaseerd op het boek van [gedaagde sub 1] en de publiciteit daaromheen, waaruit blijkt van zijn beleving van het celibaat en zijn ongehoorzaamheid. Nu [gedaagde sub 1] niet langer pastoor is van de [kerk 1] , moet hij de dienstwoning ontruimen. Zelfs als de decreten niet in stand blijven, zal [gedaagde sub 1] de bisschop moeten gehoorzamen en diens aanwijzing om de dienstwoning te verlaten moeten opvolgen. Een terugkeer van [gedaagde sub 1] in de [kerk 1] zit er namelijk niet meer in. Overigens was aan [gedaagde sub 1] al voordat deze kwestie speelde meegedeeld dat hij zou worden overgeplaatst naar een andere parochie, wat overigens niet ongebruikelijk is binnen de Rooms Katholieke Kerk.

Subsidiair stelt het Bisdom dat de burgerlijke rechter zich dient te onthouden van een oordeel over de gronden die aan decreten van de congregatie ten grondslag liggen. Evenmin mag de burgerlijke rechter de decreten beoordelen op volledigheid of consistentie. De congregatie heeft als bevoegd forum in hoogste instantie beslist dat [gedaagde sub 1] wordt geschorst als priester en wordt ontheven uit het ambt van pastoor. De burgerlijke rechter is alleen dan niet aan de decreten van de congregatie gebonden indien in die procedure sprake is geweest van een schending van dwingend recht, dat een belang van zo fundamentele aard beschermt, dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval niet kan worden aanvaard. Dat is hier niet het geval. De kerkelijke procedure is volgens de daartoe vastgestelde regels gevoerd. Als [gedaagde sub 1] , bijgestaan door een advocaat en hoogleraar in het kerkelijk recht, het van belang vond dat de congregatie bekend was met de brief van 24 december 2019, dan had het op zijn weg gelegen om die brief over te leggen in de kerkelijke procedure.

[gedaagde sub 2] verblijft zonder recht of titel in de dienstwoning en moet om die reden de dienstwoning verlaten.

Het Bisdom heeft er een spoedeisend belang bij dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de dienstwoning verlaten, zodat pastoor [naam 5] deze kan betrekken.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert aan dat niet het Bisdom, maar de parochie eigenaar is van de dienstwoning. Het Bisdom heeft geen schriftelijke verklaring in het geding gebracht dat het als lasthebber van de parochie in dit kort geding mag optreden, zodat het Bisdom niet bevoegd is deze procedure te voeren.

Bisschop [bisschop] heeft de congregatie niet bericht dat hij zijn brief van 14 februari 2019 met zijn brief van 24 december 2019 had ingetrokken. In die brief van 14 februari 2019 staan valse aantijgingen aan het adres van [gedaagde sub 1] . De decreten van de congregatie zijn gestoeld op die brief en als de congregatie ervan op de hoogte was geweest dat die brief was ingetrokken, had zij waarschijnlijk anders geoordeeld. De kerkrechtelijke procedure is dus op onzorgvuldige en onrechtmatige wijze gevoerd. [gedaagde sub 1] heeft de paus dan ook gevraagd de decreten te herzien. Nu deze kwestie nog voorligt, is het nog niet zeker dat [gedaagde sub 1] de pastorie/de dienstwoning moet verlaten en kan van het Bisdom worden verwacht dat het de reactie van de paus afwacht.

Toen [gedaagde sub 2] in de pastorie zijn intrek nam, is hij een vergoeding gaan betalen. Het Bisdom heeft [gedaagde sub 2] gevraagd hiermee te stoppen, omdat anders een huurrelatie zou ontstaan. [gedaagde sub 2] betaalt nu een vergoeding aan [gedaagde sub 1] die deze doorbetaalt aan het parochiebestuur. Het is daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde sub 2] huurbescherming toekomt.

[naam 5] is pastoor van de [kerk 2] in Amsterdam en administrator van de [kerk 1] . Pastoor [naam 5] woont in de pastorie van de [kerk 2] en heeft ook woonruimte in het bisschopshuis in [woonplaats] . Het Bisdom heeft dus geen spoedeisend belang omdat dringend gebruik van de dienstwoning door pastoor [naam 5] niet aan de orde is.

De door het door het Bisdom aan [gedaagde sub 1] aangeboden woning in [woonplaats] is niet passend.

Nadat [gedaagde sub 1] per 24 juni 2019 uit zijn pastoorsambt is gezet, is hij in de dienstwoning gebleven en heeft hij maandelijks een vergoeding betaald aan het parochiebestuur. Het karakter van de eigenlijke dienstwoning is daardoor gewijzigd naar dat van een gewone huurovereenkomst.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde sub 1] vordert het Bisdom, dan wel bisschop [bisschop] , te veroordelen tot rectificatie van de brief van 14 februari 2019 over te gaan en een onafhankelijk onderzoek te doen instellen naar de melding die [naam 2] heeft gedaan bij het R.K.-Meldpunt grensoverschrijdend gedrag, alles op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van het Bisdom in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde sub 1] stelt daartoe dat het Bisdom de valse aantijgingen van [naam 2] zonder onderzoek één op één heeft overgenomen in de brief van 14 februari 2019. Het wordt tijd voor een onderzoek om de onderste steen boven te krijgen.

4.3.

Het Bisdom heeft aangevoerd dat bisschop [bisschop] geen partij is in deze procedure, zodat de vordering alleen om die reden al moet worden afgewezen. De brief van 14 februari 2019 is een samenvatting van wat er met [gedaagde sub 1] is besproken. Er valt dan ook niets te rectificeren. [gedaagde sub 1] heeft ook niet duidelijk gemaakt wat er precies gerectificeerd zou moeten worden. Het is niet aan de burgerlijk rechter om te bepalen dat bisschop [bisschop] een onderzoek moet instellen naar de melding van [naam 2] . [gedaagde sub 1] heeft de paus al verzocht om een nieuw onderzoek en er is geen aanleiding om hierop vooruit te lopen. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] niet duidelijk gemaakt wat precies moet worden onderzocht.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Bisdom een schriftelijke verklaring van de parochie in het geding gebracht, waarin staat dat het Bisdom als lasthebber in eigen naam ten behoeve van de parochie mag optreden. Het Bisdom is dus bevoegd om deze procedure te voeren.

5.2.

Het Bisdom heeft onweersproken gesteld dat de pastoriewoning een aanbouw is van de [kerk 1] , dat de bewoning was gekoppeld aan het door [gedaagde sub 1] beklede ambt van pastoor van die kerk en dat het bewonen van de pastorie een goede vervulling bevorderde van diens werkzaamheden als pastoor.

Het gaat dus om een eigenlijke dienstwoning en [gedaagde sub 1] heeft dan ook geen huurbescherming. Dat is niet anders geworden doordat het Bisdom hem, in afwachting van de uitkomst van de kerkelijke procedures, ook na zijn schorsing/ontheffing nog in de dienstwoning heeft laten verblijven.

5.3.

[gedaagde sub 1] heeft een kamer in de pastorie ter beschikking gesteld aan [gedaagde sub 2] , die hem daarvoor iets betaalt. Als dit [gedaagde sub 2] al de positie van onderhuurder zou verschaffen, dan huurt hij onzelfstandige woonruimte en heeft hij geen recht op huurbescherming. Met de parochie of het Bisdom heeft [gedaagde sub 2] geen overeenkomst, integendeel, het Bisdom wenste van hem geen vergoeding voor het gebruik te ontvangen, omdat anders een huurrelatie zou kunnen ontstaan. Als de pastorie door [gedaagde sub 1] moet worden ontruimd, dan geldt dat dus ook voor [gedaagde sub 2] .

5.4.

Het Bisdom heeft desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de woning direct na ontruiming als woning aan pastoor [naam 5] zal worden toegewezen en dat die gehouden is daar in te trekken. Daarmee is het spoedeisend belang bij ontruiming gegeven.

5.5.

Weliswaar heeft het Bisdom de decreten van 28 mei 2020 ten grondslag gelegd aan het verzoek tot ontruiming van de pastorie, maar de bisschop vindt het ook los van die decreten hoog tijd voor [gedaagde sub 1] om te vertrekken bij de [kerk 1] . Als het aan de bisschop ligt komt hij daar hoe dan ook niet meer terug en het ligt hier aan niemand anders dan de bisschop. [gedaagde sub 1] heeft immers niet weersproken dat hij als priester verplicht is om de bisschop te gehoorzamen. Als de bisschop hem overplaatst dan heeft hij dus eenvoudigweg te gaan.
Daarmee valt het doek voor zijn verblijf in de pastorie van de [kerk 1] , ongeacht het resultaat van zijn laatste verzoek aan de paus.

5.6.

Het is begrijpelijk dat [gedaagde sub 1] het hoog opneemt dat van één bepaalde persoon afkomstige beschuldigingen aan zijn adres, waarover mensen die hen beiden kennen verklaren dat ze meer zeggen over haar dan over hem, een eigen leven zijn gaan leiden in de brief van 14 februari 2019, die, ofschoon later ingetrokken, ook bij de congregatie is beland. In het decreet waarbij zijn ontheffing uit het ambt van pastoor werd bevestigd – en dat is het decreet waar het bij ontruiming van de pastorie in de eerste plaats om zou gaan – wordt echter noch aan die brief, noch aan de inhoud daarvan gerefereerd. Die ligt dus ook niet aan dat decreet ten grondslag. Een enkele verwijzing in dat decreet naar artikel c 1389,1 over misbruik van het kerkelijk ambt, kan dat niet anders maken. Kortom, ook als dit decreet ertoe zou doen voor de beslissing tot ontruiming, is het hoogst onwaarschijnlijk dat het verzoek aan de paus tot herroeping daarvan zou leiden.

5.7.

De slotsom is dat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is.

5.8.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van het Bisdom begroot op € 100,89 aan explootkosten, € 656,00 aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat.

5.9.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Voor zover de vordering is gericht tegen de bisschop moet die worden afgewezen, omdat niet de bisschop maar het Bisdom partij is in deze procedure.

6.2.

Voor zover de brief van 14 februari 2019 aan het Bisdom zou moeten worden toegerekend, geldt dat het niet om een publicatie gaat maar om een interne brief, die inmiddels is ingetrokken. [gedaagde sub 1] heeft niet duidelijk gemaakt welke passages onrechtmatig zouden zijn en hoe en tegenover wie die zouden moeten worden gerectificeerd. Ten slotte is het niet aan de rechter om de beoordelen of het Bisdom in interne aangelegenheden wel of niet nader onderzoek moet doen.

6.3.

De vordering zal dan ook worden afgewezen. [gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van het Bisdom begroot op nihil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de woonruimte aan de [adres] na betekening van dit vonnis binnen zes weken met de hunnen en het hunne te ontruimen en te verlaten en bezemschoon en onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van het Bisdom te stellen,

7.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van het Bisdom tot op heden begroot op € 1.736,89,

7.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

7.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

7.6.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van het Bisdom tot op heden begroot nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2020.1

1 type: MvG coll: MV