Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6760

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
13/153189-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/153189-20

Datum uitspraak: 29 december 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 15 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.H. Boomstra, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 5 juni 2020 [slachtoffer] heeft bedreigd door in een Instagram-bericht te schrijven dat hij haar op 17 juni 2020 tijdens een vergadering van de Tweede Kamer met een pistool zou vermoorden (feit 1). Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op 11 mei 2020 een geldbedrag van € 10.167,- heeft witgewassen (feit 2).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 5 juni 2020 heeft een bestuurslid van de politieke partij BIJ1 een screenshot van een bericht in een chatgesprek op Instagram ontvangen. Het betrof een bericht binnen de chatgroep van [chatgroep] ( de [chatgroep] ). In dat bericht staat: “Ik ga [slachtoffer] vermoorden met een glock 17, op 17-06-2020 tijdens een 2e kamer vergadering om 17:00”. [slachtoffer] is door hem van dit bericht op de hoogte gebracht. Aan de hand van de gebruikersnaam van degene die het bericht heeft geplaatst komt de politie bij verdachte uit. Verdachte bekent dat hij het bericht geplaatst heeft.

Naar aanleiding van berichten over een bevroren bankrekening tussen verdachte en zijn vriendin, die de politie in de telefoon van verdachte aantreft, worden vervolgens de bankgegevens van verdachte bij ING opgevraagd. De politie ziet dan dat op 11 mei 2020 een bedrag van € 10.167,- is overgemaakt naar de bankrekening van verdachte vanaf een bankrekening op naam van [naam] . Verdachte heeft daarover verklaard zijn rekening, inclusief bijbehorende pinpas en pincode, aan een derde ter beschikking te hebben gesteld om daarmee snel geld te kunnen verdienen. Verder verklaart hij niet te weten waar het geld vandaan kwam, maar te hebben afgesproken in ruil voor een en ander ongeveer een kwart van het geld te zullen krijgen. Ter terechtzitting heeft verdachte het feit bekend.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat beide feiten bewezen verklaard kunnen worden.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Verdachte heeft geen opzet gehad [slachtoffer] te bedreigen. Er is ook geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet. Hij heeft het bericht geplaatst in een besloten chatgroep met gelijkgestemden en hij heeft door zo te handelen niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het bericht [slachtoffer] zou bereiken. Hij wilde iets uitleggen aan de chatgroep en gebruikte zijn uitlating als voorbeeld, maar op de bewuste datum zou [slachtoffer] feitelijk niet in de tweede kamer zijn. Dat hij al dan niet over wapens sprak en militaire spullen bezat, doet aan het ontbreken van de opzet niet af.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen inhoudelijk verweer gevoerd.

3.4

Oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 5 juni 2020 [slachtoffer] vanuit zijn woonplaats [woonplaats] heeft bedreigd met de dood. Verdachte heeft bekend dat hij inderdaad het betreffende bericht in de chatgroep heeft geplaatst. [slachtoffer] is daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de bedreiging. De bedreiging is ook van dien aard en onder zodanige omstandigheden gedaan dat bij haar de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Het gaat om een zeer concrete bedreiging, aangezien vermeld wordt wanneer, waar en hoe verdachte te werk zou gaan.

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad haar te bedreigen. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier: dat de bedreigde daadwerkelijk van de bedreiging op de hoogte raakt en dat bij bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan voor het misdrijf waarmee wordt gedreigd - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en die kans aanvaardt. In verband hiermee overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte wist of hield er in ieder geval rekening mee dat de inhoud van zijn bericht niet alleen door de deelnemers van de groep gelezen zou worden. Hij plaatste het bericht immers omdat hij een voorbeeld wilde geven van het soort bericht dat de aandacht van de overheidsdiensten trekt. Hij heeft verklaard dat hij er van uitging dat ‘zou worden meegekeken’. Bovendien heeft hij de uitlating niet gedaan binnen een groep waar hij er op mocht vertrouwen dat de deelnemers hetgeen besproken werd voor zich zouden houden. Verdachte had de deelnemers nooit ontmoet en kende hen eigenlijk pas net. De kans dat het bericht bij derden en op die manier uiteindelijk bij [slachtoffer] terecht zou komen was daardoor aanmerkelijk. Na het bedreigende bericht schrijft verdachte bovendien: “Laat ze maar komen”. Dit benadrukt dat verdachte er rekening mee hield dat het bericht door personen buiten de groep gelezen zou worden. Verdachte heeft zo bezien bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn uitlating bij derden en daardoor uiteindelijk bij [slachtoffer] terecht zou komen en dat zij zich bedreigd zou voelen. Dat verdachte ontkent dat hij de bedoeling heeft gehad haar te bedreigen, doet daaraan niet af.

Feit 2:

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich op 11 mei 2020 heeft schuldig gemaakt aan witwassen van een bedrag van € 10.167,-. Uit de bij ING opgevraagde financiële gegevens van verdachte blijkt dat hij op 11 mei 2020 een bedrag van € 10.167,- op zijn bankrekening krijgt overgemaakt van [naam] . Verdachte heeft bekend dat hij dat bedrag heeft ontvangen en hij heeft verklaard dat hij wist dat het geld “niet wit” was. In een WhatsApp-gesprek heeft verdachte het treffend beschreven als geld aannemen van een dief.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 5 juni 2020 te [woonplaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend middels een Instagramaccount “ [account] ” een bericht op Instagram gedeeld met de inhoud: “ik ga [slachtoffer] vermoorden op 17 juni om 17 uur in de tweede kamer met een Glock 17”, in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op 11 mei 2020 te [woonplaats] van een geldbedrag, te weten 10.167 euro, de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is niet eerder voor dit soort feiten met justitie in aanraking gekomen. Verdachte houdt zich aan alle schorsingsvoorwaarden en de reclassering zegt dat het goed gaat. In geval van een bewezenverklaring heeft hij de rechtbank verzocht een zodanige straf op te leggen dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer] met de dood bedreigd. Hierdoor heeft hij bij [slachtoffer] gevoelens van onveiligheid en angst teweeggebracht. Zij heeft aangegeven zich zorgen te hebben gemaakt over de vraag of de bedreiger haar ook thuis zou komen opzoeken. Daarnaast beschrijft zij dat ook haar moeder en dochter onder de bedreiging lijden omdat zij zich zorgen om haar maken. Zo bezien heeft de bedreiging door verdachte een grote impact op het leven van [slachtoffer] en haar dierbaren gehad. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. De verdachte heeft er bovendien bewust voor gekozen om een politica te bedreigen en dan specifiek [slachtoffer] vanwege haar rol in de Zwarte Pietendiscussie. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat zij zich daardoor belemmerd voelt in het uitoefenen van haar functie. Ook dat aspect heeft de rechtbank meegewogen in de op te leggen straf.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Daardoor worden misdrijven gefaciliteerd en heeft verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

De reclassering en psycholoog J. Yntema hebben geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ook de rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Gelet op de ernst van de feiten vindt de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 november 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van psycholoog J. Yntema van 12 augustus 2020. De psycholoog geeft aan dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis, te weten een autismespectrumstoornis (licht) en een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteits-stoornis van het overwegend hyperactief-impulsieve type. Deze stoornis was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde aanwezig en beïnvloedde deels de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Vanuit de autismespectrumstoornis is hij verminderd in staat af te stemmen. Hij kan zich moeilijk inleven in een ander. Hij ziet niet in dat de bedreiging daadwerkelijk als bedreigend wordt ervaren. Hij heeft een grote behoefte ergens bij te horen. Hij is beïnvloedbaar. Hij probeert zich belangrijk te maken en is daarnaast vanuit zijn ADHD geneigd om impulsief te reageren. Hij kan de gevolgen van zijn gedrag onvoldoende overzien maar kan er ook onvoldoende op terug kijken. De psycholoog concludeert dat er vermoedelijk sprake is geweest van een doorwerking van de gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in het ten laste gelegde. Er wordt geadviseerd het ten laste gelegde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare en zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden.

De psycholoog meent ook dat behandeling bij verdachte aangewezen is om recidive te voorkomen. Verdachte moet door middel van psycho-educatie meer inzicht krijgen in zijn autismespectrumstoornis en beter leren om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De psycholoog wijst er op dat een stevig en langdurig kader nodig is, omdat het leren erkennen en herkennen van gevoelens en grenzen bij anderen bij mensen met een autismespectrumstoornis een langdurig traject behoeft. Mede vanuit zijn beperkingen is verdachte onvoldoende in staat om de noodzaak voor verandering te zien. Die noodzaak zal van buitenaf moeten worden bepaald. De psycholoog vindt daarom naast behandeling toezicht van de reclassering nodig.

De reclassering schat in het rapport van 28 augustus 2020 het risico op recidive in als gemiddeld, maar zonder behandeling schat men dat risico hoger in. De reclassering adviseert een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met bijzondere voorwaarden. Het gaat om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] en een verdere voorwaarde het gedrag betreffende, namelijk het zich onthouden van het op digitale wijze uiten van geweld/dreigementen.

De rechtbank ziet in de jonge leeftijd van verdachte, zijn geringe strafblad en de voornoemde adviezen van de psycholoog en de reclassering aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank vindt het daarbij van belang dat tijdens de proeftijd bijzondere voorwaarden gelden ter voorkoming van recidive. De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden opleggen, met uitzondering van de laatste, omdat reeds onder de algemene voorwaarden valt dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, passend.

9 Beslag

Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:

Goednummer: 5929126, 1 STK GSM, wit, merk: Apple

Niet op de beslaglijst vermeld maar eveneens in beslag genomen en niet teruggegeven is: goednummer: 5929130, Computer (Notebook).

De officier van justitie meent dat de telefoon verbeurd verklaard moet worden en dat de computer aan verdachte kan worden teruggegeven. De raadsman verzoekt teruggave aan verdachte van de telefoon en computer.

De telefoon behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen geachte is begaan, zal de rechtbank dit voorwerp verbeurd verklaren.

De rechtbank kan niet vaststellen dat er een relatie bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en de computer. Deze moet daarom aan verdachte worden teruggegeven.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 285 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2: witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde dient zich te blijven melden bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar. Hij blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Veroordeelde mag gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

- Veroordeelde laat zich ambulant behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra de proeftijd begint of zoveel later als er een behandelplaats beschikbaar is voor betrokkene. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Voorwaarden daarbij zijn ook dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd:

Goednummer: 5929126, 1 STK GSM, wit, merk: Apple

Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:

Goednummer: 5929130, Computer (Notebook)

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Oldekamp, voorzitter,

mrs. R.C.J. Hamming en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2020.