Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6443

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
26Douglasville
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft beslist op onderzoekswensen met betrekking tot de EncroChat-data in de zaak 26Douglasville.

De raadslieden hebben aan de onderzoekswensen ten grondslag gelegd dat stukken verstrekt moeten worden omdat hen – kort gezegd – de mogelijkheid moet worden geboden om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het onderzoek naar de EncroChat-hack.

Het Openbaar Ministerie meent – kort gezegd – dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat zowel in Frankrijk – waar de interceptie van EncroChat-data heeft plaatsgevonden – als in Nederland door een bevoegde rechterlijke autoriteit is getoetst of de gehanteerde werkwijze rechtmatig was en dat er geen aanleiding is om de door de verdediging gevraagde stukken aan het dossier toe te voegen.

De rechtbank heeft – kort samengevat – beslist dat de verzoeken van de raadslieden worden afgewezen, omdat deze verzoeken op dit moment naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissingen van de rechtbank Amsterdam op onderzoekswensen in 26Douglasville, gedaan op de pro formazitting van 4 december 2020

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]

1 Inleiding

Op de (pro forma) zitting van 4 december 2020 is het onderzoek met betrekking tot de applicatie EncroChat (een dienst die een applicatie aanbiedt waarmee versleutelde chats, bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen kunnen worden verzonden en ontvangen) een belangrijk onderwerp van gesprek geweest.

Het Openbaar Ministerie heeft voorafgaand aan de pro formazitting een brief van 28 september 2020 aan het dossier toegevoegd, waarin het Openbaar Ministerie (niet zijnde het zaaks-Openbaar Ministerie in 26Douglasville) nader ingaat op de juridische grondslag voor het vergaren van EncroChat-gegevens, die in het onderhavig onderzoek 26Douglasville zijn/worden gevoegd en gebruikt.

Eén van de raadslieden van verdachte [verdachte 1] , mr. S. Schuurman, heeft voorafgaand aan de zitting op 3 december 2020 een e-mail aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie verstuurd, waarin de onderzoekswensen van de verdediging met betrekking tot EncroChat zijn geformuleerd. Op de pro formazitting van 4 december 2020 heeft de raadsman mr. A.A. Boersma in de zaken van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] ook onderzoekswensen met betrekking tot EncroChat geformuleerd. De raadsman van verdachte [verdachte 2] heeft zich ongemotiveerd aangesloten bij de onderzoekswensen van mr. Schuurman en de raadsman van verdachte [verdachte 3] heeft zich ongemotiveerd aangesloten bij de onderzoekswensen van mr. Schuurman en mr. Boersma.

Alvorens wordt ingegaan op de onderzoekswensen van de verdediging, zal kort uiteengezet worden welke onderzoekswensen door de raadslieden zijn geformuleerd en wat de reactie daarop is van het Openbaar Ministerie.

2 Onderzoekswensen in de zaak van verdachte [verdachte 1]

De raadsman van verdachte [verdachte 1] , mr. Schuurman, heeft op de pro formazitting verzocht de volgende stukken aan het dossier toe te voegen:

  1. De machtiging van de rechter-commissaris inzake 26Lemont, inclusief de vordering (met onderliggende processen-verbaal);

  2. De machtigingen van de rechter-commissaris verlengingen, inclusief de vorderingen en onderliggende processen-verbaal;

  3. De Franse machtigingen, inclusief de vordering (met onderliggende processen-verbaal);

  4. De JIT-overeenkomst;

  5. De hack server-data (met de machtigingen, vorderingen en onderliggende processen-verbaal);

  6. Een aanvullend proces-verbaal waarin een overzicht van de toegevoegde server-data is opgenomen;

  7. Een aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt op welke wijze er live mee werd gekeken en op welke wijze de informatie vervolgens is opgeslagen;

  8. Een proces-verbaal met betrekking tot de technische specificaties van de hack;

  9. De lijst met strafrechtelijke onderzoeken;

  10. De woordenlijsten/zoeksleutels die zijn gebruikt;

  11. Een stuk waaruit blijkt op welke wijze er compensatie is geboden voor de schending van de voorwaarden van de Nederlandse rechter-commissaris;

  12. De overige stukken in het kader van de hack bij EncroChat die nog niet verstrekt zijn;

  13. Alle chats van gebruikers van EncroChat binnen onderhavig onderzoek;

  14. Een overzicht van in beslag genomen goederen die nog niet onderzocht zijn.

Aan de verzoeken is – samengevat – ten grondslag gelegd dat er op basis van de arresten C-623/17 en C-511/18, C-512-18 en C-520-18 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 6 oktober 2020 sterke aanwijzingen zijn dat de Franse autoriteiten bij onder andere de inzet van de ‘interceptietool’ en het hacken en opnemen van communicatie van EncroChat in strijd hebben gehandeld met de EU-richtlijn 2002/58. Deze aanwijzingen rechtvaardigen nader onderzoek in het kader van daaromtrent te voeren verweren. Uit voornoemde arresten van het HvJ-EU volgt dat de EU-richtlijn 2002/58 (die ziet op de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie) zich verzet tegen een nationale regeling die aanbieders van elektronische communicatiediensten verplicht algemeen en ongedifferentieerd persoonsgegevens over te dragen aan de veiligheids- en inlichtingendiensten en dat de bewaring en overdracht van persoonsgegevens resulteren in een ernstige schending van de fundamentele rechten van de betrokkenen, zoals gewaarborgd in het EU-handvest van de grondrechten. Volgens de verdediging blijkt niet dat sprake is van een van de uitzonderingssituaties die het HvJ-EU heeft genoemd.

Gelet op het voorgaande moet het vertrouwensbeginsel volgens de verdediging worden losgelaten en dient uitgezocht en getoetst te worden of de informatie uit 26Lemont wel gebruikt kan worden in de onderhavige strafzaak. Daarnaast meent de verdediging dat de Schutznorm niet van toepassing is, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat het onderzoek 26Lemont zich niet daadwerkelijk richtte op het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde natuurlijke personen, maar op de gebruikers van EncoChat.

3 Onderzoekswensen in de zaken van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5]

De raadsman van verdachte [verdachte 4] , mr. Boersma, heeft op de pro formazitting in de zaak van zijn cliënt en namens mr. Kuijpers in de zaak van verdachte [verdachte 5] verzocht de volgende stukken met betrekking tot EncroChat aan het dossier toe te voegen:

  1. De JIT-overeenkomst;

  2. Alle rechterlijke machtigingen in Nederland en Frankrijk;

  3. Alle Nederlandse en Franse vorderingen die tot die machtigingen hebben geleid.

Aan de verzoeken is – samengevat – ten grondslag gelegd dat er sterke aanwijzingen zijn dat de EncroChat-hack niet als rechtmatig kan worden aangemerkt en dat de verdediging in het kader van daaromtrent te voeren verweren over alle stukken dient te beschikken om dit te kunnen toetsen. Aanwijzingen die in de pleitnota worden genoemd zijn onder andere de jurisprudentie van het HvJ-EU van 6 oktober 2020, waarin het HvJ-EU heeft geoordeeld dat sleepnetwetgeving alleen mag worden toegepast als een lidstaat geconfronteerd wordt met een ‘ernstige dreiging’ voor de nationale veiligheid en het niet bestaan van een specifieke grondslag in de nationale wetgeving voor het rechtstreeks opvragen van miljoenen versleutelde bulk- en persoonsgegevens.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat een beroep op het vertrouwensbeginsel geen stand kan houden, omdat Frankrijk in de zaak waarin op 6 oktober 2020 door het HvJ-EU uitspraak is gedaan op de vingers is getikt en er in een zaak als deze waar de belangen groot zijn en waarin iets unieks is gebeurd niet zonder meer uitgegaan kan worden van het vertrouwensbeginsel. Daarnaast is de Schutznorm hier niet van toepassing, omdat verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] als gebruiker van EncroChat binnen de onderzoeksintentie van 26Lemont vallen en dat wat in onderzoek 26Lemont heeft plaatsgehad, daarom moet worden gezien als zijnde plaatsgehad in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] .

4 Onderzoekswensen in de zaken van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3]

De raadsman van verdachte [verdachte 2] , mr. Kloosterman heeft zich (ongemotiveerd) aangesloten bij de verzoeken van mr. Schuurman en de raadsman van verdachte [verdachte 3] , mr. Van Twist, heeft zich (ongemotiveerd) aangesloten bij de verzoeken van mr. Schuurman en mr. Boersma.

5 Reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft in de brief van 28 september 2020 – samengevat – opgenomen dat zowel in Frankrijk, als in Nederland een strafrechtelijk onderzoek gaande was naar de verdenking dat het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde (natuurlijke) personen zich schuldig zouden hebben gemaakt aan misdrijven. Beide onderzoeken zijn verenigd in een Joint Investigation Team (JIT). Voorafgaand aan de vorming van het JIT hebben de Franse autoriteiten op grond van een machtiging van de Franse rechter een interceptietool ingezet, waarmee (live) informatie van EncroChat-telefoons kon worden verzameld. In de Franse aanvraag tot de inzet van de interceptietool en de bijbehorende vordering zijn, aldus het Openbaar Ministerie, geen feiten of omstandigheden aangedragen over Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken of Nederlandse criminele georganiseerde verbanden. Vanuit onderzoek 26Lemont zijn geen Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken aangedragen die ten grondslag gelegd konden worden aan deze Franse vordering en Franse bevoegdheid.

In voornoemde brief schrijft het Openbaar Ministerie dat de JIT-overeenkomst, specifieke Franse rechterlijke machtigingen, de vorderingen en de aanvragen daartoe niet worden verstrekt aan strafrechtelijke onderzoeken in Nederland. Verder schrijft het Openbaar Ministerie in de brief dat de rechter-commissaris in Rotterdam, die inzage heeft gekregen in de stukken uit Frankrijk, een machtiging heeft verleend onder voorwaarden, waardoor het Openbaar Ministerie onderzoek heeft kunnen doen naar mogelijke strafbare gedragingen van medewerkers of klanten van EncroChat in Nederland. De voorwaarden van de rechter-commissaris zijn opgenomen in de brief van het Openbaar Ministerie. Daarnaast bevindt zich bij de brief ook een proces-verbaal van de rechter-commissaris, waarin hij toelicht dat als de bevindingen uit 26Lemont voor enig ander strafrechtelijk onderzoek relevant leken te zijn, hij heeft getoetst of die bevindingen aan het Openbaar Ministerie en aan de recherche van dat onderzoek ter beschikking konden worden gesteld.

Het Openbaar Ministerie heeft (op pagina 5) in zijn toelichting van 4 december 2020 uiteengezet dat hij vooralsnog meent dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat zowel in Frankrijk – waar de interceptie van EncroChat-data heeft plaatsgevonden – als in Nederland door een bevoegde rechterlijke autoriteit is getoetst of de gehanteerde werkwijze rechtmatig was. Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat er verder geen aanleiding is om te oordelen dat de bewijsvergaring in Frankrijk in strijd is met Europees recht en dat hij geen aanleiding ziet om de door de verdediging gevraagde stukken aan het dossier toe te voegen. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe – samengevat – naar voren gebracht dat de HvJ-EU-jurisprudentie die door de verdediging wordt aangehaald in niets lijkt op de onderhavige zaak. In deze zaak gaat het niet om de vraag of een Staat wetgeving mag maken die telecomproviders verplicht de communicatiegegevens van al haar klanten/gebruikers te bewaren ten behoeve van het werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het gaat om een strafzaak, waarin een rechter op basis van een verdenking van een ernstig misdrijf, gemotiveerd, met toepassing van de eigen regels van het Wetboek van Strafvordering, een machtiging heeft verleend om bij de verdachte (alle) voor de beoordeling van die verdenking relevante data in beslag te nemen. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat de EU-richtlijn 2002/58 niet van toepassing is op activiteiten van de Staat op strafrechtelijk gebied en dat uit het door de verdediging aangehaalde arrest C-520-18 (gevoegde zaken: C-511/18 en C-512-18) blijkt dat voor de bestrijding van zware criminaliteit een lidstaat een gerichte wettelijke bewaarplicht ten aanzien van verkeersgegevens in het leven kan roepen. Verder heeft het Openbaar Ministerie opgemerkt dat erop mag worden vertrouwd dat Frankrijk de eigen wettelijke regels van strafvordering heeft nageleefd en dat de bewijsvergaring in het kader van 26Lemont heeft plaatsgevonden in een ander strafrechtelijk onderzoek, dat niet is gericht op de verdachten in onderhavig onderzoek 26Douglasville en dat ook geen betrekking had op de aan hen ten laste gelegde misdrijven. Tot slot heeft het Openbaar Ministerie wel toegezegd dat hij ervan uitgaat dat in de komende periode van drie maanden de voor dit onderzoek relevante EncroChat-berichten aan de raadslieden ter inzage kunnen worden geven.

6 Overwegingen van de rechtbank

Het grootste deel van de geformuleerde onderzoekswensen heeft betrekking op EncroChat. Aan deze verzoeken hebben de raadslieden ten grondslag gelegd dat stukken verstrekt moeten worden omdat hen – kort gezegd – de mogelijkheid moet worden geboden om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het onderzoek naar de EncroChat-hack. Met de toetsing van deze stukken kan de verdediging in onderhavig onderzoek 26Douglasville onderbouwen of sprake is van een schending van de fundamentele beginselen geformuleerd in artikel 6 en/of 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert.

Op grond van het bepaalde in artikel 149a van het Wetboek van Strafvordering is de officier van justitie verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Tot die processtukken behoren alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechtbank in de strafzaak van verdachte te geven beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin. De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten op grond van voornoemd relevantiecriterium (ECLI:NL:RBAMS:2019:971).

6.1

Ten aanzien van de onderzoekswensen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 12, geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1] en de onderzoekswensen 2 en 3, geformuleerd door de verdediging van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5]

Deze verzoeken lenen zich voor gezamenlijke bespreking, omdat deze verzoeken in de kern hetzelfde zijn (ze zien op het onderzoek naar de EncroChat-hack) en deels van dezelfde motivering zijn voorzien.

6.1.1

EU-richtlijn 2002/58 en de arresten van het HvJ-EU van 6 oktober 2020

De verdediging van zowel verdachte [verdachte 1] als van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] verwijst in de inleiding bij de motivering van de onderzoekswensen naar de arresten van het HVJ-EU van 6 oktober 2020, waarin (onder meer) is geoordeeld over de reikwijdte van EU-Richtlijn 2002/58. Volgens de verdediging leggen deze arresten een bom onder het onderzoek 26Lemont. De verdediging is van mening dat in onderzoek 26Lemont (daaronder begrepen het Franse onderzoek) in strijd is gehandeld met EU-Richtlijn 2002/58.

EU-Richtlijn 2002/58

Artikel 1 lid 1 van deze richtlijn:

Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen en om te zorgen voor het vrij verkeer van dergelijke gegevens en van elektronische-communicatieapparatuur en – diensten in de Europese Unie.”

Artikel 1 lid 3 van deze richtlijn:

Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten die niet onder het VWEU vallen, zoals die bedoeld in de titels V en VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en in geen geval op activiteiten die verband houden met de openbare veiligheid, defensie, staatsveiligheid (met inbegrip van het economische welzijn van de staat wanneer de activiteit verband houdt met de staatsveiligheid) en de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied.”

Arresten van het HvJ-EU van 6 oktober 2020

Arrest C-623/17

Overweging 34

In dit verband zij erop gewezen dat richtlijn 2002/58 volgens artikel 1, lid 1, onder meer de nationale regelgeving harmoniseert die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen.

Overweging 35

Volgens artikel 1, lid 3, van die richtlijn zijn van de werkingssfeer ervan uitgesloten de „activiteiten van de staat” op de aldaar bedoelde gebieden, waaronder de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied en die welke verband houden met openbare veiligheid, defensie en staatsveiligheid, met inbegrip van het economische welzijn van de staat wanneer de activiteit verband houdt met de staatsveiligheid. De in die bepaling als voorbeeld genoemde activiteiten zijn in alle gevallen specifieke activiteiten van staten of overheidsdiensten en hebben niets van doen met de gebieden waarop particulieren activiteiten ontplooien.

Arrest C-520/18 (onderstaande overwegingen zijn in het Engels opgenomen, omdat een vertaling van het arrest in het Nederlands ontbreekt)

Overweging 110

However, Article 15(1) of Directive 2002/58 enables the Member States to introduce exceptions to the obligation of principle, laid down in Article 5(1) of that directive, to ensure the confidentiality of personal data, and to the corresponding obligations, referred to, inter alia, in Articles 6 and 9 of that directive, where such a restriction constitutes a necessary, appropriate and proportionate measure within a democratic society to safeguard national security, defence and public security, and the prevention, investigation, detection and prosecution of criminal offences or of unauthorised use of the electronic communication system. To that end, Member States may, inter alia, adopt legislative measures providing for the retention of data for a limited period justified on one of those grounds.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank op dit moment van oordeel dat voor zover de verdediging ter onderbouwing van haar onderzoekswensen heeft verwezen naar de hiervoor aangehaalde EU-richtlijn en de arresten van het HvJ-EU van 6 oktober 2020, dat onvoldoende is voor toewijzing van de verzoeken. In de EU-richtlijn 2002/58 is immers in artikel 1 lid 3 bepaald dat deze richtlijn niet van toepassing is op activiteiten van de Staat op strafrechtelijk gebied en in de genoemde arresten gaat het om een door nationale overheden opgestelde nationale regeling en niet, zoals in de onderhavige zaak, om een door de Franse autoriteiten uitgevoerd strafrechtelijk onderzoek.

6.1.2

Internationaal vertrouwensbeginsel

De raadslieden van zowel verdachte [verdachte 1] als van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] hebben naar voren gebracht dat er sterke aanwijzingen zijn dat in het onderzoek naar EncroChat in strijd is gehandeld met het Europees recht en dat daarom het vertrouwensbeginsel geen stand kan houden.

Vertrouwensbeginsel

HR 5 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL5629)

Overweging 4.3.

De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.

Overweging 4.4.1.

Ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).

Het vertrouwen dat de tot het EVRM toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat brengt voorts mee dat niet ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad tevens in aanmerking dat (i) gelet op de rechtspraak van het EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (vgl. EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/97, NJ 2002/180 ( [naam 1] tegen Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, NJ 2003/670 ( [naam 2] . en [naam 3] . tegen Verenigd Koninkrijk) en (ii) het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank op dit moment van oordeel dat in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende is onderbouwd waarom aan het vertrouwensbeginsel voorbij moet worden gegaan en waarom de gevraagde stukken uit 26Lemont zouden moeten worden verstrekt. De verdediging motiveert dit verzoek immers door te verwijzen naar de EU-richtlijn 2002/58 en de arresten van het HVJ-EU van 6 oktober 2020, waarover de rechtbank heeft geoordeeld dat vooralsnog onvoldoende is gebleken waarom deze van toepassing zijn in onderhavige zaak.

Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie blijkt verder dat de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel maakt dat de toetsing van de Nederlandse strafrechter beperkt is tot eventuele gevolgen voor het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De rechtbank is op dit moment van oordeel dat een begin van aannemelijkheid van een schending van artikel 6 EVRM onvoldoende is onderbouwd. In het licht van het voorgaande is volgens de rechtbank op dit moment eveneens onvoldoende onderbouwd waarom getoetst zou moeten worden aan artikel 8 EVRM.

6.2

Ten aanzien van de onderzoekswens 4, geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1] en de onderzoekswens 1, geformuleerd door de verdediging van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5]

Deze verzoeken lenen zich ook voor gezamenlijke bespreking, omdat deze verzoeken zien op de JIT-overeenkomst en deels van dezelfde motivering zijn voorzien.

Voor zover de verdediging deze verzoeken heeft onderbouwd met het betoog dat het vertrouwensbeginsel niet opgaat, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Schutznorm

De raadslieden van zowel verdachte [verdachte 1] als van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] hebben in dit verband als tweede argument naar voren gebracht dat de Schutznorm niet van toepassing is, omdat door de wijze van de hack van EncroChat van alle gebruikers van EncroChat de communicatie is opgenomen, opgeslagen en bekeken. Daardoor werden alle gebruikers van EncroChat verdachte en heeft het onderzoek inzake 26Lemont te gelden als gedaan in het voorbereidend onderzoek naar de verdachten in 26Douglasville. Daarbij heeft de verdediging onder andere gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889).

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat 26Lemont heeft te gelden als voorbereidend onderzoek naar de verdachten in onderzoek 26Douglasville. De JIT-overeenkomst is de basis voor het verstrekken aan Nederland van de door Franse autoriteiten vergaarde informatie uit een onderzoek naar het bedrijf EncroChat. Op dit moment zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de verdachten in 26Douglasville ook specifiek onderwerp van onderzoek waren in 26Lemont.

De rechtbank zal daarom vooralsnog het Openbaar Ministerie niet opdragen de JIT-overeenkomst aan het dossier toe te voegen.

6.3

Ten aanzien van de onderzoekswensen 9 en 10, geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1]

Het verzoek om de lijst met strafrechtelijke onderzoeken en de woordenlijsten/zoeksleutels die zijn gebruikt wordt afgewezen, omdat volgens de rechtbank, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, op dit moment onvoldoende is gebleken waarom dit in de onderhavige strafzaak van belang is voor enige te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348/350 Wetboek van Strafvordering.

6.4

Ten aanzien van de onderzoekswens 11 geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1]

De rechtbank wijst het verzoek om inzage te krijgen op welke wijze er compensatie is geboden voor de schending van de voorwaarden van de Nederlandse rechter-commissaris op dit moment af. De vraag of, en zo ja, in welke vorm compensatie geboden dient te worden is voorbehouden aan de zittingsrechter die inhoudelijk over de verdenkingen jegens [verdachte 1] zal oordelen.

6.5

Ten aanzien van de onderzoekswens 13 geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1]

Het Openbaar Ministerie heeft op de pro formazitting toegelicht dat ervan uitgegaan wordt dat in de komende periode van drie maanden de voor dit onderzoek relevante EncroChat-berichten aan de raadslieden ter inzage kunnen worden gegeven. Daarmee wordt vooralsnog voldoende tegemoet gekomen aan dit verzoek van de verdediging, zodat de rechtbank hierop nu geen beslissing zal nemen.

6.6

Ten aanzien van de onderzoekswens 14 geformuleerd door de verdediging van verdachte [verdachte 1]

Het verzoek om een overzicht van in beslag genomen goederen die nog niet onderzocht zijn te verkrijgen, is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment onvoldoende gemotiveerd. Het verzoek om dit overzicht aan het dossier toe te voegen, wordt daarom afgewezen.

6.7

Conclusie

De verzoeken 1, 2, 3 en 4 van de verdediging van verdachte [verdachte 1] en de verzoeken 1, 2 en 3 van de verdediging van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] , worden afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat deze verzoeken op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn.

De stukken die genoemd zijn in de verzoeken 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 14 van de verdediging van verdachte [verdachte 1] worden afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat deze verzoeken op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn.

Om dezelfde redenen worden ook in de zaken tegen [verdachte 2] en [verdachte 3] de verzoeken afgewezen.