Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
RK 20/1448
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ongegrond verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/291000-19

RK: 20/1448

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser,

Herengracht 478, 1017 CB te Amsterdam,

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 16 maart 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 11 augustus 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 6 november 2020 de gemachtigde raadsman van klager en de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave de in beslag genomen geldbedragen van

€ 191.611,75 en € 200,- bij klager.

In het klaagschrift is opgenomen dat voornoemde geldbedragen op 3 december en op 11 december 2019 bij klager in beslag zijn genomen. Klager is rechthebbende van dit geld en wenst de teruggave hiervan. Klager meent dat geen enkel strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

In de mail van 4 augustus 2020 heeft de raadsman het volgende opgenomen. Een veroordeling is zeer onwaarschijnlijk. Klager heeft immers ten tijde van de eerste raadkamerbehandeling steeds nauwkeurig toegelicht wat de herkomst van het geld was. Dit is niet een criminele herkomst. Dit was voor de raadkamer een reden om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het geld van klager is ruim acht maanden geleden in beslag genomen. In die tussentijd heeft het Openbaar Ministerie nog geen splinter bewijs geproduceerd, terwijl klager direct na zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven. De raadsman heeft verzocht om teruggave van de geldbedragen.

De raadsman van klager heeft in raadkamer verklaard dat klager een verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld heeft afgelegd en dat het aan het Openbaar Ministerie is om aan te tonen dat deze verklaring niet klopt. Hij heeft verder verklaard dat er sinds vorig jaar niets meer is gebeurd met deze zaak. Hij heeft verklaard dat er bij deze stand van zaken geen verdenking ligt en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het tot een veroordeling in deze zaak zal komen.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen geldbedragen aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 3 december 2019 is klager aangehouden op verdenking van witwassen, omdat hij die dag ruim € 191.000,- aan contanten bij zich droeg. Dit geldbedrag bestond uit een groot aantal coupures van € 500,-, was verwikkeld in drie bundels bruine tape en was weggestopt in een plastic Albert Heijn tas. Er is in casu een witwasvermoeden, mede gelet op de wijze van verpakking en vervoer van de onder klager in beslag genomen geldbedragen. Ter ontzenuwing van dat vermoeden heeft klager begin 2020 een aantal Oostenrijkse/Duitstalige documenten verstrekt aan de politie/het Openbaar Ministerie. Momenteel is het ingestelde politieonderzoek daarnaar nog in volle gang.

Een EOB naar Duitsland is uitgestuurd en een EOB in Oostenrijk wordt nu in behandeling genomen. Het witwasvermoeden is daarom nog niet ontzenuwd, althans heeft het Openbaar Ministerie nog niet (voldoende) de mogelijkheid gehad om de door klager beweerde ontzenuwing te verifiëren. Het Openbaar Ministerie heeft verder aangegeven klager te willen horen over zijn verklaring met betrekking tot het geld, maar daar wil hij niet aan meewerken. Dit maakt dat het onderzoek naar de alternatieve verklaring van klager bemoeilijkt wordt en niet voortvarend gaat. Er kan op dit moment nog niet worden vastgesteld dat het geld een legale herkomst heeft. Om die reden is verbeurdverklaring van de bij klager in beslag genomen geldbedragen niet hoogst onwaarschijnlijk. Het beslag dient gehandhaafd te blijven. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen teruggave en verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.

4 De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 3 en 11 december 2019 zijn op de voet van artikel 94 Sv voornoemde geldbedragen in beslag genomen.

Klager wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot die voorwerpen de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van geldbedragen die volgens het Openbaar Ministerie vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van geldbedragen zal uitspreken.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken, waaruit blijkt dat bij klager een groot geldbedrag in contanten, in coupures van € 500,- en verwikkeld in drie bundels bruine tape, is aangetroffen en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen geldbedragen zal verbeurd verklaren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, rechter,

mrs. J. Thomas en W.M.C. van den Berg, rechters

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.