Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6226

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
13/730004-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 40 maanden voor medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling, bedreiging, voorhanden hebben van een vuurwapen en witwassen. Vrijspraak van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, nu niet kan worden vastgesteld dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest. Gedeeltelijke vrijspraak van voorhanden hebben van een vuurwapen, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad of hierover heeft kunnen beschikken. Vordering benadeelde partij deels toegewezen, deels niet-ontvankelijk verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730004-20 (Promis)

Datum uitspraak: 14 december 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de [naam] , locatie [locatie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 16 en 17 november en 14 december 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C.J. Cnossen en E.B. Smit (hierna: de officier van justitie), de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan

feit 1:

een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en haar kinderen in de periode van 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020 in Amsterdam en Almere, door de woning van [slachtoffer] te betreden met de eerder door hen weggenomen huissleutel, door te zeggen dat [slachtoffer] haar spullen moest pakken, door [slachtoffer] en haar kinderen te laten plaatsnemen in klaarstaande voertuigen, door [slachtoffer] haar telefoon te laten afstaan, door [slachtoffer] en haar kinderen naar de [adres 1] te brengen, door [slachtoffer] mee te nemen naar een parkeerplaats tegenover het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost en vervolgens weer mee terug naar de [adres 1] , door [slachtoffer] te slaan met een vuurwapen en te overgieten met kokend water, door [slachtoffer] met een vuurwapen te dreigen haar en haar kinderen te vermoorden en door [slachtoffer] en haar kinderen voortdurend te bewaken en vast te houden in de woning op de [adres 1] ;

feit 2:

een poging zware mishandeling met voorbedachten rade, subsidiair mishandeling, op 31 december 2019 in Almere, door met een vuurwapen tegen het hoofd, tegen de knieën en tegen het lichaam van [slachtoffer] te slaan en kokend water over de nek van [slachtoffer] te gieten;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling van [slachtoffer] in de periode van 24 december 2019 tot en met 1 januari 2020 in Amsterdam en Almere, door in het bijzijn van. [slachtoffer] vuurwapens te dragen, vuurwapens aan elkaar over te dragen en in de hand te nemen, door een vuurwapen door te laden, door tegen [slachtoffer] te zeggen dat hij haar door het hoofd zou schieten, dat dit van hogere hand kwam en dat haar kinderen ook dood zouden gaan en te zeggen “ik wil je geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij” en door achter [slachtoffer] plaats te nemen in een auto om een vuurwapen door te laden en met dit vuurwapen door het openstaande autoraam naar buiten te schieten;

feit 4:

het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie van categorie III, aangetroffen op de [adres 1] en in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] , in de periode van 24 december 2019 tot en met 2 januari 2020 in Amsterdam en Almere;

feit 5:

witwassen van geldbedragen aangetroffen op de [adres 2] en [adres 3] in bewaring gegeven bij [naam 1] , van geldbedragen in bewaring gegeven bij [naam 2] , en van een horloge van het merk Rolex, terwijl hij wist of had moeten weten dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, in de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 januari 2020 in Almere, Amsterdam en Rotterdam.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

Inleiding

Naar aanleiding van een melding van de buurvrouw van [slachtoffer] (hierna: aangeefster) op 31 december 2019 is door de politie een onderzoek gestart. Dit heeft ertoe geleid dat op 1 januari 2020 de politie een woning aan de [adres 1] is binnen gevallen. In de woning zijn aangeefster, de twee kinderen van aangeefster en medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook is door de politie in de woning een vuurwapen aangetroffen. Aangeefster heeft – kort gezegd – verklaard dat zij en haar kinderen door vier mannen vanuit haar woning in [woonplaats] zijn meegenomen naar de woning in de [adres 1] , waar zij is mishandeld en bedreigd. Kort hierna zijn vier verdachten aangehouden. Naar aanleiding van chat-berichten op inbeslaggenomen telefoons hebben op verschillende locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij onder meer grote contante geldbedragen zijn aangetroffen.

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 2) en de bedreiging (feit 3), heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster bruikbaar is voor het bewijs, hoewel daar behoedzaam mee moet worden omgegaan. De verklaring van aangeefster vindt op cruciale onderdelen ondersteuning in het dossier. Zo sluiten de historische telecom verkeersgegevens (hierna: histo’s) en het gebruik van het wifi-netwerk op de [adres 1] , aan bij de verklaring van aangeefster. De verklaring van verdachte over de gebeurtenissen rond de jaarwisseling daarentegen is ongeloofwaardig, nu deze niet valt te rijmen met de inhoud van chat-gesprekken en geen verklaring biedt voor aangetroffen contactmomenten in de telefoon van verdachte.

Door meermalen met een vuurwapen op het hoofd en tegen het lichaam van aangeefster te slaan, en door kokend water over de nek van aangeefster te gieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen (feit 2, primair). Immers had aangeefster hierdoor een schedelbreuk, dan wel derdegraads brandwonden kunnen oplopen. Uit de context blijkt dat de mishandeling met voorbedachten rade heeft plaatsgevonden. Ook uit tapgesprekken blijkt dat sprake is geweest van een vooropgezet plan. Gelet op het voorgaande kan, aldus de officier van justitie, worden bewezen dat aangeefster onder dwang naar de woning in [plaats] is vervoerd, met het doel om haar desnoods met geweld te ondervragen over het weggenomen geldbedrag (feit 1).

Gelet op het voorgaande en een aangetroffen filmpje waarbij [verdachte] een vuurwapen afschiet vanuit de auto, kunnen ook de ten laste gelegde bedreigingen worden bewezen (feit 3).

Dat verdachte het vuurwapen dat is aangetroffen op de [adres 1] voorhanden heeft gehad (onderdeel van feit 4) kan niet worden bewezen. Dit is anders voor het vuurwapen dat in de auto van [medeverdachte 1] is gevonden. Op dit vuurwapen is een bloedspoor aangetroffen. In dit bloed is een mengprofiel aangetroffen dat matcht met het profiel van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar met een vuurwapen op haar hoofd heeft geslagen en van het bebloede hoofd van aangeefster zitten foto’s in het dossier. Gelet hierop, kan worden bewezen dat aangeefster met dit wapen door verdachte is geslagen en dat verdachte dit vuurwapen dus voorhanden heeft gehad.

Ook kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft bekend dat het Rolex horloge en de aangetroffen geldbedragen aan hem toebehoren, met uitzondering van de 70.020 euro die op [adres 3] – de woning van de moeder van [naam 1] – is aangetroffen. Echter kan ook het geld dat op [adres 3] is aangetroffen aan verdachte worden toegeschreven. [naam 1] heeft in een aangetroffen chatgesprek tussen haar en verdachte gevraagd of zij die dingen bij haar ma moest laten. Ook is een dactyspoor van verdachte op één van de inbeslaggenomen bundels met geld aangetroffen. Gelet op de wijze van aantreffen van het geld is sprake van een witwasvermoeden. Daarbij komt dat verdachte witwashandelingen heeft verricht, doordat hij geld heeft verborgen bij verschillende vriendinnen. Uit de gemaakte eenvoudige kasopstelling is gebleken dat verdachte minimaal een bedrag van 260.628,99 euro meer heeft uitgegeven dan uit legale bron kan worden verklaard. Door verdachte is geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld gegeven. De officier van justitie komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen contante geldbedragen en de Rolex – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte aanwezig is geweest ten tijde van het ten laste gelegde. De verklaring van aangeefster is aantoonbaar onbetrouwbaar. Daartoe is onder meer aangevoerd dat aangeefster heeft gelogen bij de rechter-commissaris over haar wetenschap van en betrokkenheid bij de brief die op de pro forma-behandeling van 15 september 2020 is ingebracht. Getuige [getuige 1] heeft immers verklaard dat aangeefster geld voor die brief heeft ontvangen. Daarbij komt dat aangeefster zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van geld en dat aangeefster ervoor open staat om haar verklaring te wijzigen in ruil voor geld. Ook hebben verschillende getuigen in het dossier zich negatief uitgelaten over aangeefster. Dat de verklaring van aangeefster niet kan worden gevolgd blijkt ook wel uit de verklaring van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ter terechtzitting, waaruit blijkt dat het niet verdachte is geweest die geweld heeft gebruikt, maar dat juist medeverdachte [medeverdachte 3] aangeefster heeft geslagen.

De verdenkingen zijn volledig afkomstig van aangeefster en volgens de raadsman is niet voldaan aan het bewijsminimum. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat er voor de verklaringen van aangeefster geen steunbewijs is.

De raadsman heeft erop gewezen dat er geen steunbewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij het betreden van haar woning in [woonplaats] en voor het meenemen van aangeefster naar [plaats] . De telecomgegevens in het dossier falsificeren de verklaring van aangeefster. Immers heeft de telefoon van verdachte geen enkele zendmast in [woonplaats] aangestraald, op het moment waarop verdachte volgens aangeefster bij haar woning zou zijn geweest op 31 december 2019.

Verder komen de zendmastgegevens van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet overeen, terwijl dat wel zou moeten nu aangeefster heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] met haar in de auto naar Almere zijn gereden. Immers heeft de telefoon van [medeverdachte 2] al om 19:25 uur een zendmast in Almere aangestraald, terwijl de telefoon van verdachte pas om 19:53 uur een zendmast in Almere heeft aangestraald. Verder heeft de telefoon van verdachte om 19:10 uur een zendmast aan de Ooster Ringdijk aangestraald, terwijl de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] ongeveer drie minuten later een mast aan de Kleine Merwede in Diemen heeft aangestraald. Het is ongeveer 18 minuten rijden tussen die locaties, hetgeen niet zou kunnen als deze verdachten bij elkaar zouden zijn.

Dat sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij verdachte een rol heeft gehad, wordt voorts weersproken door het feit dat aangeefster bij het tankstation – waar zij en de verdachten zijn gestopt – niet heeft geprobeerd om iemand te alarmeren. Ook heeft de politie waargenomen dat de sfeer in de woning voor de inval normaal was, toen met behulp van een technisch hulmiddel werd meegeluisterd door de politie. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat toen hij in de woning was, de sfeer goed was en dat hij geen enkele angst bij aangeefster heeft opgemerkt. Bovendien zat aangeefster met haar kinderen op de bank toen de politie binnenviel. Ook is door getuige [getuige 2] niets vreemds opgemerkt toen zij bij de woning in [plaats] heeft aangebeld en aangeefster opendeed en heeft getuige [getuige 3] aangeefster buiten zien staan roken. Verder is van verdachte geen vingerafdruk of DNA aangetroffen op de waterkoker of op enig aangetroffen wapen.

Voorts biedt het filmpje uit de telefoon van verdachte waarop verdachte volgens eigen zeggen is te horen in een gesprek met drie mannen en een vrouw, geen verankering voor het door aangeefster gestelde geweld of dwang, hoogstens voor het wegnemen van het geld. Ook het ‘Happy New Year’ filmpje waarin wordt geschoten uit een auto, heeft geen bewijswaarde, nu aangeefster dat filmpje op Instagram kan hebben gezien en het filmpje niet is gericht tot aangeefster. De raadsman heeft verder betoogd dat het bij aangeefster geconstateerde letsel, geen steun biedt voor de verklaring dat 8 à 9 keer met een wapen op het hoofd van aangeefster is geslagen. Bij zo’n toedracht zou het letsel ernstiger moeten zijn. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, heeft de raadsman verzocht om een deskundige te benoemen. De deskundige zou zich moeten uitlaten over de vraag of het geconstateerde letsel past bij de verklaring van aangeefster.

Inzake het witwassen (feit 5) heeft de raadsman zich gerefereerd voor wat betreft de vraag of een witwasvermoeden kan worden aangenomen. Dat verdachte betrokkenheid heeft bij de in de woning aan de [adres 3] aangetroffen geldbedragen kan niet worden vastgesteld, aldus de raadsman. Verdachte heeft verklaard dat deze gelden niet van hem zijn. Het in dit verband volgens het openbaar ministerie relevante chatgesprek tussen [naam 1] en verdachte gaat over ‘dingen’, hetgeen op goederen duidt en niet op geld. Er moet voorzichtigheid worden betracht bij het duiden van dit soort gesprekken.

Over de op de [adres 2] en de [adres 4] aangetroffen bedragen heeft verdachte verklaard dat dit zijn spaargeld betreft, wat hij heeft opgespaard en heeft verdiend met zijn muziek. Deze verklaring is een indicatie dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Het Rolex horloge heeft verdachte betaald met opbrengsten uit zijn muziek. Deze verklaringen van verdachte zijn concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Verdachte heeft serieuze inkomsten. Uit overgelegde stukken blijkt dat verdachte aanzienlijke inkomsten uit muziek(platforms) heeft genoten: 78.000 USD aan Paypall betalingen via Tunecore en 23.000 euro via Payoneer. Ook heeft verdachte op zijn rekening forse bijschrijvingen ontvangen vanwege zijn muziek: 10.000 euro via Artsounds, 34.140,30 euro via La Foux, 47.231,93 euro via Paypal Europa, 62.772,22 euro via The Wolf Bookings B.V. en 6.200,00 euro via Adams Touring. Daarnaast is er sprake van casinowinsten. Het is volgens de raadsman aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen naar de verklaringen die verdachte ter zake heeft afgelegd. De raadsman heeft stukken overgelegd met betrekking tot inkomsten uit casinobezoeken en door derden contant terugbetaalde leningen.

Het dossier bevat geen enkel bewijs voor enig strafbaar feit waarmee verdachte zijn zwarte geld zou hebben verdiend. Dat niet ieder optreden is geregistreerd en dat niet iedere betaling bij de fiscus werd opgegeven is wat anders dan kunnen beschikken over criminele gelden. Gelet op al het voorgaande is de eenvoudige kasopstelling die door het openbaar ministerie is ingebracht onvoldoende om te concluderen dat de aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), een mishandeling (feit 2, subsidiair) een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 3), het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 4) en aan witwassen (feit 5).

De rechtbank zal dit hieronder uitleggen en gaat eerst uitgebreid in op de vraag of de verklaringen van aangeefster voor het bewijs kunnen dienen, nu daar uitgebreid verweer tegen is gevoerd.

3.3.1.

De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster

3.3.1.1. De verklaring van aangeefster

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 16 december 2019 op de [adres 1] was, waar [medeverdachte 4] woont. [medeverdachte 4] heeft haar die avond een tas met bankbiljetten laten zien. [medeverdachte 4] heeft aangeefster gezegd dat het geld van [verdachte] was en dat er wel 100.000 euro in de tas zat. Op 30 december 2019 heeft aangeefster een berichtje ontvangen van [medeverdachte 4] met de vraag of zij geld heeft gepakt. Vervolgens is zij gebeld door “ [medeverdachte 2] ”. [medeverdachte 2] heeft aangeefster gezegd dat hij haar face to face wilde spreken, dat aangeefster het zichzelf gemakkelijk moest maken en dat aangeefster het geld terug moest geven. Aangeefster heeft toen besloten om bij de Jumbo bij het Buikslotermeerplein af te spreken met [medeverdachte 2] . Aangeefster is daar rond 21.08 uur naar toegereden met haar dochter. Zij heeft [medeverdachte 2] gezegd dat zij het geld niet had en heeft gevraagd of [medeverdachte 2] haar huis wilde onderzoeken. Zij zijn toen gezamenlijk in haar auto naar haar huis gereden. [medeverdachte 2] heeft aangeefster gezegd dat de eigenaar van het geld onderweg is naar Nederland.

Op 31 december 2019 heeft aangeefster gezien dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] aan kwamen lopen. Aangeefster heeft toen gelijk haar vriendin [naam vriendin] geappt dat als [naam vriendin] binnen een kwartier geen app van haar heeft gekregen, dat [naam vriendin] de politie moest bellen. Aangeefster heeft verklaard dat vervolgens [verdachte] de woonkamer binnen kwam lopen samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . [verdachte] heeft gezegd dat aangeefster haar spullen moest pakken en dat ze met [medeverdachte 4] in gesprek zouden gaan. Aangeefster heeft hierop haar spullen gepakt. Aangeefster heeft gezien dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 5] al weg waren gegaan met haar kinderen. Aangeefster heeft verder verklaard dat zij zich op dat moment erg bedreigd heeft gevoeld door de manier waarop het is gezegd. Zij heeft gehoord dat [verdachte] een slechte reputatie heeft. Ook waren het vier mannen tegenover haar en haar kinderen en heeft zij de dag ervoor een vuurwapen bij hen gezien. Aangeefster is met [medeverdachte 2] in de woning achtergebleven. Aangeefster heeft toen nog snel [naam vriendin] kunnen appen dat ze die nu de politie moest bellen. Aangeefster zag haar kinderen in een donkerblauwe Golf zitten. Zij is naar die auto gelopen, maar hoorde [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zeggen dat zij in een zwarte Hyundai moest stappen. Bij haar in de auto stapten [verdachte] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] reed en [verdachte] zat op de bijrijdersstoel. Vervolgens zijn zij naar Almere gereden. Zij zijn nog even gestopt bij het BP tankstation Honswijck om te tanken. Tijdens de autorit wilde [verdachte] haar telefoon hebben. Aangeefster heeft [verdachte] haar telefoon gegeven. Tijdens de autorit is ook gebeld met [medeverdachte 4] . Aangeefster heeft gehoord dat [medeverdachte 4] van [verdachte] naar huis moest komen, maar dat [medeverdachte 4] heeft gezegd dat ze niet naar huis zou komen. Aangeefster hoorde [verdachte] tegen [medeverdachte 4] zeggen: “ik ben met die vriendin van je”. Op het moment dat ze in de woning van [medeverdachte 4] aankwamen, waren de kinderen boven. Zij werden boven gehouden door [medeverdachte 5] . Aangeefster heeft hen horen huilen en horen zeggen dat ze naar mama toe wilden. Er is een barkruk gepakt waarop aangeefster moest gaan zitten van [verdachte] . Aangeefster heeft toen het hele verhaal over het geld moeten vertellen. [verdachte] heeft het verhaal opgenomen en vervolgens aan [medeverdachte 4] gestuurd. Hierop heeft [medeverdachte 4] [verdachte] gelijk gebeld en gezegd dat aangeefster loog. Hierna heeft [verdachte] tegen [medeverdachte 2] gezegd: “geef me je P”. Aangeefster heeft gezien dat [medeverdachte 2] een pistool aan [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft aangeefster toen gevraagd waar het geld was. Aangeefster heeft gezegd dat zij dat niet wist. Hierop heeft zij de eerste klap gekregen van [verdachte] . Aangeefster heeft verklaard dat [verdachte] haar hard sloeg met het pistool tegen de linkerzijkant van haar hoofd. Hij sloeg haar zo hard dat zij bijna van de barkruk is afgevallen. Zij voelde gelijk een stekende en drukkende pijn en zij had suizende oren. Vrij kort daarna heeft aangeefster een tweede klap tegen haar hoofd gekregen. Die klap kreeg zij ook van [verdachte] , net als alle volgende klappen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] stonden er bij en keken ernaar. [medeverdachte 5] was op dat moment boven bij de kinderen. Na de tweede klap heeft aangeefster gevoeld dat zij bloedde. Het bloed druppelde op haar kleding en viel op de grond. [verdachte] is aangeefster met het pistool hard op haar hoofd blijven slaan. Op een gegeven moment heeft [verdachte] het pistool ook doorgeladen. Ook heeft [verdachte] aangeefster drie keer met het pistool op haar knieën geslagen. De laatste klap heeft aangeefster met het pistool op haar voorhoofd gekregen. Aangeefster voelde steeds meer bloed over haar hoofd, nek en rug lopen. Aangeefster heeft [verdachte] horen zeggen dat haar kinderen ook dood zouden gaan, net als zij. Ook heeft [verdachte] gezegd dat hij aangeefster door haar hoofd zou schieten, dat dit van hogere hand kwam en dat zij dood mocht. Aangeefster heeft gezien dat [verdachte] haar filmde en dat doorstuurde. Aangeefster heeft verklaard dat zij doodsbang is geweest en dat zij heeft gedacht dat zij daar niet levend weg zou komen. Aangeefster heeft continue gedacht aan een manier om daar weg te kunnen komen. Aangeefster heeft haar kinderen horen schreeuwen dat ze naar hun moeder wilden. Ook heeft zij [medeverdachte 5] horen zeggen: “Naar boven, naar boven jullie”. Aangeefster heeft gezien dat [medeverdachte 3] beneden de deur tegen hield. Aangeefster heeft verder gezien dat [medeverdachte 2] met de waterkoker aan kwam lopen en dat hij de waterkoker voor haar op tafel heeft gezet. [verdachte] zei toen: “Dit gebeurt straks ook met je kinderen”. Aangeefster heeft gezien dat [verdachte] de waterkoker heeft opgepakt en zij heeft [verdachte] horen vragen: “ben je al aan het nadenken”. Aangeefster heeft eerst een hete druppel in haar nek gevoeld. Zij hoorde [medeverdachte 3] op dat moment lachen. Vervolgens heeft aangeefster een hele golf kokend water over haar nek en rug gevoeld. In reactie op de pijn is aangeefster overeind gevlogen en heeft zij het uitgeschreeuwd. Op dat moment heeft [medeverdachte 3] een dekbedovertrek tegen haar gezicht gegooid. [medeverdachte 3] heeft tegen aangeefster gezegd dat aangeefster moest gaan zitten. [medeverdachte 3] heeft aangeefster aan haar arm getrokken en op de barkkruk teruggeduwd. [medeverdachte 2] heeft vanaf de bank toegekeken. Nadat aangeefster het heeft uitgeschreeuwd heeft zij haar kinderen boven horen zeggen dat zij hun mama hoorden schreeuwen en dat zij pijn had. Ze hoorde [dochtertje 1] zeggen dat ze naar haar toe wilde. Hierna heeft [verdachte] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de kamer uitgestuurd. [verdachte] heeft toen tegen aangeefster gezegd: “Liever zeg jij waar het geld is. Ik wil me geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij”. Aangeefster heeft toen gezegd dat zij het heeft gepakt, omdat dat de enige manier was om weg te komen. Aangeefster heeft gezegd dat zij het geld aan [naam 3] heeft gegeven. Daarna zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] teruggeroepen door [verdachte] . Aangeefster moest inloggen op haar Snapchat op de telefoon van [medeverdachte 3] . Dit lukte niet omdat aangeefster een tweestapsverificatie heeft, waarbij een sms naar haar telefoon wordt gestuurd. De telefoon van aangeefster was echter op vliegtuigstand gezet. [verdachte] heeft toen in de telefoon van aangeefster naar foto’s en video’s van voicememo’s gekeken. Uiteindelijk hebben ze de vliegtuigstand van de telefoon gehaald en is de sms ontvangen. Op dat moment heeft [verdachte] de chat met [naam vriendin] gelezen en heeft [verdachte] gevraagd “Oh je hebt de politie laten bellen? Waarom laat je politie bellen, jij bent toch fout hier”. Aangeefster dacht dat [verdachte] toen bang werd dat de politie zou komen omdat hij plotseling opstond en tegen [medeverdachte 3] zei dat zij weg zouden gaan. Tegen [medeverdachte 2] heeft [verdachte] gezegd dat aangeefster zich moest opfrissen. De kleren die aangeefster aan had moesten worden weggegooid. Aangeefster heeft moeten douchen van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft toen haar kleren gepakt. Toen zij uit de douche kwam heeft zij een korte broek en vest aangetrokken, die zij van [medeverdachte 2] kreeg. Hierna moest aangeefster met [medeverdachte 2] mee in de Hyundai, naar de parkeerplaats tegenover het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost. Daar zijn zij rond 21.23 uur aangekomen. Aangeefster heeft gehoord dat [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 2] belde. Zij zag de naam van [medeverdachte 5] in het telefoonscherm staan. Rond 01.30 uur zijn – in dezelfde Golf als waarin de kinderen naar Almere waren vervoerd – [verdachte] , [medeverdachte 3] en [naam 4] gekomen. [verdachte] is achter aangeefster gaan zitten op de achterbank. Aangeefster heeft toen gehoord dat [verdachte] een pistool heeft doorgeladen. [verdachte] heeft vervolgens het raam open gedaan en een keer naar buiten geschoten. Hierbij heeft hij gezegd: “Happy New Year”. Aangeefster heeft gehoord dat [verdachte] het heeft opgenomen op zijn telefoon omdat hij het daarna bleef afspelen. [verdachte] heeft toen gebeld met [naam 3] en hem gevraagd te komen. [naam 3] heeft gezegd dat hij niet kon komen. [verdachte] heeft vervolgens tegen [naam 3] gezegd dat [naam 3] morgen ‘ready’ moest zijn. Hierna heeft [verdachte] aangeefster een foto laten zien van een chatgesprek tussen aangeefster en [medeverdachte 4] , dat hij van het toestel van aangeefster heeft gemaakt. Het bleek een bericht van [medeverdachte 4] aan aangeefster waarin ze vroeg of aangeefster het gesprek tussen [medeverdachte 4] en [naam 5] nog had dat [medeverdachte 4] aangeefster had gestuurd. Aangeefster heeft gezien dat [verdachte] druk bezig was met een telefoon en dat [verdachte] foto’s maakte. [verdachte] heeft vervolgens gezegd: “gezien het morgen wordt, neem haar maar weer mee naar Almere. Houd haar daar in de gaten en zorg dat ze niet weg kan”. Toen ze zijn aangekomen in de woning in [plaats] heeft [medeverdachte 5] de deur geopend. Aangeefster is naast haar kinderen op de bank gaan liggen. Besloten was dat [medeverdachte 3] de volgende dag met [verdachte] terug zou komen. [medeverdachte 2] is naast aangeefster op de bank komen liggen, [medeverdachte 5] ging op de andere kant van de hoekbank zitten. Voordat ze dat deden hadden zij eerst alle sloten en deuren gecontroleerd. Aangeefster heeft gezien dat zij allebei een pistool uit hun broeksband hebben gehaald. Daarna is [medeverdachte 2] in slaap gevallen en is [medeverdachte 5] half in slaap gevallen. Bij iedere beweging heeft [medeverdachte 5] zijn ogen open gedaan en aangeefster aangekeken. Rond 15.00 uur is [naam 6] binnengekomen. Ze hebben hem gevraagd of hij met de C3 was, waarop [naam 6] ja heeft geantwoord. [medeverdachte 2] en [naam 6] hebben gesproken over [verdachte] . Het was namelijk de bedoeling dat [verdachte] in de ochtend met [medeverdachte 3] zou terugkomen. Nadat [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] had gebeld dat iemand hun moest komen halen, heeft [naam 6] gezegd dat hij ze zou gaan halen. Ook [medeverdachte 5] is naar buiten gegaan om sigaretten te kopen. Plots heeft [medeverdachte 2] gezegd: “Blauw, blauw”. Aangeefster heeft een harde knal gehoord en zag dat [medeverdachte 2] zijn telefoon kapot heeft gegooid. Daarna is [medeverdachte 2] op zijn knieën gaan zitten met zijn handen op zijn hoofd, waarna de politie is binnen gekomen. Tegenover de politie heeft aangeefster verklaard dat [verdachte] de leider was. Ook heeft zij bekend dat zij op 24 december 2019 een pakketje van 20 euro bankbiljetten van in totaal 5.000 euro heeft gepakt. Hiervan heeft zij 2.400 euro op haar bankrekening gestort en heeft zij 1.000 euro aan [naam 3] gegeven. Daarnaast heeft zij kleine dingen gekocht.

Tussenconclusie vaststelling bijnamen van verdachte en zijn medeverdachten

Door de politie zijn aangeefster foto’s getoond van verdachte en zijn medeverdachten. Aangeefster heeft desgevraagd verklaard [verdachte] te herkennen als [verdachte] , [medeverdachte 2] te herkennen als [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] te herkennen als [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] te herkennen als [medeverdachte 5] . Ter terechtzitting hebben de verdachte en zijn medeverdachten bevestigd dat voornoemde bijnamen voor hen worden gebruikt. De rechtbank stelt daarom vast dat met [verdachte] wordt bedoeld [verdachte] (hierna: verdachte), dat met [medeverdachte 2] wordt bedoeld [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), dat met [medeverdachte 3] wordt bedoeld [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en dat met [medeverdachte 5] wordt bedoeld [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]).

3.3.1.2. Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat het geld dat aangeefster heeft gestolen, niet aan hem toebehoort. Verdachte heeft ontkend dat hij vanwege het chatgesprek met [medeverdachte 4] op 30 december 2019 met spoed uit Suriname is vertrokken. Verdachte is Suriname ontvlucht, omdat hij van de politie in Suriname bericht had gekregen dat er een dreiging op zijn leven was. Hoewel verdachte heeft bekend dat hij op 31 december 2019 in de woning van [medeverdachte 4] is geweest, heeft verdachte enige betrokkenheid bij een ontvoering, mishandeling of bedreiging ontkend. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte in oktober 2020 hierover het vermoeden uitgesproken dat aangeefster een valse verklaring heeft afgelegd, omdat zij rancuneus is geworden wegens het eindigen van hun seksuele relatie. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij zijn stem herkent als een van de 4 stemmen op het filmpje dat is gemaakt in de woning in de [adres 1] . Volgens verdachte kan uit dit filmpje worden opgemaakt dat aangeefster juist hem ervan beschuldigde dat hij het geld heeft gestolen.

3.3.1.3. Oordeel over de bruikbaarheid van de verklaring van aangeefster

Op grond van haar hiervoor uitgebreid weergegeven verklaring, concludeert de rechtbank dat aangeefster een zeer gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Aangeefster heeft deze verklaring afgelegd kort nadat zij door de politie is aangetroffen en voorafgaande aan enige kennisname van het dossier. De inhoud van de verklaring van aangeefster is dan ook niet op voorhand ongeloofwaardig.

Wel is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat behoedzaam met de verklaring van aangeefster dient te worden omgegaan en dat er ruim voldoende steunbewijs moet zijn om deze te kunnen gebruiken als bewijs. Aangeefster heeft immers bekend geld te hebben gestolen. Verder heeft aangeefster aanvankelijk ontkend wetenschap te hebben van een brief die door haar zou zijn geschreven en die door de raadsman van verdachte is ingebracht. Na overlegging van een geluidsopname is aangeefster op die ontkenning teruggekomen en heeft zij toegegeven, op verzoek van [naam 7] , bij die brief betrokken te zijn geweest. Uit de inhoud en de totstandkomingsgeschiedenis van de brief, voor zover bekend, volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer dat aangeefsters verklaringen allemaal als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. In de brief staat namelijk weliswaar dat aangeefster niet volledig eerlijk is geweest in haar politieverhoor, maar wat dan precies niet juist zou zijn is daarin niet uiteengezet. Dat is evenmin duidelijk geworden in de latere verhoren van aangeefster bij de rechter-commissaris en aangeefster is ook niet op haar eerdere verklaringen teruggekomen. Kortom, de rechtbank acht de verklaringen van aangeefster bruikbaar voor het bewijs, zij het dat enige behoedzaamheid vereist is.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het strafdossier op meerdere relevante punten ondersteuning biedt voor de verklaring van aangeefster. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Histo’s en camera’s

Camerabeelden bevestigen dat er op 30 december 2019 een ontmoeting is geweest tussen aangeefster en [medeverdachte 2] voor de Jumbo op het Buikslotermeerplein. Immers heeft de politie de CCTR-beelden bekeken en omschreven dat een persoon naar de persoon en het kindje op het Buikslotermeerplein loopt en dat zij na een kort gesprek in de auto gaan zitten en wegrijden. De histo’s van de telefoon van [medeverdachte 2] laten bovendien zien dat de telefoon van [medeverdachte 2] op 30 december 2019 in de avond gebruik heeft gemaakt van de Cell-ID’s, die zich bevinden op zendmastlocaties in de omgeving van de woning van aangeefster.

Ten aanzien van de gebeurtenissen op 31 december 2019 vindt de verklaring van aangeefster eveneens steun in de histo’s. Aangeefster heeft verklaard dat zij vanuit haar woning in [woonplaats] in een zwarte Hyundai naar de [adres 1] is vervoerd. De histo’s van de telefoons van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn opgevraagd. In de histo’s van de telefoon van [medeverdachte 2] is te zien dat op 31 december 2019 vanaf 18.37 uur de telefoon gebruik maakt van de Cell-ID’s die zich bevinden op de zendmastlocatie in [woonplaats] . Vanaf 19.13 uur laten de histo’s steeds veranderende zendmastlocaties zien, beginnend in Diemen via Muiden en eindigend om 19.29 uur met een zendmastlocatie in Almere. Ook de histo’s van de telefoon van [medeverdachte 3] laten die avond tussen 18.21 uur en 19.31 uur een verplaatsing van Amsterdam naar Almere zien. De telefoon van verdachte – die tussen 16.12 uur en 19.10 uur helemaal geen zendmast aanstraalt – heeft om 19.10 uur voor het eerst gebruik gemaakt van een Cell-ID op een zendmastlocatie nabij de Ringweg A10 in Amsterdam en maakt vanaf 19.53 uur gebruik van een Cell-ID in Almere. Ook zijn de beelden van het tankstation BP Honswijck bekeken. Hierop heeft de politie gezien dat op 31 december 2019 om 19.16 uur een Hyundai het terrein op kwam rijden. De bestuurder van de Hyundai is door de politie herkend als [medeverdachte 2] .

Aangeefster heeft verder verklaard dat zij rond 21.23 uur weer door [medeverdachte 2] is meegenomen vanuit de [adres 1] naar de parkeerplaats tegenover het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost. De histo’s laten zien dat de telefoon van [medeverdachte 2] vanaf 21.47 uur tot en met 02.03 uur gebruik heeft gemaakt van de Cell-ID op de zendmastlocatie in Amsterdam Zuidoost. Op 1 januari 2020 vanaf 02.54 uur heeft de telefoon weer gebruik gemaakt van de Cell-ID’s op de zendmastlocaties in Almere. De histo’s van de telefoon van verdachte – waaruit is gebleken dat de telefoon van verdachte die nacht van 00.40 uur tot en met 2.21 uur eveneens gebruik heeft gemaakt van de Cell-ID’s die zich bevinden in de nabijheid van het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost – bieden verdere ondersteuning voor de verklaring van aangeefster.

Ook zijn de histo’s van de telefoon van aangeefster opgevraagd. Hierbij is zichtbaar geworden dat de telefoon van aangeefster tot 31 december 2019 om 19.00 uur alleen gebruik heeft gemaakt van Cell-ID’s die zich bevinden op zendmastlocaties in de nabijheid van de woning van aangeefster. Hierna heeft de telefoon pas weer vanaf 21.20 uur veranderende zendmastlocaties aangestraald tussen Muiderberg en Amsterdam Zuidoost. Na 22.07 uur zijn geen verbindingen met Cell-ID’s meer geregistreerd.

Voornoemde histo’s en camerabeelden ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van aangeefster over de verplaatsingen die zij en de verdachten die avond hebben afgelegd. Anders dan door de raadsman is betoogd, sluiten de histo-gegevens van de telefoon van verdachte wat de rechtbank betreft niet uit dat verdachte al vanaf het moment dat aangeefster bij haar woning werd opgehaald bij de ontvoering aanwezig was.

De rechtbank is van oordeel dat de histo’s in dit geval bruikbaar zijn voor het bewijs, zeker in combinatie met de overige hier besproken bewijsmiddelen. Het is bekend dat histo-gegevens door de reikwijdte van celgebieden en de eventuele drukte in het celgebied (waardoor overplaatsing naar een ander celgebied mogelijk is) niet zo nauwkeurig zijn dat daaruit de exacte locatie kan worden bepaald. Wel kunnen de histo’s aangeven in welk gebied iemands telefoon zich ongeveer bevindt.

Telefoon verdachte als ondersteuning voor de verklaring van aangeefster

Verdere ondersteuning voor de gebeurtenissen die de lezing van aangeefster bevestigen, ziet de rechtbank in de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen. De telefoon is uitgelezen door de politie.

Zo is uit de telefoon van verdachte gebleken dat op 31 december 2019 om 19.10 uur is uitgebeld naar het nummer, waarvan bekend is geworden dat dit in gebruik was bij [medeverdachte 4] . Daarnaast zijn om 19.07 uur telefonische contactmomenten via Snapchat met ‘ [naam 8] ’ te zien. Deze bevindingen sluiten aan bij de verklaring van aangeefster dat tijdens de autorit contact is opgenomen met [medeverdachte 4] .

Verder heeft aangeefster verklaard dat verdachte op de parkeerplaats bij het Campanile hotel achter haar in de auto is komen zitten en dat verdachte toen door het raam heeft geschoten, waarbij hij zou hebben gezegd “Happy New Year”. Op de telefoon van verdachte is een filmpje aangetroffen dat is gemaakt op 1 januari 2020 om 01.46 uur. Het filmpje is door de politie bekeken. De politie heeft omschreven dat ze hebben gezien dat [verdachte] op de achterbank in een auto zit. Het vuurwapen wordt doorgeladen en door het geopende raam gericht. [verdachte] lost een schot met het vuurwapen en zegt “Happy New Year”.

Ook is op de telefoon van verdachte een foto aangetroffen die is gemaakt op 31 december 2019 om 20.49 uur. De politie heeft omschreven dat op de foto een scherm van een telefoon zichtbaar is, met daarop een Snapchat gesprek met [medeverdachte 4] . In het bericht vraagt [medeverdachte 4] : “ [slachtoffer] , heb je ons app gesprek van die dinsdag nog? Of had je alles gewist”. Verder zijn op de telefoon van verdachte screenshots aangetroffen van het gesprek tussen [naam 5] en [medeverdachte 4] . Deze foto’s zijn gemaakt op 1 januari tussen 02.05 uur en 02.11 uur en sluiten daarom aan bij de verklaring van aangeefster dat verdachte die nacht met haar telefoon is bezig geweest.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat het gestolen geld niet aan hem toebehoort en dat aangeefster juist hem ervan verdacht het geld te hebben weggenomen, geen steun vindt in de bewijsmiddelen. Wel kan in de telefoon van verdachte ondersteuning worden gevonden voor de verklaring van aangeefster, inhoudende dat zij het geld dat aan [verdachte] toebehoort heeft weggenomen. In de telefoon van verdachte is een chatbericht aangetroffen waarbij ‘ [naam 8] ’ op 30 december 2019 aan ‘ik’ een chatbericht heeft gestuurd:

“ik ben helemaaaal in paniekkkkkkkk Heb je iemand geld laten halen hier??????”.

Nu [medeverdachte 4] en verdachte hebben verklaard dat dit gesprek tussen hen heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat uit het chatbericht blijkt dat geld is verdwenen en dat [medeverdachte 4] meent dat verdachte hiervan de eigenaar is. Bovendien heeft [medeverdachte 4] hierover verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] haar op 30 december 2019 hebben gezegd dat er geld van [verdachte] weg was.

Dat het geld van verdachte zou zijn en dat aangeefster ervan werd verdacht het geld te hebben gestolen, kan verder worden afgeleid uit een chatgesprek dat op diezelfde telefoon is aangetroffen. Het chatgesprek vindt plaats tussen verdachte en een gebruiker waarvan door de politie is vastgesteld dat het telefoonnummer in gebruik is bij [naam 9] (hierna: [naam 9]). Op 30 december 2019 stuurt [naam 9] aan verdachte het bericht dat hij super slim is om zoveel geld te zetten bij iemand die met heel de wereld bevriend is en waar zelfs buren over de vloer komen. [naam 9] gaf aan dat ze het erg vond en dat ze hoopte dat die meid het terug zou geven. Hierop heeft verdachte geantwoord met: “ik kom om iedereen te vernietigen”. Het gesprek eindigde met een bericht van [naam 9] waarin zij aangaf dat het wel goed kwam en dat hij “haar” wel zou vinden.

Op voornoemde telefoon is verder een Whatsapp-bericht aangetroffen waarbij ‘ [naam 10] ’ op 30 december 2019 aan ‘ma’ heeft gestuurd:

“ma ik moet met spoed weg”.

Uit het vliegticket op naam van [verdachte] dat op de telefoon van verdachte is aangetroffen, volgt dat verdachte Suriname op 30 december 2019 inderdaad heeft verlaten. De rechtbank stelt gelet op voornoemde vast dat verdachte gebruik maakt van de gebruikersnaam ‘ [naam 10] ’. Genoemde berichten bieden ondersteuning aan de verklaring van aangeefster dat [medeverdachte 2] haar op 30 december 2019 heeft gezegd dat de eigenaar van het geld onderweg is naar Nederland.

Op de telefoon van verdachte is verder een filmpje aangetroffen van 31 december 2019 om 20.58 uur. Blijkens het wifigebruik kan worden afgeleid dat het filmpje is gemaakt op de [adres 1] . Dit filmpje is door de politie bekeken. De politie omschrijft dat naast [slachtoffer] (SO) en [verdachte] (JH) nog twee mannen (NN1 en NN2) zijn te horen. Op het filmpje is te horen:

[verdachte] : Waar praten jullie over?

NN1: Van gister.

NN2: Toen ze belde met blauw. Toen die blauw er was.

[verdachte] : Maar waarom bel je politie...

SO: Ik heb politie niet gebeld

[verdachte] : ...terwijl je fout ben

>hard geluid dat ik niet nader kan omschrijven<

[verdachte] : ... (niet te verstaan) vannacht heb je.....(niet te verstaan) komen d’r in een waggie.......(niet te verstaan) de buurvrouw gewenkt, zei je bel politie. Maar waarom bel je politie terwijl je fout bent. Huh? Zeg effe. Dus je doet iets, .... (korte stilte), en dan bel je politie.

>kort bonk geluid<

Dan mogen ze wel komen.

>twee keer kort bonk geluid<

[verdachte] : Je steelt en wanneer het fout gaat dan moeten ze je wel helpen. Is niet logisch toch of wel? (vermoedelijk) SO (heel zacht): Nee.

Huh? Ik hoor je niet.

SO: Nee.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat niet verdachte ervan wordt beschuldigd te hebben gestolen, maar dat verdachte stelt dat aangeefster heeft gestolen.

Gelet op bovenstaande bevindingen stelt de rechtbank vast dat de aangetroffen chat-gesprekken, foto’s en video op de telefoon van verdachte, ondersteuning bieden voor de verklaring van aangeefster.

Daarbij komt dat onderzoek is gedaan naar de verklaring van aangeefster dat zij het geld heeft gestolen en wat zij vervolgens met het geld heeft gedaan. Uit de gegevens die door de bank zijn verstrekt is gebleken dat op 30 december 2019 een contante storting op de rekening van aangeefster is gedaan van 2.400 euro. [naam 3] heeft verklaard eind 2019 van aangeefster 1.000 euro contant te hebben ontvangen. Ook heeft [naam 3] verklaard dat hij hierover telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] . Deze bevindingen sluiten aan bij de verklaring van aangeefster.

Zoals de rechtbank hierna in 3.3.2.1. zal overwegen, bieden ook de letselrapportage en de NFI-rapporten verdere ondersteuning aan de verklaring van aangeefster.

De rechtbank concludeert dat er in ruime mate ondersteunend bewijs is voor de verklaring van aangeefster, zodat deze bruikbaar is voor het bewijs.

Nu de mishandeling (feit 2) en bedreiging (feit 3) zowel als afzonderlijke feiten ten laste zijn gelegd alsmede als feitelijke handelingen die deel uitmaken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), zal de rechtbank eerst deze feiten bespreken.

3.3.2.

Het oordeel over de mishandeling (feit 2)

3.3.2.1. Letselrapportage en aangetroffen DNA als ondersteuning voor verklaring aangeefster

De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij hebben die verklaringen pas 11 maanden later en na kennisname van het dossier afgelegd. Voor zover medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat aangeefster het letsel heeft opgelopen doordat zij door [medeverdachte 3] met een vuist tegen haar neus is geslagen, overweegt de rechtbank dat het letsel niet past bij dat scenario, terwijl het letsel blijkens de letselverklaring wel past bij de door aangeefster gemelde toedracht. De verklaring van verdachte en zijn medeverdachten schuift de rechtbank dan ook als ongeloofwaardig ter zijde. De rechtbank zal de verklaring van aangeefster volgen en overweegt daartoe als volgt.

De letselrapportage en de daarbij gevoegde foto’s bieden ondersteuning voor de verklaring van aangeefster dat zij in de woning op de [adres 1] is mishandeld. In het letselrapport is de gemelde toedracht weergegeven, namelijk dat aangeefster met een vuurwapen meermalen op het behaarde hoofd en knieën is geslagen. Ook zou heet water in haar trui zijn gegoten. Door de arts is op het hoofd van aangeefster een huidbeschadiging waargenomen van de gehele linkerzijde, zijnde vanaf de voorzijde van de haargrens tot achter. Hierbij is sprake van een zwelling en de haren plakken aan de oude bloedresten. Ook heeft de arts achter het rechter oor van aangeefster een snijwond van drie centimeter waargenomen. Door de arts is verder omschreven dat in de hals over een gebied van 15 bij 20 centimeter sprake is van een diep rode verkleuring van de huid, die past bij een eerstegraads brandwond. Tot slot zijn op de beide knieën van aangeefster bloeduitstortingen geconstateerd, die door de arts zijn omschreven als ronde rood paarse verkleuringen van 3 tot 4 centimeter. Volgens de beoordeling van de forensisch arts past de ouderdom van het letsel bij het tijdsinterval en past de gemelde toedracht zeer goed bij het letsel.

Voor de verklaring van aangeefster dat zij met een vuurwapen is geslagen kan verdere ondersteuning worden gevonden in de bevindingen betreffende het vuurwapen dat op 2 januari 2020 bij [medeverdachte 1] in de auto – zijnde een Citroën C3 – is aangetroffen. Dit vuurwapen is bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van bloed. De bemonstering op de onderkant van de buitenzijde van de loop heeft een DNA-mengprofiel opgeleverd van minimaal twee personen. Het DNA-mengprofiel is vergeleken met DNA-profielen van personen in deze strafzaak. Hierbij is een match gevonden (DNA-nevenkenmerken) met aangeefster. De resultaten van het DNA-onderzoek zijn beschouwd onder de volgende hypothesen:

Hypothese 4: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

Hypothese 5: De bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen.

In het NFI-rapport is opgenomen dat de onderzoeksresultaten meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 4 waar is, dan wanneer hypothese 5 waar is. De rechtbank concludeert hieruit dat op het vuurwapen dat in de auto van [medeverdachte 1] is aangetroffen, DNA van aangeefster is aangetroffen.

Ook de waterkoker is onderzocht op sporen.

De bemonstering van de onderkant van de waterkoker heeft een DNA-profiel van een vrouw opgeleverd. Het DNA-profiel is vergeleken met DNA-profielen van personen in deze strafzaak. Hierbij is een match gevonden met aangeefster, waarbij in het NFI-rapport is opgenomen dat de matchkans van een DNA-profiel met een willekeurig persoon kleiner dan 1 op 1 miljard is. De rechtbank stelt daarom vast dat het bloed dat op de onderkant van de waterkoker is aangetroffen DNA bevat van aangeefster.

Tot slot ziet de rechtbank in de bebloede kledingstukken die in een tas op de [adres 1] zijn aangetroffen ondersteuning voor de verklaring van aangeefster dat verdachte op haar hoofd en knieën heeft geslagen met een vuurwapen en heet water in haar nek heeft gegoten.

3.3.2.2. Vrijspraak van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of voornoemde handelingen een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel opleveren. Onder zwaar lichamelijk letsel kan volgens artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder andere worden begrepen een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende arbeidsongeschiktheid, een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken duurt, of wat in het gewone taalgebruik onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Onder omstandigheden kan het meermalen op het hoofd slaan met een vuurwapen of iemand overgieten met kokendheet water, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben, maar dat is niet vanzelfsprekend het geval. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank zal daarom beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. Voor een bewezenverklaring is dan allereerst vereist dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangeefster als gevolg van de handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Vervolgens moet verdachte deze kans bewust hebben aanvaard. Bij de beantwoording van de vraag of de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest, heeft de rechtbank allereerst het wapen waarmee en de plek waar aangeefster is geslagen in aanmerking genomen. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen slaan met een ijzeren vuurwapen op het hoofd een aanmerkelijke kans opleveren dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Immers kan hierdoor een schedelbreuk of hersenletsel worden veroorzaakt. Naar algemene ervaringsregels kan de kans dat zwaar lichamelijk letsel wordt opgelopen wanneer iemand met kokendheet water uit een waterkoker wordt overgoten eveneens als aanmerkelijk worden beschouwd, nu dit derdegraads brandwonden kan opleveren.

In dit geval kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest.

Hoewel de rechtbank de beleving van aangeefster dat verdachte haar met kracht heeft geslagen begrijpt, kan op basis van het strafdossier niet worden vastgesteld met welke kracht is geslagen. De letselrapportage kan op dit punt niet tot ondersteuning voor de verklaring van aangeefster dienen. De forensisch arts heeft geen grote hoofdwond of ander letsel geconstateerd, waaruit kan worden afgeleid dat aangeefster met grote kracht is geslagen.

Ook heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het water nog kokend is geweest, nu naar eigen zeggen van aangeefster de waterkoker eerst voor haar is neergezet. Bovendien is in de letselrapportage de verwachting opgenomen dat het letsel in vier weken is hersteld en dat geen blijvend letsel is veroorzaakt. In de letselrapportage is opgenomen dat het geconstateerde letsel zeer goed past bij de gemelde toedracht, waarbij is uitgegaan van heet water dat is opgezogen door de trui van aangeefster.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was en dat verdachte die kans door zijn handelen heeft aanvaard, kan niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het in onder feit 2 primair ten laste gelegde. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.2.3. Bewijsoverweging over de mishandeling

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar meermalen met een vuurwapen op haar hoofd en knieën te slaan. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat aangeefster met kokend water is overgoten, wel dat het water waarmee aangeefster is overgoten zeer heet moet zijn geweest. Immers is de brandwond in de letselrapportage als een eerstegraads brandwond aangeduid en is daarbij uitgegaan van overgieten met heet water.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft gesteld dat het geconstateerde letsel niet past bij de verklaring van aangeefster dat zij 8 à 9 keer met een vuurwapen is geslagen. De raadsman heeft daarom verzocht om - indien de rechtbank tot een veroordeling voor dit feit zou komen - alsnog een deskundige de aard van het letsel te laten duiden, in die zin of het letsel past bij hetgeen aangeefster stelt te zijn overkomen.

Gelet op het aangetroffen bloed van aangeefster op het wapen en de letselverklaring van de forensisch arts – inhoudende dat de gemelde toedracht zeer goed past bij het geconstateerde letsel – acht de rechtbank zich voldoende ingelicht. De rechtbank is de noodzakelijkheid van het verzoek niet gebleken, zodat het voorwaardelijke verzoek van de raadsman zal worden afgewezen.

Medeplegen

De rechtbank is verder van oordeel dat tussen verdachte en de medeverdachten sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die het vuurwapen en de waterkoker heeft aangegeven. Verdachte heeft met deze voorwerpen de geweldshandelingen verricht, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben toegekeken. Vervolgens heeft [medeverdachte 3] assistentie verleend door een dekbed tegen het gezicht van aangeefster te gooien en door haar terug te duwen op de barkruk. Er was dan ook sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking, dat sprake is van medeplegen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling (feit 2, subsidiair).

3.3.3.

Het oordeel over de bedreiging (feit 3)

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft gezegd dat haar kinderen dood zouden gaan, net als zij. Ook heeft verdachte gezegd dat hij aangeefster door het hoofd zou schieten, dat dit van hogere hand kwam en dat zij dood mocht. Tot slot heeft verdachte aangeefster gezegd: “Ik wil me geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij”. Aangeefster heeft verklaard dat zij doodsbang was en dat zij dacht niet levend weg te komen. Het waren vier mannen tegenover haar en haar kinderen en aangeefster heeft vuurwapens gezien.

Hoewel in het strafdossier niet is gebleken van steunbewijs ten aanzien van de ten laste gelegde exacte bewoordingen, volgt de rechtbank de verklaring van aangeefster omdat deze – zoals eerder is overwogen – op essentiële onderdelen en ook op detailniveau wordt ondersteund. Daarbij komt dat voor onderdelen van de ten laste gelegde bedreiging wel ondersteuning voor verklaring aangeefster is. Zo kan worden vastgesteld dat in de woning op de [adres 1] ten minste twee vuurwapens aanwezig zijn geweest, namelijk het vuurwapen dat in de woning door de politie is aangetroffen en het vuurwapen waarop het bloed van aangeefster is aangetroffen. Ook is het filmpje waarbij verdachte door het openstaande raam een schot heeft gelost aangetroffen op de telefoon van verdachte en is door aangeefster eerder verklaard over omstandigheden die op het filmpje waarneembaar zijn.

De woorden dat verdachte aangeefster door het hoofd zou schieten, dat haar kinderen ook dood zouden gaan en “ik wil je geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij”, zijn, zeker in de context van fysiek geweld en een wederechtelijke vrijheidsberoving, zijn zeer bedreigend voor aangeefster geweest. In deze context geldt hetzelfde voor het overdragen van wapens. De bedreiging kan dan ook worden bewezen.

Medeplegen

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte de bedreiging gedeeltelijk samen met anderen heeft begaan. Zoals aangeefster ook heeft verklaard heeft de enkele aanwezigheid van verdachten het ontstaan van een dreigende sfeer versterkt, omdat het een situatie heeft gecreëerd van meerdere mannen tegenover aangeefster en haar kinderen. Bovendien zijn tussen de verdachte en medeverdachten vuurwapens overgedragen en ter hand genomen. Hierdoor is bij aangeefster bewustheid van de vuurwapens gecreëerd, waardoor het overwicht tussen de verdachten en aangeefster is toegenomen. Uit het overdragen van het vuurwapen door [medeverdachte 2] , waarmee aangeefster vervolgens is mishandeld terwijl bedreigingen zijn geuit door [verdachte] , blijkt naar de uiterlijke verschijningsvorm een nauwe en bewuste samenwerking. Deze nauwe en bewuste samenwerking blijkt ook als aangeefster is opgesprongen van pijn, maar vervolgens door [medeverdachte 3] op de kruk wordt teruggeduwd. Volgens de rechtbank blijkt uit het geheel van de gedragingen een gezamenlijke uitvoering van een vooropgezet plan.

Nu aangeefster zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door [verdachte] de kamer uit zijn gestuurd voordat hij de woorden “Ik wil me geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij” heeft geuit, zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken van medeplegen. Datzelfde geldt ten aanzien van het achter aangeefster plaatsnemen in de auto en door het raam schieten, nu niet is gebleken dat verdachte dit samen met anderen heeft gedaan.

3.3.4.

Het oordeel over het voorhanden hebben van wapens (feit 4)

Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] zijn – in een Citroen C3 waarin hij op dat moment reed – een vuurwapen en bijbehorende munitie aangetroffen. Het vuurwapen is onderzocht door de politie. Zoals hiervoor in 3.3.2.1. is overwogen is uit het NFI-rapport gebleken dat het DNA van aangeefster op het vuurwapen is aangetroffen. Deze bevindingen passen bij de verklaring van aangeefster dat zij met een vuurwapen is geslagen door verdachte.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte het vuurwapen dat in de auto bij [medeverdachte 1] is aangetroffen het vuurwapen is dat verdachte, samen met anderen, voorhanden heeft gehad. Omdat het pistool was geladen met 5 stuks munitie, overweegt de rechtbank dat ook kan worden bewezen dat verdachte deze munitie voorhanden heeft gehad.

Met de raadsman en de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het vuurwapen dat op de [adres 1] is aangetroffen samen met anderen voorhanden heeft gehad. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat het vuurwapen dat op de [adres 1] is aangetroffen, een van de vuurwapens is geweest dat aangeefster de verdachten heeft zien dragen of heeft zien overgeven. Ook is op het vuurwapen geen DNA aangetroffen van verdachte of de medeverdachten, waaruit wetenschap en beschikkingsmacht kan worden afgeleid.

3.3.5.

Het oordeel over de w ederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1)

Uit de verklaringen van aangeefster in combinatie met de overige hiervoor besproken bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat verdachten aangeefster en haar kinderen wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd hebben gehouden.

Mede gelet op de bedreigingen en de mishandeling die de rechtbank bewezen acht in de context van een geschil over geld dat verdwenen was, acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat het aangeefster vrijstond om de [adres 1] te verlaten. Dit geldt temeer nu de kinderen van aangeefster boven in de woning verbleven en deze kinderen grotendeels bij aangeefster werden weggehouden.

Dat sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsberoving vindt voorts steun in het feit dat een buurvrouw, getuige [getuige 4] , heeft verklaard dat zij – op het moment van de vrijheidsberoving – van aangeefster berichten kreeg dat zij de politie moest bellen. De politie heeft vervolgens in de woning van aangeefster niemand aangetroffen, maar wel stonden de lichten nog aan en lag er een nog warme pizza. Verder heeft buurtbewoonster [naam buurtbewoonster] waargenomen dat aangeefster, zonder kinderen, door de gang liep met een man voor zich die strak voor zich uitkeek. [naam buurtbewoonster] vond het vreemd dat [slachtoffer] haar niet groette terwijl [slachtoffer] dit normaal gesproken altijd doet. Een en ander past goed in de verklaring van aangeefster en minder goed bij een scenario waarin aangeefster vrijwillig is vertrokken.

Medeplegen

De rechtbank is verder van oordeel dat bij de vrijheidsberoving sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering tussen verdachte en de medeverdachten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de verklaring van [medeverdachte 4] is gebleken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] ervan op de hoogte waren dat geld van [verdachte] weg was. [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , zijn vervolgens samen bij de woning van aangeefster verschenen. Nadat zij in twee auto’s naar de [adres 1] zijn afgereisd, heeft [medeverdachte 5] de taak op zich genomen om zich boven in de woning over de kinderen te ontfermen, terwijl [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich beneden in de woning tot aangeefster hebben gericht. Dat tijdens de mishandeling en de bedreiging van aangeefster eveneens sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering is hiervoor in 3.3.2.3. en 3.3.3. reeds overwogen. Ook het meenemen van aangeefster naar de parkeerplaats door [medeverdachte 2] , waar zij de komst van [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben afgewacht, duidt op een gezamenlijk plan. Terwijl aangeefster en haar kinderen die nacht zijn bewaakt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , is uit een chatgesprek verder gebleken dat [medeverdachte 2] – voordat het arrestatieteam de woning is binnengevallen – de komst van o.a. [medeverdachte 3] heeft afgewacht.

3.3.6.

Het oordeel over witwassen (feit 5)

Beoordelingskader witwassen

Van witwassen is sprake als verdachte zogenoemde witwasgedragingen heeft verricht met een voorwerp terwijl hij weet dat dat voorwerp van misdrijf afkomstig is.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan witwassen worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat een in de tenlastelegging genoemd voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens weer op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Feiten en omstandigheden

Op 6 januari 2020 is in een woning aan de [adres 2] een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal 20.000 euro. Het geld is aangetroffen tussen de bedbodems in drie bundels bankbiljetten.

Op diezelfde dag is in een woning op de [adres 3] een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal 70.020 euro. Het geld zat verpakt in een kartonnen doos die met tape was dichtgeplakt. In de doos lag een kinderwagen. Daaronder lag een zwarte tas met daarin een linnen Albert Heijn tas. Hierin zaten zeven bundels met eurobiljetten.

Verder zijn op 9 januari 2020 in een woning aan de [adres 4] in [plaats] contante geldbedragen aangetroffen. In een Louis Vuitton tas zijn meerdere geldbundels aangetroffen van in totaal 70.020 euro. Daarnaast zijn in een schoenendoos nog eens 6.300 euro en 4.040 US Dollar aangetroffen. De bewoonster, [naam 2] , heeft hierover verklaard dat zij het geld kort na de jaarwisseling heeft opgehaald op de [adres 1] . [verdachte] heeft haar gevraagd om het geld op te halen en te bewaren.

Bij een doorzoeking van de [adres 5] is tot slot nog een Rolex horloge aangetroffen. Op de telefoon van verdachte is een factuur ten bedrage van 31.000 euro voor dit horloge aangetroffen. Na onderzoek bij Gassan Diamonds is gebleken dat het horloge is betaald met contant geld.

Verdachte heeft bekend dat het geldbedrag van 20.000 euro dat op de [adres 2] is aangetroffen, de geldbedragen die op de [adres 4] zijn aangetroffen en het Rolex horloge van hem zijn.

Verdachte heeft echter ontkend dat het geldbedrag van 70.020 euro dat op [adres 3] is aangetroffen van hem is.

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman, is de rechtbank evenwel van oordeel dat vast is komen te staan dat ook het geldbedrag dat op [adres 3] is aangetroffen aan verdachte toebehoort. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op de telefoon van verdachte is een Whatsapp-gesprek aangetroffen tussen [naam 10] en [naam 11] . In het chatgesprek vraagt [naam 11] op 1 januari 2020 aan [naam 10] of zij dingen hier bij haar ma moest laten zetten of dat zij het weer mee terug moest meenemen. Hierna zegt [naam 11] dat zij het gewoon ging verstoppen ergens bij haar ma. De politie heeft onderzoek gedaan naar de gebruiker van het telefoonnummer. Gebleken is dat [naam 1] , wonende op de [adres 2] , eerder het telefoonnummer als getuige heeft opgegeven.

Zoals gezegd is op 6 januari 2020 op het adres [adres 3] – zijnde de woning van de moeder van [naam 1] – een geldbedrag van 70.020 euro aangetroffen. Van de aangetroffen geldbundels zijn het bovenste en onderste biljet er uit gehaald, zodat deze konden worden onderzocht. Het aangetroffen spoor op een van die geldbiljetten is gewaarmerkt en heeft bij invoering in HAVANK het nummer [nummer] gekregen. Vervolgens is een dactyloscopisch onderzoek uitgevoerd, waarbij het spoor gewaarmerkt met [nummer] is vergeleken met de afdruk van verdachte. Dit onderzoek wees uit dat voornoemd spoor een zeer grote mate van overeenkomst vertoonde met de afdruk van de linker duim van verdachte. De onderzoeker constateerde een zeer grote mate van overeenkomst (en de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen) tussen voornoemd spoor en de afdruk. Deze bevindingen liggen geheel in lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor, zijnde verdachte, afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein, aldus de onderzoeker. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat op het geldbiljet een vingerafdruk van verdachte zat.

Vermoeden van witwassen

Uit het dossier volgt een ernstig en gerechtvaardigd vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en het Rolex horloge van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar het volgende. De geldbedragen zijn in contanten aangetroffen, waaronder in grote coupures zoals 19 biljetten van € 200,- en 88 biljetten van € 100,-. Ook heeft verdachte bij betaling van de Rolex betaald met twintig coupures van € 100,- en een coupure van € 500,-. Het is algemeen bekend dat in het criminele circuit veelvuldig gebruik wordt gemaakt van grote coupures, terwijl deze biljetten in het algemene betalingsverkeer in Nederland nagenoeg niet worden gebruikt en geaccepteerd. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de coupures waren gebundeld. Deze wijze van bundeling is een typisch kenmerk van crimineel. Verdachte heeft een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad, zonder dat gebleken is van een noodzaak daartoe. Daarbij komt dat de bundels tussen bedbodems en in tassen verstopt in andere tassen of dozen zijn aangetroffen, verspreid over verschillende locaties, wat een ongebruikelijke wijze van bewaren is. Ook daarin ziet de rechtbank aanwijzingen voor witwassen. Het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld brengt namelijk risico’s met zich mee, omdat het geld ingeval van diefstal of schade niet verzekerd is. Tot slot is uit een eenvoudige kasopstelling gebleken dat de contante uitgaven groter zijn dan uit bekende legale contante gelden kan worden verklaard, waardoor sprake is van onbekende contante ontvangsten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verklaring over de herkomst van de gelden

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de gelden.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geldbedrag van € 20.000,- dat op de [adres 2] is aangetroffen, heeft gespaard. Hetzelfde geldt voor het geldbedrag van € 70.020,- dat op de [adres 4] is aangetroffen. Het Rolex horloge heeft verdachte aangekocht met het geld dat hij met zijn muziek heeft verdiend. Hij zou daartoe geld hebben opgenomen van zijn Paypalrekening. Zowel tegenover de politie als ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het geld heeft gespaard uit zijn muziekinkomsten, optredens en royalty’s. Ook heeft hij geld gewonnen bij het casino en heeft hij geld uitgeleend aan mensen die hem vervolgens cash terugbetalen. Ten aanzien van het geldbedrag van € 70.020,- dat op de [adres 3] is aangetroffen, is door verdachte geen verklaring afgelegd omdat verdachte heeft ontkend dat de gelden van hem zijn.

Inkomsten uit muziek

Uit het dossier blijkt dat verdachte over de relevante periode door verschillende partijen is betaald voor zijn werkzaamheden als muzikant (optredens en royalty’s). De betalingen voor optredens werden altijd per bank gedaan. Vanaf de ING rekening heeft verdachte in de relevante periode iets meer dan 20.000 euro contant opgenomen. Royalty’s werden betaald op zijn Paypalrekening.

Dat verdachte het horloge heeft betaald met geld dat hij opnam vanaf zijn Paypalrekening strookt niet met de van Paypal en ING verkregen gegevens. Er is geen sprake van contante opnames vanaf de Paypal rekening, overschrijvingen vanaf die rekening naar zijn ING rekening (tot een totaal van nog geen 10.000 euro) vinden plaats maanden voor de aankoopdatum van het horloge en er zijn geen contante opnames vanaf de ING rekening rond die datum.

Verdachte heeft verklaard dat hij naast de genoemde girale muziekinkomsten ook wel zelf optredens heeft geregeld, waarvoor hij ‘cash’ betaald heeft gekregen en ook van bevriende artiesten wel eens ‘çash’ betaald kreeg voor zijn werkzaamheden. Dit ‘cashgeld’ stond volgens verdachte niet geregistreerd. Ook weet verdachte niet om hoeveel optredens het gaat, of hoeveel hij voor de optredens betaald heeft gekregen. Verdachte heeft hierover – om hem moverende redenen – geen nadere gegevens willen verstrekken.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de verklaring dat de aangetroffen contanten met werkzaamheden in de muziek zijn verdiend, zonder daartoe stukken over te leggen en nadere gegevens te verstrekken. In het door de raadsman in dit verband genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2018:2352) was de verklaring van verdachte dat hij geld in loondienst had verdiend, hoewel niet onderbouwd met stukken, voldoende concreet en verifieerbaar omdat naar de verklaring onderzoek kon worden gedaan, bijvoorbeeld door bij de Belastingdienst gegevens op te vragen. Dit is anders in het geval van verdachte, nu verdachte geen gegevens of stukken heeft willen verstrekken over de optredens die aanknopingspunt hadden kunnen zijn voor verder onderzoek. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte over contante muziekinkomsten niet een concrete, verifieerbare verklaring vormt voor de legale herkomst van de aangetroffen gelden.

Inkomsten uit casinowinst

Verdachte heeft verklaard dat hij inkomsten heeft genoten uit behaalde winst bij het casino. Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek naar deze verklaring van verdachte gedaan. Bij Holland Casino zijn de gegevens inzake verdachte over een periode van 1 januari 2018 tot en met 3 januari 2020 opgevraagd. De verkregen gegevens geven geen overzicht van behaalde wisten. In de gegevens staat wel vermeld dat aan verdachte één keer een aanzienlijk bedrag is uitbetaald, namelijk een bedrag van € 11.060,- op 7 oktober 2020. Nu verdachte echter diezelfde nacht is aangehouden, waarbij dit bedrag in beslag is genomen en niet meer aan verdachte is teruggeven, kan dit bedrag niet gelden als legale herkomst voor de veel later in dit onderzoek aangetroffen contante geldbedragen. Hetzelfde geldt volgens de rechtbank voor de bonnetjes van andere casino’s die door de raadsman bij zijn pleitnota ter terechtzitting zijn overgelegd, nu onbekend is wat hoeveel de inleg van verdachte is geweest en wat de herkomst van die inleg was. Hoe dan ook ging dat niet om grote bedragen afgezet tegen wat er aan contante bedragen is aangetroffen.

Leningen

Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij wel eens geld heeft uitgeleend – welke leningen hij soms cash heeft teruggekregen – heeft verdachte in dat verband geen namen en wisselende bedragen genoemd. De rechtbank oordeelt dat deze verklaring van verdachte niet concreet of verifieerbaar is, zodat voor het Openbaar Ministerie niet de mogelijkheid bestaat om naar de verklaring van verdachte onderzoek te doen.

Conclusie: criminele herkomst en wetenschap

Gelet op het voorgaande en het oordeel dat een concrete en verifieerbare verklaring van verdachte over de herkomst van de aangetroffen geldbedragen en het bedrag waarmee het horloge is betaald ontbreekt, kan het niet anders zijn dan dat dit geld en dat goed onmiddellijk of middellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Witwashandelingen

Dat verdachte heeft geprobeerd om de herkomst, de vindplaats en de rechthebbende van de geldbedragen te verbergen blijkt uit de wijze van aantreffen, verspreid over verschillende woningen (van de ouders) van verschillende vriendinnen van verdachte. Hierdoor heeft verdachte de gelden onttrokken aan het zicht van autoriteiten. Bovendien stelt de rechtbank vast dat in het Whatsapp-gesprek tussen verdachte en [naam 1] wordt gesproken over verstoppen en heeft [naam 2] verklaard dat zij het geld voor Joel moest bewaren. Ten aanzien van het Rolex-horloge overweegt de rechtbank dat verdachte door met 31.000 euro contant geld een horloge aan te schaffen, het geldbedrag heeft omgezet (niet tenlastegelegd) en vervolgens het horloge voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de ten laste gelegde geldbedragen en het horloge van het merk Rolex.

Medeplegen

De rechtbank is verder van oordeel dat tussen verdachte anderen sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte degene is geweest die het geld bij vriendinnen heeft ondergebracht en dat zij het geld voor verdachte hebben bewaard. Zij moeten gezien de gang van zaken op zijn minst hebben vermoed dat het geld van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft hierbij instructies gegeven, die door de vriendinnen ten uitvoer zijn gebracht. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank een vooropgezet plan en een bewuste en nauwe samenwerking, zodat sprake is van medeplegen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020 te Almere en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] en haar kinderen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededaders

- de woning van voornoemde [slachtoffer] betreden

- voornoemde [slachtoffer] gezegd dat zij haar spullen moest pakken en

- voornoemde [slachtoffer] en haar kinderen laten plaatsnemen in klaarstaande voertuigen en

- voornoemde [slachtoffer] haar telefoon laten afstaan en

- voornoemde [slachtoffer] en haar kinderen naar een woning op de [adres 1] gebracht en

- voornoemde [slachtoffer] in een voertuig meegenomen naar een parkeerplaats tegenover het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost en vervolgens voornoemde [slachtoffer] weer mee terug genomen naar de woning op de [adres 1] en

- voornoemde [slachtoffer] meerdere malen geslagen met een vuurwapen en overgoten met water en

- voornoemde [slachtoffer] bedreigd met een vuurwapen en gedreigd voornoemde [slachtoffer] en haar kinderen te vermoorden en

- voornoemde [slachtoffer] en haar kinderen voortdurend bewaakt en vastgehouden in de woning op de [adres 1] ;

ten aanzien van feit 2, subsidiair:

op 31 december 2019 te Almere, tezamen en in verenging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- meermalen met een vuurwapen op het hoofd en de knieën van voornoemde [slachtoffer] te slaan en

- water over de nek van voornoemde [slachtoffer] te gieten,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 3:

op 31 december 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- in het bijzijn van voornoemde [slachtoffer] vuurwapens zichtbaar te dragen en aan elkaar over te dragen en in de hand te nemen en

- in het bijzijn van voornoemde [slachtoffer] een vuurwapen door te laden en

- voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen dat hij haar door het hoofd zou schieten en dat dit van hogere hand kwam en dat haar kinderen ook dood zouden gaan, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

op 31 december 2019 [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen "Ik wil je geld anders is jouw leven en dat van je kinderen voorbij.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

op 1 januari 2020 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door achter voornoemde [slachtoffer] plaats te nemen in een auto om vervolgens een vuurwapen door te laden en vervolgens met dit vuurwapen door het raam naar buiten te schieten;

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen

(aangetroffen in de auto van verdachte [medeverdachte 1] )

- een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool, merk: Glock, model: 19 gen 4, kaliber: 9x19 mm en munitie van categorie III, te weten meerdere patronen, kaliber 9mm Luger, synoniem 9x19 mm, volmantel rondneus,

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 5:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 9 januari 2020 te Amsterdam en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders van voorwerpen, te weten

- een contant geldbedrag van in totaal ongeveer 20.000 euro, aangetroffen op de [adres 2] , en 70.020 euro, aangetroffen op de [adres 3] , welk bedrag verdachte in bewaring heeft gegeven bij [naam 1] en

- een contant geldbedrag van in totaal ongeveer 70.020 euro en 6.300 euro en $ 4.040, welk bedrag verdachte in bewaring heeft gegeven bij [naam 2] en

de herkomst en de vindplaats verborgen en verborgen wie de rechthebbende op genoemde geldbedragen was en genoemde geldbedragen voorhanden gehad

en

zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte,

- een horloge van het merk Rolex, aankoopprijs 31.000 euro, voorhanden gehad,

terwijl hij en zijn mededaders wisten, (voor de mededaders: althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden), dat bovenomschreven voorwerp en geldbedragen -

onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring de strafoplegging zoals door de officier van justitie is geëist, te matigen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer en haar kinderen uit hun woning meegenomen in klaarstaande auto’s. Vervolgens hebben zij het slachtoffer en haar kinderen langdurig van elkaar gescheiden gehouden. Zij hadden wapens en hebben het slachtoffer ernstig mishandeld en bedreigd.

Door hen vast te houden hebben verdachte en zijn mededaders de slachtoffers ernstig belet in hun vrijheid.

Verdachte en zijn mededaders hebben de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast door heet water over haar heen te gooien en haar te slaan met een wapen, waardoor zij pijn heeft ervaren en aanzienlijk letsel heeft opgelopen.

Het betreft hier ernstige feiten waar de slachtoffers, tot op de dag van vandaag de traumatische gevolgen van ondervinden. De feiten zijn verder ook geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid te veroorzaken in de samenleving.

Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt voorts onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Voor deze feiten kan dan ook slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als een passende bestraffing gelden.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen en een Rolex horloge. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna het geld vrijelijk in de legale economie kan worden uitgegeven. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd.

Voor wederrechtelijke vrijheidsberoving zijn door de strafrechters geen oriëntatiepunten voor straftoemeting vastgesteld. Uit rechtspraak in vergelijkbare zaken blijkt dat gemiddeld gevangenisstraffen worden opgelegd tussen de 12 tot 24 maanden.

Uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte een leidende rol heeft gehad en het is verdachte geweest die de geweldshandelingen tegen aangeefster heeft uitgevoerd. Gelet op de rol van verdachte neemt de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt.

Bij de straftoemeting van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie heeft de rechtbank rekening gehouden met het Amsterdamse oriëntatiepunt voor straftoemeting, dat voor het bezit van een vuurwapen uitgaat van een gevangenisstraf van 6 maanden.

Ten aanzien van het witwassen gaat de rechtbank uit van een benadelingsbedrag van in totaal 200.000 euro. De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geven als uitgangspunt bij een benadelingsbedrag tussen de 125.000 euro en 250.000 euro een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 9 en 12 maanden.

De rechtbank heeft het voorgaande als uitgangspunten bij het bepalen van de op te leggen straf genomen.

Uit het strafblad van verdachte van 22 oktober 2020 is gebleken dat verdachte in 2016 is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 13 november 2020. Hierin staat dat verdachte geen problemen ervaart in zijn leven. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Indien aan verdachte een forse gevangenisstraf wordt opgelegd, zal in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw worden bezien welke voorwaarden aan verdachte dienen te worden opgelegd.

Ter terechtzitting heeft verdachte zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht. Verdachte heeft verklaard dat hij sinds 2016 bezig is met het maken van muziek. Sinds zijn detentie hebben mensen zowel op persoonlijk als op zakelijk gebied hun handen van hem afgetrokken. Ook heeft verdachte inmiddels een belastingschuld. Wanneer verdachte weer in vrijheid wordt gesteld, wil hij zijn muziek en optredens weer gaan oppakken.

Alles overwegende, acht de rechtbank voor alle bewezen feiten een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden passend. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst in bijlage III bij dit vonnis in beslag genomen.

Teruggave aan rechthebbende

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld onder nummers 57, 58, 75 tot en met 104, 108, op de beslaglijst behoren aan verdachte toe en moeten worden teruggegeven aan verdachte.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld onder nummers 1, 2 tot en met 55, 66, 106, 113 tot en met 125, 129 tot en met 137 op de beslaglijst dienen te worden bewaard voor de rechthebbende. De goederen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven. Nu onvoldoende is gebleken of deze voorwerpen aan verdachte dan wel aan derden toebehoren, zullen deze voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Verbeurdverklaring

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld onder nummers 59 tot en met 65, 66a tot en met 72, 107, 109 tot en met 112, 126, 138 tot en met 140 op de beslaglijst dienen verbeurd te worden verklaard, nu deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen, of nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan. De voorwerpen behoren aan verdachte toe.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder nummers 73, 74, 105, 127, 128 op de beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vordering [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 9.093,46 gevorderd als vergoeding van materiële schade en € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en heeft verzocht om de vordering toe te wijzen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige reis- en parkeerkosten.

De raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot vergoeding van de schade. Indien de rechtbank van oordeel is dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht, dient de gevorderde materiële schade te worden afgewezen omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade kan – nu aangeefster kennelijk kampt met trauma’s uit het verleden – geen causaal verband worden vastgesteld tussen de klachten van aangeefster en het ten laste gelegde, zodat de gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 tot en met feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

Materiële schade en proceskosten

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Toewijzing medische kosten, inkomstenderving en verhuiskosten

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade van € 474,46 aan eigen risico, € 1.855,91 aan inkomstenderving en € 250,- aan reiskosten in verband met verhuizing kunnen worden toegewezen. Deze posten betreffen rechtstreekse schade en zijn voldoende onderbouwd. Ten aanzien van het eigen risico overweegt de rechtbank dat een declaratieoverzicht is bijgevoegd. Gelet op de behandeldatum, zijnde 2 januari 2020, is het eigen risico nog niet verbruikt. Ook ten aanzien van de inkomstenderving zijn stukken van het uitzendbureau en het UWV overgelegd. Dat de benadeelde partij voorafgaand aan het ten laste gelegde een langere periode heeft gewerkt, heeft de rechtbank afgeleid uit de opbouw van het vakantiegeld, zoals die uit de stukken van het uitzendbureau is gebleken. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting verder is gebleken dat de benadeelde partij in het stelsel Bewaken en Beveiligen is opgenomen en dat zij daarvoor heeft moeten verhuizen, acht de rechtbank het gevorderde forfaitaire bedrag voor reiskosten als gevolg van die verhuizing billijk.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade verklaren. Ten aanzien van de toekomstige medische, reis- en parkeerkosten overweegt de rechtbank dat deze kosten nog niet zijn gemaakt. Deze kosten betreffen daarom geen geleden schade, zodat zij niet voor vergoeding in aanmerking komen. Nu op basis van het strafdossier verder niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij haar telefoon niet heeft terug gekregen, kan niet worden vastgesteld of op dit punt rechtstreekse schade is geleden. Ook kan uit de overgelegde afschrijving bij de Apple store niet worden afgeleid welk product is aangeschaft.

Tot slot is door de benadeelde partij € 63,50 als vergoeding van proceskosten gevorderd, bestaande uit € 50,- als kilometervergoeding voor gesprekken met de officier van justitie en raadsman van de benadeelde partij en € 13,50, aan parkeerkosten. De rechtbank zal deze kosten toewijzen.

Immateriële schade

Naast de materiële schade is door de benadeelde partij € 15.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag aan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, nu de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in haar persoon is aangetast. Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Uit het procesdossier is gebleken dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde een eerstegraads brandwond en hoofd- en huidletsel heeft opgelopen.

Naast schadevergoeding voor fysiek letsel heeft de benadeelde partij een vergoeding voor psychisch letsel gevorderd. Door de benadeelde partij is daartoe een indicatiestelling en behandelplan overgelegd. Hierin is opgenomen dat bij de benadeelde partij sprake lijkt te zijn van een posttraumatische-stressstoornis naast depressieve klachten, ten gevolge van een ontvoering met geweld. Psychologische behandeling is geïndiceerd, waarbij de behandeling zal bestaan uit psycho-educatie over PTSS, EMDR-behandeling en recidiefpreventie.

Naast voornoemde indicatiestelling is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij is immers uit haar woning gehaald, waarbij ook haar kinderen zijn meegenomen. Zij is vervolgens bijna een dag van haar vrijheid beroofd geweest, waarbij zij is mishandeld; zij is overgoten met heet water en geslagen met een vuurwapen. Zij is afgescheiden geweest van haar kinderen en tegen haar zijn bedreigingen geuit. De benadeelde partij heeft moeten vrezen voor haar leven en voor dat van haar kinderen. De benadeelde partij slaapt slecht ten gevolge van het bewezenverklaarde en heeft haar woning en vertrouwde omgeving na het bewezenverklaarde moeten verlaten. Toekenning van smartengeld is hier op zijn plaats. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen is toegekend. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien tot matiging van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank zal de immateriële schade begroten op € 5.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.580,37, bestaande uit € 2.580,37 aan materiële schade, en € 5.000,- aan immateriële schade. Deze schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2019, – de datum waarop het strafbare feit is gepleegd – tot aan de dag van algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 63,50.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 7.580,37, bestaande uit € 2.580,37 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 67 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade, of voor zover deze vordering al door of namens een van de medeveroordeelden is betaald.

9.2.

Vordering [dochtertje 1]

Namens de benadeelde partij [dochtertje 1] is € 10.000,- gevorderd als vergoeding van immateriële schade, bestaande uit een vergoeding van € 5.000,- wegens psychisch letsel en € 5.000,- wegens shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is namens de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en heeft verzocht om de vordering toe te wijzen.

De raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot vergoeding van de schade. Indien de rechtbank van oordeel is dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht, dient de gevorderde schade te worden afgewezen omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat het een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Ten aanzien van de psychische schade overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, indien de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit het strafdossier is niet gebleken van lichamelijk letsel bij de benadeelde partij, zodat dit niet voor vergoeding in aanmerking komt. Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is vervolgens in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Namens de benadeelde partij is geen verklaring overgelegd waaruit van psychisch letsel bij de benadeelde partij is gebleken. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Hoewel de rechtbank in dit vonnis bewezen heeft verklaard dat de benadeelde partij van haar vrijheid beroofd is geweest, is in dit geval niet evident dat dit tot psychische schade heeft geleid. Immers verbleef de benadeelde partij op een voor haar vertrouwde plek met bekenden en heeft zij de geweldshandelingen tegen haar moeder niet gezien. Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ten aanzien van de shockschade overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is echter wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu namens de benadeelde partij geen verklaring van een psychiater is overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank concludeert dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering is onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.3.

Vordering [dochtertje 2]

Namens de benadeelde partij [dochtertje 2] is € 10.000,- gevorderd als vergoeding van immateriële schade, een vergoeding van € 5.000,- wegens psychisch letsel en € 5.000,- wegens shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is namens de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De standpunten van partijen en de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van deze vordering zijn hetzelfde als die ten aanzien van de hiervoor besproken vordering van haar zusje.

Ook in dit geval concludeert de rechtbank dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering is onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.4.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Artikel 6:166 lid 1 BW voorziet in een hoofdelijke aansprakelijkheid van personen die tot een groep behoren voor de schade die is veroorzaakt door gedragingen in groepsverband. Daaraan ligt de ratio ten grondslag dat ieders bijdrage de kans in het leven roept dat schade zal ontstaan en dat dit gegeven de groepsdeelnemers had moeten weerhouden van hun gedragingen. Daarbij is de mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen niet van belang en dus ook niet wie van de groepsdeelnemers de schade rechtstreeks heeft toegebracht. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat een deelnemer zich met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen zijn eigen handelen en de door de benadeelde geleden schade aan mede-aansprakelijkheid zou kunnen onttrekken. Art. 6:166 BW brengt dan ook in beginsel aansprakelijkheid voor andermans gedrag met zich en dus een zekere risicoaansprakelijkheid, waarvoor het voldoende is dat de verdachte behoorde te begrijpen dat aan het groepsoptreden het gevaar was verbonden dat schade zou worden toegebracht. Voldoende voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld ongeacht de vorm die de deelname heeft aangenomen. Gelet op voornoemde ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verdachte en zijn medeveroordeelden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de toegewezen schade van aangeefster.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen

33, 33a, 36b, 36d, 36f, 47, 57, 282, 285, 300, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en

26, 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2, primair, ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/ beroofd houden

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

medeplegen van mishandeling

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van feit 5:

witwassen en medeplegen van witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

nummers 59 tot en met 65, 66a tot en met 72, 107, 109 tot en met 112, 126, 138 tot en met 140 van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage III gehechte beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

nummers 73, 74, 105, 127, 128 van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage III gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

nummers 57, 58, 75 tot en met 104, 108 van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage III gehechte beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

nummers 1, 2 tot en met 55, 66, 106, 113 tot en met 125, 129 tot en met 137 van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage III gehechte beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.580,37 (zevenduizend vijfhonderdtachtig euro en zevenendertig eurocent), bestaande uit € 2.580,37 (tweeduizend vijfhonderdtachtig euro en zevenendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 63,50 (drieënzestig euro en vijftig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens de medeveroordeelden is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.580,37 (zevenduizend vijfhonderdtachtig euro en zevenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 67 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [dochtertje 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart [dochtertje 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en A.A. Fase, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2020.