Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6182

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
AMS 19/613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een caféterrasje op een pothuis (een half-ondergrondse aan- of uitbouw aan een pand) aan de Prinsengracht hoeft nog niet weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/613

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Café Tabac B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Diderich).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2018 (het primaire besluit) heeft de burgemeester – voor zover hier van belang – de aanvraag van eiseres voor een terras op een pothuis aan de Prinsengracht geweigerd.

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurders, [bestuurder 1] en [bestuurder 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich door haar gemachtigde laten vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

De feiten

1.1

Eiseres exploiteert café Tabac dat is gevestigd aan de Brouwersgracht 101 te Amsterdam. Het café ligt op de hoek met de Prinsengracht. Zowel aan de Brouwersgrachtzijde als aan de Prinsengrachtzijde van het pand wordt al jaren een terras geëxploiteerd. Het terras aan de Brouwersgrachtzijde is vergund. Aan de zijde van de Prinsengracht bevindt dit terras zich op een pothuis. Voor het terras op het pothuis is tot op heden geen vergunning afgegeven.

1.2

Voor zover hier van belang, heeft [bestuurder 2] op 1 februari 2018 namens eiseres een aanvraag gedaan voor het bestaande, maar nog nooit vergunde terras op het pothuis aan de zijde van de Prinsengracht.

1.3

Het dak van het pothuis ligt 1,20 meter tot 1,35 meter boven straatniveau. Het terras bestaat uit een aantal kussens die op dit dak van het pothuis liggen. Het is bereikbaar met een vast trapje van enkele treden.

1.4

Het café ligt in het gebied waar het bestemmingsplan ‘Westelijke binnenstad’ geldt. Het pand waar het café in is gevestigd, heeft de bestemming ‘Gemengd - 1.3’. Het pothuis is tegen dit pand aangebouwd. Op de plek waar het pothuis staat, rust de bestemming ‘Verkeer’.

De besluitvorming van de burgemeester

2.1

Na een voornemen van de burgemeester en een zienswijze van eiseres, heeft de burgemeester in het primaire besluit de aanvraag voor een terras op het pothuis geweigerd.

2.2

Met het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Volgens de burgemeester is allereerst het hebben van een dakterras op het pothuis in strijd met het bestemmingsplan, zodat het terras op grond van artikel 3.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) geweigerd moet worden. Volgens artikel 9.2.8, onder c, van de regels bij het bestemmingsplan ‘Westelijke binnenstad’ zijn dakterrassen namelijk niet toegestaan op gebouwen met de bestemming ‘Gemengd - 1.3’.

Verder stelt de burgemeester dat het terras niet veilig is, zodat hij het weigert met artikel 3.11, tweede lid, van de APV. De burgemeester is van mening dat fysieke veiligheid van bezoekers van het terras ook onder het begrip veiligheid van artikel 3.11, tweede lid, van de APV valt. Het pothuis is ruim een meter hoog, heeft geen afscheiding of valbeveiliging, bezoekers moeten erop klimmen en de kussens die er liggen kunnen schuiven.

Ten slotte stelt de burgemeester zich op het standpunt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Eiseres heeft geen adressen genoemd van vergelijkbare, wel vergunde terrassen. Daarbij is volgens de burgemeester nog nooit een vergunning verleend voor een terras op een pothuis. Dat het pothuis al lange tijd gebruikt wordt als terras is geen reden om daar anders over te denken, aldus de burgemeester.

3. In beroep heeft eiseres betwist dat het terras in strijd met het bestemmingsplan is. Verder stelt eiseres dat het in de APV alleen over sociale veiligheid gaat en niet over fysieke veiligheid.

De relevante regels

4. De relevante artikelen uit de APV en het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Is het terras in strijd met het bestemmingsplan?

5.1

Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 is de op de plankaart vermelde bestemming leidend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met bestemmingsplan. Het pothuis staat op de plankaart ingetekend op grond waar de bestemming ‘Verkeer’ geldt. Dit is ook niet langer in geschil, zoals de gemachtigde van de burgemeester op de zitting heeft bevestigd. Dat betekent dat voor het pothuis niet de planregels gelden die horen bij de bestemming ‘Gemengd - 1.3’ maar de planregels die horen bij de bestemming ‘Verkeer’.

5.2

Enerzijds betekent dit dat artikel 9.2.8, onder c, van de planregels voor de bestemming ‘Gemengd - 1.3’, waarin staat dat een dakterras niet is toegestaan, niet geldt voor het pothuis. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat in artikel 20.5.1 van de planregels is bepaald dat het gebruik van een onbebouwd terras op de tot Verkeer bestemde gronden, met inachtneming van andere gemeentelijke regelgeving, is toegestaan.

5.3

Het standpunt van de burgemeester dat geen terras mogelijk is op de plek van het pothuis, omdat die ruimte al door het pothuis is ingenomen, volgt de rechtbank niet. Volgens artikel 3.3 van de APV is niet relevant of een terras op die plek kan staan. Alleen relevant is of op die plek een terras mag staan. Omdat artikel 20.5.1 van de planregels in beginsel een terras op die plek toestaat, is dus geen sprake van strijd met het bestemmingsplan.

5.4

De burgemeester heeft het terras dan ook ten onrechte geweigerd met artikel 3.3 van de APV.

Mocht de burgemeester het terras weigeren omdat het terras niet veilig is?

6.1

Partijen zijn in geschil of het veilig op het terras kunnen zitten, valt onder het begrip ‘veiligheid’ zoals dat in artikel 3.11 van de APV wordt gebruikt. De rechtbank moet daarom uitleg geven aan artikel 3.11, tweede lid, van de APV.

6.2

Eiseres betoogt dat het begrip veiligheid in dit artikel gaat over sociale veiligheid en de openbare orde. Dit blijkt ook uit de tekst van het derde lid van voornoemd artikel. Omdat van situaties zoals genoemd in het derde lid geen sprake is, mag de burgemeester de vergunning niet weigeren, aldus eiseres.

6.3

De rechtbank volgt eiseres in de stelling dat de burgemeester in het bestreden besluit een verkeerde invulling aan het begrip veiligheid in artikel 3.11 van de APV heeft gegeven. Uit het tweede lid van het artikel blijkt al dat het gaat over sociale veiligheid. Daar is namelijk vermeld dat het gaat om de ‘veiligheid in de omgeving’ in relatie tot de ‘aanwezigheid van het horecabedrijf’. Dat wijst dus niet op fysieke veiligheid van bezoekers, in de zin dat bezoekers veilig van het terras gebruik kunnen maken. Ook de tekst van het derde lid van dit artikel, die invulling geeft aan het tweede lid, wijst op sociale veiligheid. Het gaat ook daar steeds over de ‘veiligheid in de omgeving’ in relatie tot de ‘aanwezigheid van het horecabedrijf’.

6.4

Het artikel beschermt dus niet de veiligheid van de klanten van eiseres die op het pothuis plaats nemen. De rechtbank concludeert dan ook dat de burgemeester de gevraagde vergunning niet heeft mogen weigeren op grond van artikel 3.11 van de APV. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat de fysieke veiligheid van de bezoekers van een terras in andere regelgeving is gewaarborgd.

Conclusie

7.1

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het de rechtbank niet duidelijk is geworden of de enige resterende mogelijkheid is dat de burgemeester het terras vergunt, draagt de rechtbank de burgemeester op om binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

7.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7.3

Verder veroordeelt de rechtbank de burgemeester in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Voorlopige voorziening

8.1

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die erop ziet dat de burgemeester gedurende het verdere verloop van de procedure niet handhavend zal optreden. De gemachtigde van de burgemeester heeft desgevraagd verklaard dat de burgemeester zich niet verzet tegen een dergelijke voorziening.

8.2

De rechtbank treft dan ook op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de voorziening dat tot zes weken na het nemen van het nieuwe besluit, het terras op het pothuis mag worden geëxploiteerd als ware er een exploitatievergunning verleend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de burgemeester op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-;

- draagt de burgemeester op het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden tot een bedrag van € 345,-;

- treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorziening dat tot zes weken na het nemen van het nieuwe besluit, het terras op het pothuis mag worden geëxploiteerd als ware er een exploitatievergunning verleend.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, voorzitter, mr. M.F. Ferdinandusse en mr. P. Sloot, leden, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

BIJLAGE

Juridisch kader

de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam

Artikel 3.3 Algemene weigeringsgrond

Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning voor een bedrijf als de exploitatie daarvan in strijd is met een bestemmingsplan […].

Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden

1. […].

2. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

b. de aard van het horecabedrijf;

c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en

e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

het Bestemmingsplan Westelijke binnenstad

Artikel 9 Gemengd - 1.3

9.2.8 Dakbeëindiging

a. […]

b. […]

c. Dakterrassen zijn niet toegestaan.

d. […]

Artikel 20 Verkeer

20.5.1 Ongebouwd terras

Het gebruik als ongebouwd terras van de tot 'Verkeer' bestemde gronden is, met inachtneming van andere gemeentelijke regelgeving, toegestaan.

1 Onder meer de uitspraak van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2055.