Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6181

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
13/751575-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen geslaagd beroep op gelijkstelling; de opgeëiste persoon heeft verblijfsrecht o.g.v. het Associatieverdrag EU-Turkije. De IND mocht de aangescherpte glijdende schaal toepassen in het advies van de verwachting van het verlies van het verblijfsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751575-20

RK nummer: 20/3266

Datum uitspraak: 24 november 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2020 door het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 16 september 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 september 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. In overleg met de rechtbank is de opgeëiste persoon niet verschenen, nu er op voorhand een verzoek tot aanhouding door de rechtbank is gehonoreerd aangezien de opgeëiste persoon in verband met gezondheidsklachten een coronatest moest ondergaan. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam, is evenmin verschenen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 10 november 2020

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de openbare zitting van 10 november 2020 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
Ö. Saki, en door een tolk in de Turkse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door het Amtsgericht Hamburg op 22 juni 2020 (dossiernummer: 163 Gs 727/20).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

3.1.1

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de Duitse rechter die het EAB heeft uitgevaardigd volgens het Duitse Wetboek van Strafvordering niet bevoegd is om een EAB te ondertekenen. Het is aan deze rechtbank om te onderzoeken of het EAB door de juiste instantie is uitgevaardigd. Er kleeft een gebrek aan het EAB nu dit niet door de juiste instantie is ondertekend. Primair moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, subsidiair dient het onderzoek te worden geschorst om nadere vragen dan wel prejudiciële vragen te stellen om meer duidelijkheid hierover te verkrijgen.

3.1.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet kan slagen en verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6204).

3.1.3

Oordeel van de rechtbank

Het is niet aan de rechtbank om te treden in de vraag of de rechter of rechterlijke instantie volgens het recht van de desbetreffende lidstaat wel bevoegd is om een EAB uit te vaardigen. In het geval dat een EAB is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit, moet het er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel, dan ook voor worden gehouden dat deze autoriteit daartoe bevoegd is. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te schorsen voor het stellen van aanvullende vragen dan wel prejudiciële vragen over dit onderwerp. Het verweer slaagt niet.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten, omdat hij op het moment dat de feiten zijn gepleegd aan het werk was.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de in het EAB genoemde feiten is de fysieke aanwezigheid van de opgeëiste persoon op de pleegplaatsen niet vereist, omdat de feiten volgens het EAB samen met anderen en/of in opdracht van de opgeëiste persoon zijn gepleegd. Derhalve is met de overgelegde stukken niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond dat de opgeëiste persoon niet schuldig kán zijn aan de in het EAB genoemde feiten. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- het onderzoek is in Duitsland aangevangen;

- bewijs bevindt zich in Duitsland;

- medeverdachten worden in Duitsland vervolgd en zijn of worden overgeleverd aan Duitsland;

- de verdovende middelen zijn Duitsland ingevoerd, dus de rechtsorde aldaar is geschaad;

- de Duitse autoriteiten hebben met het uitvaardigen van het EAB kenbaar gemaakt de opgeëiste
persoon te willen vervolgen.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur verdient. De raadsvouw heeft aangevoerd dat uit de feitenomschrijving blijkt dat er drugs vanuit Nederland naar Duitsland zijn uitgevoerd. Daarbij is het voornaamste gedeelte van het bewijs afkomstig uit Nederland nu de opgeëiste persoon gebruik zou hebben gemaakt van versleutelde communicatie die door onder meer Nederland is gekraakt. De opgeëiste persoon heeft overigens ook belang bij een mogelijke vervolging en berechting in Nederland, aangezien hij in Nederland woont, zijn kinderen hier wonen en naar school gaan, hij in Nederland een huis heeft en verder nagenoeg altijd in Nederland heeft gewerkt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Ook indien de verdenking in Duitsland is gebaseerd op gekraakte encrochat-berichten die zijn verkregen in een (door Eurojust en Europol gefaciliteerde) samenwerking tussen Nederlandse en Franse opsporingsautoriteiten, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, gelet op de door haar aangevoerde argumenten, in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de gevolgen van overlevering voor de opgeëiste persoon komt neer op een beroep op humanitaire omstandigheden. Redenen van humanitaire aard kunnen – volgens vaste rechtspraak – geen rol spelen bij de afweging in het kader van artikel 13 OLW. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY6633, r.o. 3.5).

7 Artikel 6, vijfde lid, OLW

7.1

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, vijfde lid, OLW. Aan hem is een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 24 december 2008 op grond van de Associatieovereenkomst Turkije-EG (Besluit 1/80). De IND is ten onrechte uitgegaan van de op dit moment geldende glijdende schaal, terwijl de glijdende schaal van vóór 1 juni 2010 moet worden toegepast. Bij een verblijfsduur van tenminste 15, maar minder dan 20 jaar kan verblijfsbeëindiging alleen plaatsvinden bij een veroordeling van meer dan 96 maanden. Gelet op de standstill-bepaling in Besluit 1/80 mag de opgeëiste persoon niet in een ongunstigere positie terecht komen dan op het moment van verlening van zijn verblijfsvergunning. Een beroep op het arrest van het HvJ van
8 december 2011 in de zaak Nural Ziebell tegen Duitsland, C-371/08 (ECLI:EU:C:2011:80) en de corrigerende werking van artikel 59 van het Protocol zal daarom niet slagen. In het IND-advies van 9 november 2020 wordt uitgegaan van een strafeis van 12 jaar gebaseerd op recidive maar recidive is niet aan de orde aangezien nog geen sprake is van veroordelingen. De adviezen van de IND over het mogelijke verlies van het verblijfsrecht zijn derhalve onjuist. Daarbij wijst de raadsvrouw op het oordeel van de vreemdelingenrechter in de zaak Demir van 31 mei 2016, waarbij het besluit is vernietigd en de IND alsnog een verblijfsvergunning heeft verstrekt. Een terugkeergarantie zou dus alsnog moeten worden versterkt.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling zodat geen terugkeergarantie behoeft te worden verstrekt. Het gaat om een voorlopig oordeel waarbij moet worden uitgegaan van het advies van de IND. De officier van justitie wijst op artikel 14 van het Associatieverdrag en artikel 59 van het Aanvullend Protocol. Het is niet aan deze rechtbank om op de stoel van de bestuursrechter te gaan zitten. Verder wijst de officier van justitie op de uitspraak van 22 mei 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:7095), waarin is geoordeeld dat een Turkse onderdaan die rechten ontleent aan Besluit 1/80 niet in een gunstigere positie kan verkeren dan EU-burgers. Uit contact met de IND blijkt dat een EU-burger bij deze stand van zaken ook zijn verblijfsrecht zou kunnen verliezen. Daarbij maakt het geen verschil of de glijdende schaal van vóór 1 juni 2010 of de huidige glijdende schaal wordt toegepast.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6, vijfde lid, OLW vereist dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de uiteindelijke beoordeling door de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling in Duitsland daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, kan afwijken van de beoordeling in het kader van de overleveringsprocedure.

In de brief van de IND van 9 juli 2020 staat dat de IND op basis van de door de officier van justitie aangeleverde gegevens intrekking van het verblijfsrecht mogelijk acht. In de aanvullende brief van de IND van 9 november 2020 wordt bevestigd dat intrekking van het verblijfsrecht mogelijk is en dat er wordt uitgegaan van een strafeis van 12 jaar vanwege het georganiseerde verband waarin de feiten hebben plaatsgevonden en de recidive.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de IND een onjuiste glijdende schaal hanteert en overweegt daartoe als volgt. De toepassing van de aangescherpte glijdende schaal is een beperking als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80. Deze bepaling wordt echter begrensd door artikel 14 van Besluit 1/80 en artikel 59 van het Aanvullend Protocol. Daarin is bepaald dat de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen. Als in het geval van de opgeëiste persoon het eerdere recht zou worden toegepast dan zou hij in een gunstiger positie komen te verkeren dan Unieburgers. De rechtbank verwijst naar ECLI:NL:RBDHA:2019:4819. De zaak Demir waar de raadsvrouw zich op beroept betreft geen aan onderhavige zaak vergelijkbaar geval en een beroep hierop snijdt dus geen hout.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de vereisten om gelijkgesteld te worden met een Nederlander als bedoeld in artikel 6 OLW. Het ontbreken van een terugkeergarantie vormt dus geen reden voor weigering van de overlevering.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen

weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hamburg (Duitsland).


Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 november 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.