Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6169

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
13/021114-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige vrouw is vrijgesproken van het veroorzaken van een fataal verkeersongeluk met een motorrijder op 12 mei 2018 in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/021114-20

Datum uitspraak: 11 december 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2020.

1.2

De officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend). De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt ontzegd voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.3

De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de verdachte en haar raadsman, mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. De raadsman heeft bepleit de verdachte vrij te spreken.

1.4

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de verklaring van [naam broer] , de broer van [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

2.1

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een personenauto, daarmee rijdende over de Haarlemmerweg, zich zodanig, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Haarlemmerweg, komende uit de richting van de Ringweg A10, en gaande in de richting van Amsterdam Centrum, – terwijl verdachte beginnend bestuurder was, verdachte is bij de kruising van de Haarlemmerweg en de Bos en Lommerweg, rijdende, op de/die Haarlemmerweg, over de middelste rijstrook enkel bestemd voor rechtdoorgaand verkeer, onverhoeds/abrupt linksaf geslagen (in de richting van een parkeergelegenheid bij het Westerpark), verdachte heeft (daarbij aldus) verkeerd voorgesorteerd, verdachte is (vervolgens), het/dat kruisingsvlak van de Haarlemmerweg en/of de Bos en Lommerweg overgestoken, verdachte heeft (daarbij), bij het oversteken, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een rechtdoorgaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een motorfiets, voornoemde [slachtoffer] , geen voorrang verleend, verdachte heeft zich bij het afslaan en/of oversteken van voornoemd kruisingsvlak (daarbij), niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat de Haarlemmerweg en/of voornoemd kruisingsvlak, vrij was van enig (kruisend) verkeer, verdachte heeft (daarbij) niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] , doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een/die bestuurder van een motorfiets, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die, rijdende over de Haarlemmerweg, komende uit de richting van Amsterdam Centrum en gaande in de richting van Ringweg A10, bij groen licht uitstralend verkeerslicht, voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond, verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer] , aangereden en en/of aangebotst, althans met voornoemde [slachtoffer] in botsing gekomen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

2.2

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Haarlemmerweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Haarlemmerweg, komende uit de richting van de Ringweg A10, en gaande in de richting van Amsterdam Centrum, - terwijl verdachte beginnend bestuurder was, verdachte is bij de kruising van de Haarlemmerweg en de Bos en Lommerweg, rijdende, op de/die Haarlemmerweg, over de middelste rijstrook enkel bestemd voor rechtdoorgaand verkeer, onverhoeds/abrupt linksaf geslagen (in de richting van een parkeergelegenheid bij het Westerpark), verdachte heeft (daarbij aldus) verkeerd voorgesorteerd, verdachte is (vervolgens), het/dat kruisingsvlak van de Haarlemmerweg en/of de Bos en Lommerweg overgestoken, verdachte heeft (daarbij), bij het oversteken, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een rechtdoorgaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een motorfiets, voornoemde [slachtoffer] , geen voorrang verleend, verdachte heeft zich bij het afslaan en/of oversteken van voornoemd kruisingsvlak (daarbij), niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat de Haarlemmerweg en/of voornoemd kruisingsvlak, vrij was van enig (kruisend) verkeer, verdachte heeft (daarbij) niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] , doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een/die bestuurder van een motorfiets, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die, rijdende over de Haarlemmerweg, komende uit de richting van Amsterdam Centrum en gaande in de richting van Ringweg A10, bij groen licht uitstralend verkeerslicht, voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond, verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer] , aangereden en/of aangebotst, althans met voornoemde [slachtoffer] in botsing gekomen.

2.3

De rechtbank leest “ [slachtoffer] ” als “ [slachtoffer] ” omdat sprake is van een kennelijke misslag. Voor zover in de tenlastelegging overige taal- en/of schrijffouten of misslagen staan, zijn deze ook verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Het juridisch kader

Artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994 (veroorzaken verkeersongeval)

3.1

Voor het bewijs van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair is ten laste gelegd, is vereist dat sprake is van op z’n minst een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid.

3.2

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zodanig onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest, dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

3.3

Of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling valt niet in zijn algemeenheid aan te geven. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (veroorzaken gevaar of hinder)

3.4

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt gedrag waardoor gevaar op de weg wordt veroorzaakt of gevaar kan worden veroorzaakt, alsmede gedrag waardoor het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Bij het (kunnen) veroorzaken van gevaar staat de veiligheid van het verkeer op het spel, bij het (kunnen) hinderen de vlotheid van het verkeer. Het artikel beoogt het belang van de verkeersveiligheid (door middel van het bestanddeel “gevaar”) respectievelijk de vlotheid van de doorstroming van het verkeer (door middel van het bestanddeel “hinder”) te beschermen.

3.5

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bevat de grondnorm voor een veilig en ordelijk verloop van het verkeer op de weg. Het geeft geen precieze regels voor het gedrag in een concrete situatie. Het geeft juist aan dat het gedrag, in welke situatie dan ook, telkens wordt beheerst door de grondnorm dat men zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt en dat het verkeer op de weg niet wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder aan te pakken.2

3.6

Gevaarscheppend gedrag zal in concreto een bepaalde, minimale ernst dienen te hebben om onder het bereik van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen worden gebracht.3

3.7

Bij de vraag of bepaald gedrag kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 geldt als uitgangspunt: de handeling in concreto, en wel in het licht van alle omstandigheden van het geval. Aan het veroorzaken van gevaar moet ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen. Een enkele overtreding van een regel uit het RVV 1990 is echter onvoldoende om het gevaar aan te nemen waarop in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt gedoeld. Geschreven én ongeschreven normen staan aan de basis van het ongeoorloofde karakter van de gevaarzetting. Het gevaar is gelegen in een reële mogelijkheid of aanzienlijk verhoogde kans op schade van goed of lijf.

3.8

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van het veroorzaken van gevaar op de weg in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is verder van belang dat degene die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, zichzelf in de gelegenheid moet stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet.4

3.9

Ten slotte dient ook de vraag te worden beantwoord of het gedrag van de verdachte het gevaar heeft veroorzaakt. Die causaliteit zal beoordeeld moeten worden aan de hand van de leer van de redelijke toerekening, waarbij de voorzienbaarheid van het gevaar of de hinder belangrijk zal zijn bij de invulling van dit criterium. Toerekening is alleen redelijk wanneer het (rij)gedrag van de verdachte fout is en als met een zekere mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als de verdachte dat foutieve rijgedrag achterwege had gelaten. Met andere woorden de verkeersfout dient een condicio sine qua non te zijn voor het verkeersongeval.

4 Wat is er gebeurd?

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de camerabeelden het volgende vast. De verdachte reed op 12 mei 2018 in een Volkswagen Golf over de Haarlemmerweg te Amsterdam. Zij kwam uit de richting van de Ringweg A10 en ging in de richting van Amsterdam Centrum. De Haarlemmerweg bestond ter plaatse uit twee rijbanen. De rijbaan waarover de verdachte reed, was in twee rijstroken verdeeld en kort voor de kruising met de Bos en Lommerweg kwam daar een derde rijstrook bij voor verkeer dat naar rechts wilde afslaan. De middelste rijstrook was bestemd voor het verkeer dat rechtdoor ging en de linker rijstrook was bestemd voor verkeer dat naar links wilde afslaan of rechtdoor wilde gaan. De rijbaan in tegengestelde richting was ook in twee rijstroken verdeeld en daar kwam voor de kruising met de Bos en Lommerweg een derde rijstrook bij voor verkeer dat naar links wilde afslaan. Die linker rijstrook eindigde na de kruising. Bij de kruising van de Haarlemmerweg en de Bos en Lommerweg is de verdachte links afgeslagen, in de richting van een parkeergelegenheid bij het Westerpark. [slachtoffer] kwam uit de andere, tegengestelde richting over de Haarlemmerweg aanrijden op zijn motor (Suzuki [kenteken] , vanuit de richting van Amsterdam Centrum en in de richting van Ringweg A10. Hij reed op de rechter rijstrook voor verkeer dat rechtdoor wilde gaan of naar rechts wilde afslaan. Hij reed harder dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid (ongeveer 71 km/uur in plaats van 50 km/uur). Vlak voor de kruising heeft hij geremd waarbij zijn achterwiel omhoog kwam en hij van zijn motor werd gelanceerd. Hij is gevallen en tegen de auto van de verdachte aangekomen en zijn motor is tegen hem en de auto aangekomen. Uiteindelijk is [slachtoffer] aan zijn verwondingen overleden.

5 De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting, samengevat, verklaard dat zij op 12 mei 2018 op weg was naar de Rollende Keukens in het Westerpark in Amsterdam. Zij reed over de Haarlemmerweg, een weg die zij kent. Zij zag toen borden die aangaven waar geparkeerd kon worden, dat was voor haar links. Zij heeft toen haar richtingaanwijzer naar links aangedaan en is naar links gaan voorsorteren. Zij zag dat zij groen licht had, en nadat zij in haar spiegels had gekeken en de kruising, die overzichtelijk was, had overzien en had gezien dat die vrij was, is zij rustig (op fietssnelheid) links afgeslagen. De auto’s die op de andere rijbaan stonden te wachten om linksaf te gaan, naar Bos en Lommer, belemmerden niet haar zicht. Zij heeft gekeken of er over de Haarlemmerweg rechtdoorgaand verkeer aankwam, maar zag niets aankomen. Toen ze bijna de kruising over was, en naar rechts keek, zag zij iets in de lucht. De verdachte heeft betwist dat zij ineens naar links is afgeslagen.

6 Vrijspraak

6.1

De verdachte wordt in de kern verweten dat zij bij de kruising van de Haarlemmerweg en de Bos en Lommerweg over de middelste rijstrook (enkel bestemd voor rechtdoorgaand verkeer) heeft gereden en onverhoeds dan wel abrupt naar links is afgeslagen en (daarbij aldus) verkeerd heeft voorgesorteerd, de kruising is overgestoken en [slachtoffer] , die rechtdoor reed, geen voorrang heeft verleend.

6.2

De verdachte zou zich bij het afslaan en/of oversteken van de kruising van de Haarlemmerweg met de Bos en Lommerweg niet (tijdig en/of voldoende) vergewist hebben en/of zich niet (tijdig en/of voldoende) zijn blijven vergewissen dat de Haarlemmerweg en/of de kruising, vrij was van enig (kruisend) verkeer.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en de camerabeelden niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte onverhoeds, abrupt of – zoals de officier van justitie het ook heeft verwoord – op het allerlaatste moment naar links is afgeslagen. Uit de beelden blijkt dat de verdachte, net als de rest van het verkeer, rustig komt aanrijden en dat zij rustig en in een vloeiende beweging de kruising oversteekt. Het antwoord op de vraag of de verdachte wel of niet (tijdig en/of juist) heeft voorgesorteerd, kan in het midden blijven. De rechtbank acht het mogelijk onjuist of te laat voorsorteren in deze zaak geen strafrechtelijk relevante oorzaak voor het verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden. Uit de beelden blijkt dat in de strook voor links afslaand verkeer vanuit de rijrichting van het slachtoffer auto’s stonden te wachten om naar links af te slaan die het zicht van de verkeersdeelnemers op de rijbaan van het slachtoffer belemmerden. Uit de stukken en de beelden blijkt niet dat het slachtoffer zicht had of moet hebben gehad op de voorsorteerstrook en de auto van de verdachte voordat deze de kruising opreed.

6.4

Uit de beelden blijkt dat de verdachte met een normale snelheid de kruising is overgestoken. Voorts blijkt uit de beelden dat de motorrijder de kruising met een hoge snelheid heeft genaderd en dat hij pas vlak voor de kruising een noodremming heeft verricht. De verdachte heeft verklaard dat zij heeft gekeken of de kruising vrij was en of er verkeer kwam aanrijden over de Haarlemmerweg. Uit het onderzoek dat is gedaan naar de toedracht van het ongeval, is niet gebleken dat de verdachte op het moment dat zij de kruising overstak, het slachtoffer moet hebben kunnen zien. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verdachte het slachtoffer niet heeft zien aankomen door de te hoge snelheid waarmee deze heeft gereden bij nadering van de kruising. De rechtbank merkt op dat zij er op grond van het dossier niet van uitgaat dat de motorrijder door rood is gereden.

6.5

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, niet bewezen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dus ook dat het niet aan de schuld van de verdachte is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat kan worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de zijde van de verdachte. De rechtbank is kortom van oordeel dat het ongeval en het ontstane gevaar in redelijkheid niet aan de verdachte zijn toe te rekenen.

6.6

Aangezien de rechtbank het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen acht, zal zij de verdachte vrijspreken.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2020.

1 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. [naam] .

2 Kamerstukken II, 1990/91, 22030, nr. 3, p. 65-66.

3 Vgl. voormalig AG Jörg in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2005:AR7150) voorafgaand aan Hoge Raad 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7150, VR 2005/114.

4 Vgl. Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3998, NJ 2005/435, rov. 3.5.