Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6150

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
13/160021-20
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/160021-20

Datum uitspraak: 30 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 16 september 2020 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. Daarnaast was de raadsman van verdachte aanwezig, mr. T.H.L. Kneepkens.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 juni 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van flesjes wijn en sandwiches van de Albert Heijn.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het feit kan worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring. Verdachte heeft op zitting het ten laste gelegde feit bekend.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bekennende verklaring op de zitting, de aangifte en de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 18 juni 2020 flesjes wijn en sandwiches van de Albert Heijn aan de [adres] in Amsterdam heeft gestolen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 18 juni 2020 te Amsterdam, flesjes wijn en sandwiches, toebehorende aan Albert Heijn (vestiging: [adres] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen geachte feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

6 Motivering van de straf

6.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van één jaar, waarbij de maatregel zal zijn gericht op terugkeer naar zijn land van herkomst. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden voor twee of drie maanden en het bevel tot voorlopige hechtenis wordt geschorst, zodat verdachte een kans krijgt om in de tussentijd te laten zien dat hij ervoor kan zorgen dat hij niet meer met politie en justitie in aanraking komt.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om aan verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar hem ‘kaal’, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals bijvoorbeeld reclasseringstoezicht, af te straffen. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de officier van justitie te volgen in haar subsidiaire verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden voor twee maanden en het bevel tot voorlopige hechtenis te schorsen.

Mocht de rechtbank toch een ISD-maatregel opleggen, dan verzoekt de raadsman deze op te leggen voor één jaar in plaats van twee jaar.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat schade en hinder veroorzaakt voor het gedupeerde winkelbedrijf.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 18 augustus 2020, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, laatstelijk op 24 juni 2020.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsrapport van 2 juli 2020, waarin de reclassering heeft geadviseerd om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Verdachte is veelpleger op het gebied van vermogensdelicten en voldoet aan de criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Op de zitting is het advies van de reclassering toegelicht door de heer T. Pallata, reclasseringswerker. De reclassering heeft de ISD-maatregel geadviseerd, omdat de kans van slagen van een reclasseringstoezicht niet groot is. Vanuit hulpverleningsoptiek zijn de mogelijkheden zeer beperkt nu verdachte als EU-onderdaan onvoldoende rechten heeft opgebouwd om aanspraak te kunnen maken op sociale voorzieningen, zoals een uitkering. Eventuele bijzondere voorwaarden die bij vonnis zouden worden opgelegd, zijn niet uitvoerbaar. Al met al kan de reclassering weinig voor verdachte betekenen.

Hoewel verdachte aan de criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet, ziet de rechtbank reden om die maatregel nu niet op te leggen. Op 24 juni 2020 is verdachte ook veroordeeld voor winkeldiefstal. Ook toen voldeed verdachte al aan de ISD-criteria. De officier van justitie heeft in die zaak geen oplegging van de ISD-maatregel gevorderd om verdachte een kans te bieden om, met hulp van de reclassering, verandering in zijn leven te brengen. De rechtbank heeft de officier van justitie toen in die redenering gevolgd en aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit een ambulante behandeling gericht op zijn verslavingsproblematiek inhoudt. Nu verdachte het onderhavige feit pleegde op 18 juni 2020, zes dagen voordat voornoemd vonnis werd gewezen, en verdachte daardoor opnieuw vast kwam te zitten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte onvoldoende de kans heeft gehad om zijn leven daadwerkelijk een positieve wending te geven.

De rechtbank betrekt hierbij dat de persoonlijke situatie van verdachte inmiddels is veranderd. Verdachte is abstinent en gebruikt geen methadon meer. Hij beschikt weer over een ID-kaart, heeft een sofinummer en toegang tot financiële middelen. Ook heeft hij zicht op werk en kan hij naar eigen zeggen een slaapplaats krijgen via een uitzendbureau in Eindhoven.

Verdachte is gemotiveerd en heeft een concreet plan, dat hij gedeeltelijk ten uitvoer heeft gebracht. De rechtbank is overtuigd van de goede wil van verdachte om zijn leven in positieve zin te veranderen en is daarom van oordeel dat hij de kans moet krijgen om zijn plan verder uit te voeren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel op dit moment niet passend. De vordering van de officier van justitie zal dan ook worden afgewezen.

Mocht verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking komen, dan zal het opleggen van de ISD-maatregel ter beveiliging van de maatschappij uiteraard weer in beeld komen. De rechtbank acht het daarvoor niet nodig om de behandeling van de zaak aan te houden en wijst daarom het subsidiaire verzoek van de officier van justitie af.

De rechtbank zal aan verdachte geen deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opleggen, nu de reclassering de rechtbank heeft geïnformeerd dat zij weinig voor verdachte kan betekenen. Bovendien heeft verdachte op de zitting verklaard geen hulp nodig te hebben.

De rechtbank heeft gekeken naar de afspraken die rechters in Nederland over de straftoemeting hebben gemaakt. In geval van veelvuldige recidive van winkeldiefstal geldt als landelijk oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.

De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal

Verklaart hetgeen bewezen is verklaard strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 17 september 2020.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. I. Mannen en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Struijkenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2020.

[...]

1 [...]